Psalm 40:1-6
In deze verzen hebben wij:
I. De grote benauwdheid en ellende, waarin de psalmist was gekomen. Hij was neer gedompeld in een ruisenden kuil van het verderf uit het slijk van de modderpoel, vers 3, waar hij zich niet zelf uit kon opwerken en waarin hij al dieper en dieper wegzonk. Hit spreekt hier noch van lichaamskrankheid noch van beledigingen hem aangedaan door Zijn vijanden, en daarom hebben wij reden te denken dat hij aan innerlijke onrust leed, in benauwdheid van ziel was, en dat was nu zijn zwaarste leed. Neerslachtigheid van gemoed onder de bewustheid van het verbergen van Gods aangezicht, en twijfeling en vrees omtrent de eeuwigen staat, dat zijn inderdaad een ruisende kuil en modderig slijk, en zij zijn dit voor menig dierbaar kind van God geweest.
ll. Zijn ootmoedig wachten op God en zijn gelovige verwachtingen van Hem in deze diepten "Ik heb de Heere vurig verwacht, vers 2. Wachtende verwacht ik, zo luidt de grondtekst. Hij verwachtte van niemand anders hulp dan van God, de hand, die scheurt, moet genezen die wondt moet verbinden, Hosea 6:1, want anders zal het nooit geschieden. Van God verwachtte hij hulp, en hij twijfelde er niet aan of te bestemder tijd zou die hulp komen. Er is in God kracht genoeg om de zwaksten te helpen, en genade genoeg om de onwaardigsten te helpen, de onwaardigsten van al Zijn volk, die op Hem betrouwen. Maar hij wachtte geduldig, hetgeen aanduidt dat de hulp niet spoedig kwam; toch twijfelde hij niet of zij zou komen, maar besloot om te blijven geloven, en hopen en bidden totdat zij kwam. Zij, wier verwachting is van God, kunnen verwachten met verzekerdheid, maar moeten verwachten met geduld. Dit nu is zeer toepasselijk op Christus. Zijn doodsbenauwdheid in de hof en aan het kruis duurde lang, werd verlengd, en het was een ruisende kuil en modderig slijk. Toen was Zijn ziel ontroerd en geheel bedroefd tot de dood toe, maar toen bad Hij: Vader, verheerlijk Uw naam; Vader verlos Mij, toen bleef Hij vasthouden aan Zijn betrekking tot Zijn Vader, "Mijn God, Mijn God" en aldus heeft Hij geduldig op Hem gewacht.
III. Zijn troostrijke ervaring van Gods goedheid jegens hem in zijn benauwdheid, die hij vermeldt tot eer van God en tot aanmoediging van hemzelf en van anderen.
1. God verhoorde zijn gebeden; Hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord. Zij, die geduldig wachten op God, kunnen wel lang moeten wachten, maar zij zullen niet tevergeefs wachten. Onze Heere Jezus "werd verhoord uit de angst," Hebreeën 5:7 Ja, Hij was er zeker van dat de Vader Hem altijd hoorde.
2. Hij bracht zijn vrees tot zwijgen, deed de beroering van zijn geest tot bedaren komen en gaf hem vrede des gemoeds, vers 3 "Hij heeft mij opgehaald uit die ruisenden kuil van vertwijfeling en wanhoop, dreef de wolken uiteen en deed Zijn licht helder schijnen in mijn ziel met de verzekering van Zijn gunst, en dat niet alleen, maar Hij heeft ook mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. Zij, die onder de macht zijn geweest van Godsdienstige zwaarmoedigheid en door Gods genade verlichting hebben verkregen, kunnen dit met dankbaarheid op zichzelf toepassen, zij zijn uit de ruisenden kuil opgehaald. De zegen wordt voltooid door het stellen van hun voeten op een rotssteen, waar zij vaste grond vinden om op te staan; en zo zijn zij nu even opgeheven door de hoop op de hemel als zij tevoren ter neergeslagen waren door de vrees voor de hel. Christus is de rotssteen, op welke de arme ziel vast kan staan, en op wiens middelaarswerk tussen ons en God wij een vaste hoop kunnen bouwen. Hij wordt voortgezet door het vastmaken van hun gangen. Waar God een vaste hoop heeft gegeven, verwacht Hij een gestadige, regelmatige wandel; en als dit de gezegende vrucht er van is, dan hebben wij reden om met grote, diep gevoelde dankbaarheid de rijkdom en de kracht van Zijn genade te erkennen.
3. Hij vervulde hem met blijdschap, zowel als met vrede in het geloven, en Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, mij reden gegeven om mij te verheugen, en een hart om mij te kunnen verheugen. Hij was, als het ware, in een nieuwe wereld gebracht, en dat vulde zijn mond met een nieuw lied, met lof voor onze God; want tot Zijn lof en Zijn eer moeten al onze liederen gezongen worden. Nieuwe goedertierenheden, inzonderheid de zodanige, die wij nooit tevoren ervaren hebben, eisen nieuwe liederen. Dit is van toepassing op onze Heere Jezus, in Zijn ontvangen worden in het paradijs, Zijn opstanding uit het graf en Zijn verhoging tot de vreugde en de heerlijkheid, die Hem waren voorgesteld, was Hij opgehaald uit de ruisenden kuil, op een rotssteen gesteld, en werd een nieuw lied in Zijn mond gegeven.
IV. Het goede gebruik, dat van dit voorbeeld van Gods goedheid jegens David gemaakt moet worden.
1. David's ervaring zal voor velen een aanmoediging kunnen zijn om op God te hopen, en daarom heeft hij haar hier vermeld. Velen zullen het zien, en vrezen, en op de Heere vertrouwen. Zij zullen de Heere vrezen en Zijn gerechtigheid, die David, en de Zoon van David in die ruisenden kuil heeft gebracht, en zij zullen zeggen: Indien dit aan het groene hout gedaan is, wat zal aan het dorre geschieden Zij zullen de Heere vrezen en Zijn goedheid door in de mond van David en van de Zone David's nieuwe liederen te geven van blijdschap en lof. Er is een heilig, eerbiedig vrezen van God, dat niet alleen bestaanbaar is met, maar de grond is van, onze hoop op Hem. Zij zullen Hem niet vrezen en schuwen, maar vrezen en op Hem vertrouwen in hun grootste benauwdheid, niet twijfelende of zij zullen Hem even machtig en bereid vinden om hen te helpen, als David Hem in zijn benauwdheid bereid heeft gevonden om hem te verlossen. Gods wijze van handelen met onze Heere Jezus is de grote bemoediging voor ons om op Hem te vertrouwen. Toen het de Heere behaagde Hem te verbrijzelen, Hij Hem ziek heeft gemaakt om onze zonden, heeft Hij onze schuld van Hem opgeëist, en toen Hij Hem opgewekt heeft van de doden en Hem aan Zijn rechterhand gesteld heeft, heeft Hij doen blijken dat Hij de betaling aangenomen heeft, er mee voldaan was; en welke grotere aanmoediging kunnen wij nu hebben om God te vrezen en te aanbidden, en "op Hem te vertrouwen?" Zie Romeinen 4:25; 5:1, 2
De psalmist nodigt anderen uit om, evenals hij het gedaan heeft, hun hoop op God te vestigen, door diegenen gelukzalig te noemen, die dit doen, vers 5 "Welgelukzalig is de man, die de Heere, en Hem alleen, tot zijn vertrouwen stelt; die grote en goede gedachten van Hem heeft, geheel aan Hem is toegewijd, en niet omziet naar de hovaardigen, niet doet zoals zij, die op zichzelf vertrouwen, niet steunen op hen, die hovaardiglijk anderen aanmoedigen om op hen te vertrouwen, want de ene zowel als de andere wijken af tot leugen, zoals in werkelijkheid allen doen, die van God afwijken." Dit is bijzonder toepasselijk op ons geloof in Christus. Zalig zijn zij, die op Hem vertrouwen, op Hem en Zijn gerechtigheid alleen, en niet omzien naar de trotse Farizeeën die hun eigen gerechtigheid oprichten in mededinging met deze; niet bestuurd willen worden door hetgeen zij voorschrijven, en niet tot leugen afwijken met de ongelovige Joden, die zich aan de "rechtvaardigheid Gods niet onderwerpen", Rom.10:3. Zalig zijn zij, die aan deze verzoeking ontkomen.
2. De blijde bewustheid, die hij had van deze zegen, heeft er hem toe geleid om de vele andere zegeningen, die hij van God ontvangen had, met dankbaarheid op te merken vers 6 Als God nieuwe liederen in onze mond geeft, dan moeten wij onze vorige liederen niet vergeten, maar ze herhalen:" Gij, o Heere, mijn God, hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons, aan mij en aan anderen, vele gemaakt; dit is slechts een van vele." Vele zijn de weldaden, waarmee wij dagelijks worden overladen, beide door de voorzienigheid en de genade van God.
a. Zij zijn Zijn werken; niet slechts de gaven van Zijn milddadigheid, maar de werkingen van Zijn macht; Hij werkt voor ons Hij werkt in ons, en zo begunstigt Hij ons met stof, niet alleen om Hem te danken, maar om Hem te prijzen.
b. Het zijn Zijn wonderbare werken; het bedenken ervan is bewonderenswaardig; Zijn goedheid jegens ons in ze ons te schenken, is bewonderenswaardig, de eeuwigheid zelf zal niet te lang zijn om doorgebracht te worden in de bewondering ervan.
c. Al Zijn wonderen, Zijn wonderbare werken zijn de voortbrengselen van Zijn gedachten over ons. Hij doet alles naar de raad van Zijn wil, Efeze 1:11, de doeleinden van Zijn genade, die Hij bij zichzelf voorgenomen heeft, Efeze 3:11 Het zijn de ontwerpen van de oneindige wijsheid, de plannen van de eeuwige liefde, 1 Cor 2-7, Jeremia 31:3, gedachten van vrede en niet van onheil, Jeremia 29:11. Zijn genadegaven en roepingen zullen onberouwelijk zijn, omdat zij geen plotselinge besluiten zijn, maar het resultaat van Zijn gedachten, Zijn vele gedachten, over ons.
d. Zij zijn ontelbaar, kunnen niet onder een methode worden gebracht, niet in orde verhaald worden. Er is een orde in alle Gods werken, maar zo vele er van doen zich tegelijk voor aan onze ogen, dat wij niet weten waar te beginnen, noch welke vervolgens te noemen; hun orde en hun natuurlijke verhouding tot elkaar, op wat wijze de schakels van de goeden keten saamgevoegd zijn, dat zijn even zo vele verborgenheden voor ons, die wij ons niet kunnen verklaren eer de voorhang gescheurd en de verborgenheid Gods vervuld zal zijn. Zij kunnen ook niet geteld worden, niet eens de hoofden er van kunnen genoemd worden. Als wij van de wonderen van de Goddelijke liefde voor ons het meeste gezegd hebben wat wij kunnen, dan moeten wij nog eindigen met een enzovoorts, en de diepte bewonderen, waarvan wij de bodem niet kunnen vinden.