31. Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken, (volgens de Joodse overlevering drie el hoog). Van dicht gepolijst werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, zijn stam, en zijn rieten of takken; zijn schaaltjes of bekers in de vorm aan amandelnoten (
Vers 33), zijn knopen 1) of knoppen, rond als een granaatappel, en zijn bloemen 2) zullen uit hem 3) zijn; deze zullen ter versiering uit één en hetzelfde stuk gevormd worden.
1) Zijn knopen. Hieronder moeten verstaan worden, ronde balletjes, in de vorm van granaatappels, (Amos 9:1 Zefanja 2:14 )
2) De LXX vertaalt: zijn Lelies. Wij hebben hier echter onder te verstaan, in verband met het woord in de grondtekst, hetwelk van "uitbotten" is afgeleid, afbeeldingen van opengaande, zich ontsluitende bloemen..
3) Uit hem. Dit ziet niet alleen op de bloemen, maar op al het voorgaande en wil zeggen, dat de lamp als uit een stuk zal worden gemaakt, of dat alle onderdelen ten nauwste met de stam zullen verbonden worden en alles tezamen uit dicht goud gemaakt moest worden..