Exodus 20:1-11
Hier is:
I. De inleiding, of voorrede, van de schrijver van de wet, Mozes, vers 1. God sprak al deze woorden. De wet van de tien geboden is:
1. Een wet, door God gemaakt. Zij worden opgelegd door de oneindige, eeuwige Majesteit van hemel en aarde. En waar het woord is van de Koning van de koningen, daar, voorzeker is heerschappij.
2. Het is een wet, die Hij zelf gesproken heeft. God heeft velerlei wijzen om tot de kinderen van de mensen te spreken, Job 33:14. Eens of tweemaal, door Zijn Geest, door het geweten, door de leidingen van Zijn voorzienigheid, door Zijn stem, op welke allen wij zorgvuldig acht hebben te geven, maar op geen tijd, bij geen gelegenheid, heeft Hij gesproken op de wijze zoals Hij de tien geboden gesproken heeft, waaraan wij ons daarom te meer moeten houden. Zij waren niet slechts hoorbaar gesproken, (zoals Hij de Verlosser erkende door een stem. van de hemel, Mattheus 3:17,) maar met zeer grote, ontzagwekkende plechtigheid en pracht. Tevoren had God deze wet reeds gegeven aan de mens (zij was door de natuur in zijn hart geschreven), maar de zonde had dit schrift zo uitgewist, dat het nodig was er op die wijze de kennis van te doen herleven
II. De inleiding van de Maker van de wet. Ik ben de Heere uw God. Hiermede:
1. Toont God Zijn gezag om deze wet vast te stellen: "Ik ben de Heere, die u gebied al hetgeen volgt."
2. Hij stelt zich voor als het enige voorwerp van Godsdienstige verering, die in de eerste vier geboden verplichtend wordt gesteld. Zij worden hier gebonden aan gehoorzaamheid met een drievoudig snoer, dat, naar men zou denken, niet haast verbroken kan worden.
a. Omdat God de Heere-Jehovah is, uit- en in zichzelf bestaande, onafhankelijk, eeuwig, en de fontein van alle zijn en alle macht, waarom Hij het onbetwistbare recht heeft ons te bevelen. Hij, die het aanzijn geeft, mag de wet geven, en daarom is Hij machtig ons te ondersteunen in onze gehoorzaamheid, haar te belonen, en onze ongehoorzaamheid te straffen.
b. Hij was hun God, een God in verbond met hen, hun God met hun eigen toestemming, indien zij nu Zijn geboden niet houden, wie zal ze dan wèl houden? Door Zijn belofte had Hij zich onder verplichtingen jegens hen gesteld, en daarom kan Hij rechtvaardig hen door geboden onder verplichtingen stellen jegens Hem. Hoewel dat verbond van bijzondere aard thans niet meer bestaat, is er toch een ander krachtens hetwelk allen, die gedoopt zijn, in betrekking tot Hem zijn gebracht als hun God, en die derhalve onrechtvaardig, ontrouw en zeer onvriendelijk zijn, als zij Hem niet gehoorzamen.
c. Hij heeft hen uit Egypteland uitgeleid, daarom waren zij uit dankbaarheid gehouden en verplicht Hem te gehoorzamen, omdat Hij hun zo'n grote goedheid had bewezen, hen uit zware, harde dienstbaarheid tot een heerlijke vrijheid had gebracht. Zij zelf waren ooggetuigen van de grote dingen, die God gedaan had om hen te verlossen, en zij moesten wel zien dat iedere bijzonderheid er van hun verplichting verhoogde. Zij genoten nu de gezegende vruchten van hun bevrijding, en waren in de verwachting van weldra in Kanaän gevestigd te zijn, konden zij dan iets te veel achten om te doen voor Hem, die zoveel gedaan had voor hen? Ja meer: door hen te verlossen heeft Hij nog een verder recht verkregen om hen te regeren, zij waren hun dienst schuldig aan Hem, aan wie zij hun vrijheid verschuldigd waren, en wie zij nu door aankoop toebehoorden. En aldus heeft Christus, ons verlost hebbende uit de slavernij van de zonde, recht op de beste diensten die wij Hem kunnen bewijzen, Lukas 1:71. Onze banden losgemaakt hebbende, heeft Hij ons verbonden om Hem te gehoorzamen, Psalm 116:16.
III. De wet zelf. Wij hebben in deze verzen de eerste vier van de tien geboden, die onze plicht betreffen jegens God, gewoonlijk de eerste tafel van de wet genoemd. Het was juist dat deze het eerst gesteld zouden worden, omdat de mens een Maker had om lief te hebben, eer hij een naaste had om lief te hebben, en gerechtigheid en liefde zijn alleen dan welbehaaglijke daden van gehoorzaamheid aan God, als zij voortkomen uit de beginselen van de Godsvrucht. Het is niet te verwachten dat hij, die ontrouw is aan God, getrouw zal zijn aan zijn broeder.
Onze plicht nu jegens God bestaat, in een woord, in Hem te eren, dat is: Hem de eer te geven van Zijn naam, de innerlijke verering van onze genegenheden voor Hem, de uitwendige verering van plechtige aanbidding. Daarvan wordt gesproken als van de hoofdsom en inhoud van het eeuwig Evangelie, "Aanbidt God," Openbaring 14:7.
1. Het eerste gebod betreft het voorwerp van onze aanbidding, Jehovah en Hem alleen, vers 3. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. De Egyptenaren en andere omliggende volken hadden vele goden, de schepselen van hun eigen verbeelding, vreemde goden, nieuwe goden, deze wet ging vooraf vanwege deze overtreding, en Jehovah, de God zijnde van Israël, moeten zij Hem geheel aanhangen, en naar geen andere zien, hetzij van hun eigen vinding of ontleend aan hun naburen. Dat was de zonde, waarvan zij het meest in gevaar waren, nu de wereld zo vol was van polytheïsme, dat echter niet anders voorgoed uitgeroeid kon worden dan door het Evangelie van Christus. De zonde tegen dit gebod, waar wij het meest in gevaar van zijn is: aan enigerlei schepsel de eer en heerlijkheid te geven, die alleen aan God toekomen. Hoogmoed maakt een god van het eigen ik, gierigheid maakt van geld een god, zinnelijkheid maakt van de buik een god, al wat meer dan God geacht en bemind, gevreesd en gediend en waarin verlustiging gevonden wordt, of waar meer op gesteund en gerekend wordt, daar maken wij een god van. Dit verbod sluit een voorschrift of gebod in, dat de grondslag is van geheel de wet, namelijk dat wij de Heere moeten nemen voor onze God, erkennen moeten dat Hij God is, Hem tot de onze moeten aannemen, Hem moeten aanbidden met bewondering en nederige eerbied, onze genegenheden uitsluitend op Hem moeten vestigen. Er wordt in de laatste woorden een reden te kennen gegeven: voor Mijn aangezicht. Dit geeft te kennen:
a. Dat wij geen andere god kunnen hebben, of Hij zal het voorzeker weten. Er is geen naast Hem, of hij is voor Hem, dat is voor Zijn aangezicht. Afgodendienaars willen verborgen blijven, maar zou God zulks niet onderzoeken?
b. Dat het zeer tergend voor Hem is. Het is een zonde, die Hem in het aangezicht trotseert, hetgeen Hij niet kan en niet wil voorbijzien of oogluikend toelaten. Zie Psalm 44:21, 22.
2. Het tweede gebod betreft de inzettingen van de aanbidding, of de wijze, waarop God aangebeden wil worden en het is passend, dat Hij die zou voorschrijven en bepalen. Hier is: A. Het verbod. Het wordt ons hier verboden om zelfs de waren God in of door beelden te aanbidden, vers 4, 5.
a. De Joden dachten (tenminste na de ballingschap) dat het hun hiermede verboden was om enigerlei beeld of schilderij te maken, hoe ook genaamd. Vandaar dat zelfs de beelden, die de Romeinse legers op hun vaandels en banieren hadden, een gruwel voor hen genoemd worden, Mattheus 24:15 inzonderheid als zij in de heilige plaats opgericht werden. Het is zeker, dat er het maken van enigerlei beeld van God door verboden wordt, ("want bij wien, zult gij God vergelijken?" Jesaja 40:18-25) of het beeld van enigerlei schepsel voor Godsdienstige doeleinden, dit wordt genoemd "de waarheid Gods te veranderen in de leugen," Romeinen 1:25, want een beeld is een leugenleraar, het geeft ons te verstaan, dat God een lichaam heeft, terwijl Hij een oneindige Geest is, Habakuk 2:18. Er wordt ons ook mee verboden beelden van God te maken in onze gedachten, of onze verbeelding, alsof Hij een mens was zoals wij. Onze Godsdienstige aanbidding moet bestuurd worden door de kracht des geloofs, niet door de kracht van de verbeelding. Zij moeten niet zulke beelden of schilderijen maken als die door de heidenen aangebeden werden, opdat zij niet in verzoeking komen om ze ook te aanbidden. Wie bewaard wil worden voor zonde moet zich wachten voor de gelegenheid er toe.
b. Zij moeten er zich niet nu en dan voor buigen, dat is: er enigerlei eer of achting aan bewijzen, en nog veel minder ze gestadig dienen door er reukwerk aan te offeren, of door een andere daad van Godsdienstige aanbidding. Als zij hun gebed richten tot de ware God, dan moeten zij geen beeld voor ogen hebben, om hen hiertoe aan te vuren, of er hen bij behulpzaam te zijn. Al is het ook dat er bedoeld wordt om de Godsdienstige verering in God te doen eindigen, zou het Hem toch niet welgevallig zijn, als zij door een beeld tot Hem kwam. De beste en oudste wetgevers onder de heidenen verboden het oprichten van beelden in hun tempels, het was in Rome verboden door Numa, een heidens vorst, maar in Rome bevolen door de paus, een Christelijk bisschop, maar hierin antichristelijk. Het gebruik van beelden in de Roomse kerk tot op de huidige dag is zo blijkbaar in strijd met de letter van dit gebod, en het is zo onmogelijk om het er mee in overeenstemming te brengen, dat zij uit hun catechismus en uit al hun gebedenboeken, die zij het volk in handen geven, dit gebod weglaten, er de reden van samenvoegende met het eerste, en zo noemen zij het derde gebod het tweede, het vierde het derde enz., om nu echter het getal tien te behouden, verdelen zij het tiende in tweeën. Aldus hebben zij twee grote boosheden gedaan, waarin zij volharden, en waarvan zij zich niet willen bekeren: zij doen af van Gods woord, en voegen toe aan Zijn eredienst.
B. De redenen om aan dit verbod kracht bij te zetten, vers 5, 6, welke zijn:
a. Gods ijver omtrent Zijn aanbidding: "Ik de Heere Jehovah en uw God, ben een ijverig God, inzonderheid ten opzichte van de dingen van die aard." Het geeft de zorg te kennen, die Hij draagt voor Zijn inzettingen, Zijn haat tegen afgoderij en alle valse godsdienst, Zijn misnoegen op afgodendienaars, en dat Hij alles wat in Zijn eredienst de schijn heeft van afgoderij, of er toe leidt, een belediging acht. IJverzucht is scherpziend. Daar afgoderij geestelijk overspel is, zoals zij in de Schrift dikwijls wordt voorgesteld, wordt Gods misnoegen er tegen zeer juist ijverzucht of jaloersheid genoemd. Indien nu God hierin jaloers is, dan moeten wij het ook zijn en er voor terugschrikken om God op een andere wijze aanbidding te brengen, dan Hij in Zijn woord bepaald heeft.
b. De straf van de afgodendienaars, God beschouwt hen als Hem hatende hoewel zij misschien voorgeven Hem lief te hebben. Hij zal hun ongerechtigheid bezoeken, dat is: Hij zal haar zeer streng straffen, niet slechts als een verbreken van Zijn wet, maar als een belediging van Zijn majesteit, een schending van het verbond, en een slag, gericht tegen de wortel van allen Godsdienst. Hij zal haar bezoeken aan de kinderen, dat is: wijl dit een zonde is waardoor in kerken of gemeenten het licht van de kandelaar geweerd wordt, haar een scheidbrief wordt gegeven, zullen met de ouders ook de kinderen uit het verbond en de gemeenschap met God gestoten worden, zoals eerst met de ouders ook de kinderen er in werden opgenomen. Of wel, Hij zal zo'n oordeel brengen over een gemeente, een volk, dat het de volslagen ondergang van de gezinnen tengevolge zal hebben. Als afgodendienaars oud worden, zodat zij de kinderen zien tot in het derde of vierde geslacht, dan zal het een kwelling zijn voor hun ogen en een hartzeer, om ze allen te zien vallen door het zwaard, of hen gevankelijk in slavernij te zien voeren. Het is ook niet onrechtvaardig in God, als Hij (zo de ouders stierven in hun ongerechtigheid, en de kinderen in hun voetstappen treden en in de valse aanbidding volharden, omdat zij die van hun ouders bij overlevering ontvangen hebben) de mate van de ongerechtigheid vol zijnde, komt om in Zijn oordelen met hen af te rekenen, en dan ook de afgoderijen in rekening brengt, waaraan hun vaderen zich hebben schuldig gemaakt. Hoewel Hij een afgodisch volk lang verdraagt, zal Hij het toch niet altijd verdragen, maar in het vierde geslacht-op zijn laatst-zal Hij beginnen te bezoeken. Kinderen zijn dierbaar aan hun ouders, om nu de mensen van afgoderij terug te houden, en te tonen hoe zeer God er een afkeer van heeft, wordt er niet alleen een schandmerk door ingedrukt op de geslachten, maar de oordelen Gods kunnen er om over de arme kinderen gebracht worden, als de ouders reeds lang dood zijn.
c. De gunst, die God aan Zijn getrouwe aanbidders betonen zal: Hij doet barmhartigheid aan duizenden personen, duizenden geslachten dergenen, die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden. Hiermede wordt aangeduid, dat hoewel het tweede gebod naar de letter slechts een verbod is van valse godsdiensten, het toch ook een voorschrift bevat om God te aanbidden in al de verordeningen, die Hij ingesteld heeft. Gelijk het eerste gebod de innerlijke aanbidding vereist van liefde en verlangen van blijdschap, hoop en bewondering, zo vereist het tweede gebod de uitwendige aanbidding van gebed en lofzegging, en een plechtig achtgeven op Zijn woord. Zij, die God in waarheid liefhebben, zullen het tot hun voortdurende zorg en streven maken om Zijn geboden te onderhouden, inzonderheid die welke betrekking hebben op Zijn eredienst. Zij, die God liefhebben en deze geboden onderhouden, zullen genade ontvangen om ook Zijn andere geboden te onderhouden. De evangelische aanbidding zal invloed oefenen op allerlei evangelische gehoorzaamheid. God heeft genade weggelegd voor de zodanigen, zelfs zij hebben genade nodig, en kunnen niet pleiten op verdienste, en genade zullen zij ook vinden bij God, genaderijke bescherming in hun gehoorzaamheid, en een genaderijke beloning er voor. Deze genade zal zich uitstrekken tot duizenden, veel verder dan de toorn, bedreigd tegen hen, die Hem haten, want die reikt slechts tot het derde of vierde geslacht. De stromen van genade vloeien thans even vol en vrij en fris als ooit tevoren.
3. Het derde gebod betreft de wijze van onze aanbidding, dat zij geschieden moet met alle mogelijke eerbied en ernst, vers 7.
Wij hebben hier:
A. Een streng verbod: Gij zult de naam des Heeren uws Gods niet ijdel gebruiken. Er wordt verondersteld dat zij, Jehovah voor hun God aangenomen hebbende, melding zullen maken van Zijn naam, (want alle volken zullen wandelen, elk in de naam zijns gods) dit gebod hun een nodige waarschuwing geeft om hem niet ijdel te vermelden, en die waarschuwing is nu nog even nodig als ooit tevoren. Wij gebruiken Gods naam ijdel: a. Door geveinsdheid, belijdenis doende van Gods naam en zeggende er achting en eerbied voor te hebben, terwijl wij naar die belijdenis niet leven. Zij, die de naam van Christus noemen, maar niet afstaan van ongerechtigheid, zoals die naam hen verplicht dit te doen noemen hem ijdel, hun aanbidding is ijdel Mattheus 15:7-9, hun slachtoffers zijn ijdel Jesaja 1:11, 13, hun Godsdienst is ijdel, Jakobus 1:26.
b. Door verbreking van het verbond, als wij beloften doen aan God, onze zielen bindende met de banden van hetgeen goed is en toch de Heere onze geloften niet houden dan gebruiken wij Zijn naam ijdel, Mattheus 5:33. Het is dwaasheid, en God heeft geen welbehagen in dwazen, Prediker 5:4, en Hij laat zich niet bespotten, Galaten 6:7.
c. Door roekeloos zweren, de naam van God of een van Zijn hoedanigheden noemende in de vorm van een eed, zonder dat er een rechtmatige oorzaak voor is of zonder behoorlijke aandacht des geestes, maar slechts als een stopwoord, zonder enig doel of wel met een verkeerd doel.
d. Door vals te zweren hetgeen, naar sommigen denken, voornamelijk bedoeld is in de letter van het gebod, aldus was het vanouds verklaard, Mattheus 5:33 :Gij zult niet valselijk zweren. Een deel van de Godsdienstige eerbied, die de Joden geleerd was aan God te bewijzen, was: bij Zijn naam te zweren. Deuteronomium 10:20. Maar is stede van Hem eer te bewijzen, beledigden zij Hem, als zij Hem tot Getuige aanriepen van een leugen.
e. Door de naam van God lichtvaardig te gebruiken, zonder acht te slaan op de ontzaglijke betekenis er van. De ontheiliging van de vormen van gebed is zowel verboden als de ontheiliging van de vormen van zweren, evenals ook de ontheiliging van de dingen, waarbij God zich bekendmaakt. Zijn woord, of Zijn inzettingen, hetzij men ze gebruikt als bezweringsformules of in scherts, ook aldus wordt de naam van God ijdel gebruikt.
B. Een zware straf: De Heere zal niet onschuldig houden. Magistraten, die andere overtredingen straffen, kunnen zich wel niet geroepen achten, om hier kennis van te nemen, omdat dit niet direct schade doet aan iemands bezitting of aan de openbare vrede, maar God, die ijvert voor Zijn eer, zal het niet voorbijzien. De zondaar kan zich wel onschuldig houden en denken dat er geen kwaad insteekt, en dat God hem daarvoor nooit tot verantwoording zal roepen, maar om dit denkbeeld te voorkomen, wordt de bedreiging aldus uitgedrukt: God zal hem niet onschuldig houden, zoals hij hoopt. Maar er is nog meer in opgesloten, namelijk dat God zelf de wreker zal zijn om hen te straffen, die Zijn naam ijdel gebruiken: en zij zullen bevinden dat het vreeslijk is in de handen van de levende God te vallen.
4. Het vierde gebod betreft de tijd van de aanbidding Gods. God moet dagelijks gediend en geëerd worden, maar een dag van de zeven moet in het bijzonder aan Zijn eer en aanbidding gewijd worden en doorgebracht in Zijn dienst. Hier is:
A. Het gebod zelf, vers 8. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, en, vers 10, dan zult gij geen werk doen. Er wordt mee aangenomen, dat de sabbat tevoren was ingesteld, wij lezen, dat God van de beginne de zevende dag gezegend en geheiligd heeft, Genesis 2:3, zodat dit geen vaststellen was van een nieuwe wet, maar het doen herleven van een oude wet.
a. Er wordt hun gezegd welke dag het is, die zij Godsdienstig moeten waarnemen, een zevende, na zes dagen van arbeid. Of dit nu de zevende was, gerekend van de eerste zevende, of van de dag van hun komen uit Egypte, of wel beide, is niet zeker, maar nu was hun de juiste dag bekend gemaakt, Hoofdstuk 16:23, en van die dag af gerekend moesten zij de zevende waarnemen.
b. Hoe hij waargenomen moet worden.
Ten eerste. Als een dag van rust, op die dag moesten zij generlei werk doen in hun beroep of wereldlijke aangelegenheden.
Ten tweede. Als een heilige dag afgezonderd tot eer van de heilige God, en besteed moeten worden in heilige oefeningen van de Godsvrucht. God heeft, door hem te zegenen, hem heilig gemaakt, zij moeten, door hem plechtig te zegenen, de dag heilig houden, en hem niet vervreemden voor andere doeleinden dan die voor welke het onderscheid tussen die dag en andere dagen gemaakt was.
c. Wie hem moeten waarnemen. Gij, en uw zoon, en uw dochter. De vrouw wordt niet genoemd, omdat zij verondersteld wordt een te zijn met haar man, en bij hem te zijn, en zo hij de sabbat heiligt dan wordt als zeker waargenomen, dat zij zich met hem zal verenigen. Maar de overigen van het gezin worden afzonderlijk vermeld, kinderen en dienstboden moeten de sabbat houden overeenkomstig hun leeftijd en vermogen. Hierin evenals in andere zaken, de Godsdienst betreffende, wordt verwacht, dat de hoofden van de gezinnen zorgdragen, niet alleen om zelf de Heere te dienen, maar dat ook hun huizen Hem zullen dienen, of dat het tenminste niet door hun verzuim is, zo zij het niet doen Jozua 24:15. Zelfs de vreemdelingen, of Jodengenoten, moeten een verschil maken tussen die dag en andere dagen, hetgeen, hoewel het hun enig bedwang oplegde, toch een gelukkige aanduiding bleek te zijn van Gods voornemen van de genade, om na verloop van tijd de heidenen in te brengen in de kerk, opdat zij delen mochten in de weldaden van de sabbat. Vergelijk Jesaja 56:6, 7. God neemt kennis van hetgeen wij doen, inzonderheid van hetgeen wij doen op sabbatdagen, al zouden wij ons ook ergens bevinden, waar wij vreemdelingen zijn.
d. Een bijzonder memorandum op die plicht gelegd: Gedenk hem. Er wordt mee te kennen gegeven, dat de sabbat tevoren ingesteld en waargenomen werd, maar in hun dienstbaarheid in Egypte hadden zij òf de berekening er van verloren, òf zij werden door hun aandrijvers teruggehouden van hem waar te nemen, òf zij hadden door grote ontaarding en onverschilligheid in Godsdienstige zaken er de waarneming van nagelaten, en daarom was het nodig hen er aan te herinneren. Verzuimde plichten blijven plichten, niettegenstaande ons verzuim. Het geeft ook te kennen, beide dat wij geneigd zijn hem te vergeten en dat het ons belang is hem te gedenken. Sommigen menen dat het ook de voorbereiding aanduidt, die wij voor de sabbat moeten maken, wij moeten er aan denken voordat hij komt, opdat wij, als hij gekomen is, hem heiligen en er de plicht van waarnemen.
B. De redenen van dit gebod.
a. Wij hebben tijd genoeg voor onszelf op de zes andere dagen: zes dagen zult gij arbeiden. Wij hebben tijd genoeg om onszelf te dienen in deze zes dagen, laat ons op de zevende God dienen, en tijd genoeg om ons te vermoeien, op de zevende zal het een vriendelijkheid zijn ons tot rusten te verplichten. b. Dit is Gods dag, het is de sabbat des Heeren uws Gods, niet slechts ingesteld door Hem maar gewijd aan Hem, het is heiligschennis hem te vervreemden, de heiliging er van zijn wij schuldig.
c. Hij is bestemd ter gedachtenis aan de schepping van de wereld, en moet dus waargenomen worden ter ere van de Schepper, als een verbinden van onszelf om Hem te dienen, en een aanmoediging om op Hem te vertrouwen, die hemel en aarde gemaakt heeft. Door de heiliging van de sabbat verklaarden de Joden, dat zij de God aanbaden, die de wereld gemaakt heeft, en aldus onderscheidden zij zich van alle andere volken, die goden aanbaden welke zij zelf gemaakt hadden.
d. God heeft ons een voorbeeld gegeven van rust na zes dagen van arbeid, Hij rustte op de zevende dag. Hij had een welbehagen in zichzelf, en verheugde zich in het werk van Zijn handen, om ons te leren om op die dag een welbehagen te hebben in Hem, ons in Hem te verlustigen, en Hem de heerlijkheid toe te brengen voor Zijn werk Psalm 92:5. De sabbat begon in de voleindiging van het werk van de schepping zo zal de eeuwige sabbat beginnen in de voleindiging van het werk van de voorzienigheid en verlossing, en wij nemen de wekelijkse sabbat waar in de verwachting van deze, zowel als ter herinnering aan die, en in beide ons schikkende naar Hem, die wij aanbidden.
e. Hij zelf heeft de sabbatdag gezegend en hem geheiligd, Hij heeft er eer op gelegd, door hem voor zich af te zonderen, het is de geheiligde des Heeren, die te eren is, en Hij heeft er zegeningen op gesteld, die Hij ons heeft aangemoedigd om van Hem te verwachten in de Godsdienstige waarneming van die dag, het is de dag, die de Heere gemaakt heeft, laat ons dan niet doen wat wij kunnen om hem af te breken, Hij heeft hem gezegend, geëerd en geheiligd, laat ons hem niet ontheiligen, onteren, en datgene gelijkstellen met de gewone tijd, hetwelk door Gods zegen aldus geëerd en onderscheiden werd.