Exodus 27:1-8
Zoals God in de tabernakel Zijn tegenwoordigheid wilde openbaren onder Zijn volk, zo moesten zij Hem daar hun hulde en aanbidding brengen, niet in de tabernakel zelf, (daar moesten alleen de priesters als Gods huisdienaren binnengaan) maar in de voorhof van de tabernakel, waar zij als gewone onderdanen kwamen. Daar moest een altaar opgericht worden, waarop zij hun offeranden moesten brengen, en waarop de priesters ze aan God moesten offeren. Dit altaar moest hun gaven heiligen, vandaar moesten zij God hun diensten bieden, zoals Hij hun van het verzoendeksel Zijn orakelen gaf, en aldus werd er een gemeenschap geopend tussen God en Israël. Aan Mozes worden hier bevelen gegeven ten opzichte van:
1. De afmetingen ervan, het was vierkant, vers 1.
2. De hoornen ervan, die tot nut en sieraad waren, vers 2, de offers werden met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden, en tot de hoornen van het altaar vluchtten boosdoeners om er bescherming te vinden.
3. De materialen, het was van hout, overtrokken met koper, vers 1,2.
4. De gereedschappen ervan, die alle van koper moesten wezen.
5. Het rooster, dat geplaatst was in de holte in het midden van het altaar, waarop het vuur was en het offer verbrand werd. Hij was gemaakt van netwerk van koper, als een zeef, en in de holte geplaatst, om het vuur beter te doen branden, en opdat de as in de holte van het altaar zou kunnen vallen, vers 4,5.
6. De handbomen, om het te dragen, vers 6,7.
Eindelijk, wordt hij verwezen naar het voorbeeld, dat hem getoond is, vers 8.
Dit koperen altaar nu was een type van Christus, stervende om verzoening te doen voor onze zonden: het hout zou door het vuur van de hemel verteerd zijn, indien het niet beveiligd was door het koper, en de menselijke natuur van Christus zou de toorn Gods niet hebben kunnen dragen, indien zij niet door een Goddelijke kracht ondersteund was geworden. Christus heeft zich voor de kerk als haar altaar geheiligd, Johannes 17:19, en door Zijn middelaarschap heiligt Hij nog dagelijks de diensten van Zijn volk, die ook macht hebben van dit altaar te eten, daar zij er als geestelijke priesters aan dienen. Tot de hoornen van dit altaar nemen arme zondaren de toevlucht, als zij door de gerechtigheid worden vervolgd, en daar zijn zij veilig krachtens het offer, dat er geofferd is.