Exodus 27:9-19
Voor het altaar moest een plein of voorhof wezen, ingesloten door gordijnen van het fijnste linnen, dat voor tenten gebruikt werd. Naar de gewone berekening van de ellen was deze voorhof ongeveer vijftig meter lang en vijf en twintig breed, ongeveer, of eigenlijk iets minder. Op vaste afstanden werden pilaren geplaatst in voeten van koper, de pilaren moesten voorzien zijn van zilveren banden of lijsten waarin zilveren spanhaken waren, om er de linnen gordijnen aan te bevestigen, het gordijn dat tot deur diende, moest fraaier zijn dan de andere, vers 16. Deze voorhof was een type van de kerk, omheind en onderscheiden van het overige van de wereld. De omheining werd ondersteund door pilaren, aanduidende de vastigheid van de kerk, omhangen met fijn linnen, dat gezegd wordt de rechtvaardigmaking van de heiligen te zijn, Openbaring 19:8. Dat waren de voorhoven, waarnaar David verlangde, en waarin hij begeerde te wonen, Psalm 84:3,11, en waar Gods volk inging met lof en dankzegging, Psalm 100:4, maar deze voorhof kon slechts een klein getal van aanbidders bevatten, thans zijn, Gode zij dank, onder het Evangelie, de heiningen weggenomen, het is Gods wil dat men overal, aan alle plaatsen, zal bidden, en er is plaats voor allen, die aan welke plaats het ook zij de naam van Jezus Christus aanroepen.