Lukas 1:67-80
Wij hebben hier het lied, waarmee Zacharias God loofde, toen zijn mond geopend was. Hij wordt gezegd in dit lied te hebben geprofeteerd, vers 67, en in den strikten zin van profeteren heeft hij dit ook gedaan, want hij heeft dingen voorzegd betreffende het koninkrijk van den Messias, van wie alle profeten getuigen. Merk op:
I. Hoe hij hiertoe werd bekwaam gemaakt: Hij werd vervuld met den Heiligen Geest, werd in meer dan gewone mate tot dat doel begaafd, hij had een Goddelijke ingeving. God heeft hem niet slechts zijn ongeloof en mistrouwen vergeven -hetgeen bleek uit de opheffing der straf er voor, maar als een voorbeeld van overvloedige genade jegens gelovigen, heeft Hij hem vervuld met den Heiligen Geest en hem de eer aangedaan, om hem tot Zijne eer te gebruiken.
II. Wat de stof was, die hij in zijn lied bezong. Hier wordt niets gezegd betreffende de bijzondere aangelegenheden van zijn gezin, het wegnemen der versmaadheid er van, en het verlenen van eer er aan door de geboorte van dit kind, hoewel hij ongetwijfeld wel tijd gevonden zal hebben om met zijn gezin God hiervoor te danken. Maar in dit lied is hij gans vervuld van het koninkrijk van den Messias en de openbare zegeningen, die er door komen zullen. Hij zou weinig genoegen hebben gesmaakt in de vruchtbaarheid van zijn wijnstok en het hoopvolle van zijn olijfplant, indien hij hierin niet het goede had voorzien van Jeruzalem en den vrede over Israël, en op beiden zegeningen uit Zion, Psalm 128:3, 5, 6.. De Oud Testamentische profetieën worden dikwijls uitgedrukt in lof en in een nieuw lied, en zo is het ook met dit begin der Nieuw Testamentische profetie. Geloofd zij de Heere, de God Israël's. Hij zal de God der ganse aarde genoemd worden, maar Zacharias, sprekende van het werk der verlossing, noemt Hem den Heere, den God Israël's, omdat totnutoe de profetieën beloften en typen van de verlossing aan Israël gegeven waren, en aan hen moesten er thans de eerste aanbiedingen van worden gedaan. Israël was, als uitverkoren volk, een type van de uitverkorenen Gods uit alle natiën, waarop God inzonderheid het oog had in de zending van den Zaligmaker, en daarom wordt Hij hierin genoemd de Heere, de God Israël's. Nu looft Zacharias hier God:
1. Voor het werk der verlossing, dat door den Messias zelf gewerkt zou worden, vers 68-75. Dit is het, waarvan hij vol is, als hij vervuld werd met den Heiligen Geest, en dat is het, waar allen vol van zijn, die den Geest van Christus hebben.
a. In het zenden van den Messias heeft God Zijn volk genadiglijk bezocht, dat Hij gedurende vele eeuwen veronachtzaamd scheen te hebben, en waarvan Hij vervreemd scheen. Hij heeft hen bezocht als een vriend, om kennis te nemen van hun toestand. God wordt gezegd Zijn volk te hebben bezocht in het diensthuis, toen Hij hen verloste, Exodus 3:16, 4:31, Zijn volk te hebben bezocht in hongersnood, toen Hij hun brood gaf, Ruth 1:6. Hij had dikwijls Zijne profeten tot hen gezonden, en gemeenschap met hen blijven onderhouden, maar nu heeft Hij zelf hen bezocht.
b. Hij heeft verlossing teweeggebracht Zijnen volke. Dit was de boodschap, waarmee Christus in de wereld is gekomen, namelijk hen te verlossen, die verkocht waren om de zonde en onder de zonde. Zelfs Gods eigen volk, Zijn Israël, Zijn zoon, Zijn eerstgeborene heeft het nodig verlost te worden, en zonder die verlossing zijn zij verloren. Christus verlost hen tot een duren prijs uit de handen van Gods gerechtigheid, en Hij verlost hen door Zijne macht uit Satans tirannie, zoals Hij Israël uit Egypte heeft verlost.
c. Hij heeft het verbond van het koningschap vervuld, dat Hij met den vermaardsten Oud Testamentische vorst, namelijk David, gesloten had. Heerlijke dingen werden gesproken van zijn geslacht, dat bij hem hulp besteld was als bij een held, dat zijn hoorn verhoogd zal worden, en dat zijn zaad in eeuwigheid gezet zal worden, Psalm 89:20, 21, 25, 30. Maar dit geslacht was sedert lang, in zekeren zin, verstoten en verworpen, Psalm 89:39. Thans wordt het hierin verheerlijkt dat, volgens de belofte, God aan David wederom een hoorn zal doen uitspruiten, Psalm 132:17, want Hij heeft ons een hoorn der zaligheid opgericht in het huis van David, Zijn knecht, vers 69, dáár, waar hij beloofd en verwacht werd. David wordt Gods dienstknecht genoemd, niet slechts als een Godvruchtig man, maar als een koning, die voor God regeerde, en hij was een werktuig voor de verlossing van Israël, door gebruikt te worden in de regering over Israël, en zo is Christus allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. Er is in Christus, en in Hem alleen, verlossing voor ons, en het is een hoorn der zaligheid, want het is een eervolle verlossing. Zij is verheven boven alle andere verlossingen, waarvan geen enkele met deze vergeleken kan worden. In haar wordt de heerlijkheid bevorderd van den Verlosser en van de verlosten, en hun hoorn wordt met ere verhoogd. Het is een overvloedige verlossing of zaligheid, een cornucopia -een hoorn des overvloeds, ene verlossing, waardoor wij gezegend worden met geestelijke zegeningen, met hemelse dingen, en dat wel overvloedig. Het is een machtige verlossing, de kracht van het dier is in zijn hoorn. Hij heeft zulk een verlossing opgericht, als waardoor onze geestelijke vijanden neergeworpen zullen worden, en wij tegen hen zullen worden beschermd. In de wagens van deze verlossing zal de Verlosser uitgaan, overwinnende en opdat Hij overwinne.
d. Hij heeft al de dierbare beloften vervuld, die Hij aan de kerk door de vermaardsten der Oud Testamentische profeten heeft gegeven, vers 70.
Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten. Zijne leer der verlossing door den Messias wordt bevestigd door een beroep op de profeten, en de grootheid en belangrijkheid dier verlossing hierdoor bewezen en grootgemaakt. Het is dezelfde, waarvan zij hebben gesproken, en die dus verwacht en welkom geheten moet worden, het is de zaligheid, van welke zij ondervraagd en onderzocht hebben, 1 Petrus 1:10, 11, en die dus niet gering geacht moet worden. God doet thans hetgeen, waarvan Hij voorlang had gesproken, en daarom: Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des Heeren, en neem acht op Hem. Zie hoe heilig de profetieën van deze verlossing, of zaligheid, waren. De profeten, die ze hebben uitgesproken, waren heilige profeten, die niet durfden bedriegen, en er naar streefden om heiligheid onder de mensen te bevorderen, en het was de Heilige Geest zelf, die door hen gesproken heeft. Hoe aloud zij waren: van het begin der wereld. Toen de wereld begon heeft God beloofd, dat het Zaad der vrouw den kop der slang zou vermorzelen, die belofte had een weerklank, toen Adam zijne huisvrouw Eva noemde, Eva, leven, om den wille van dit haar Zaad, toen Eva haar eerstgeborene Kaïn noemde, zeggende: Ik heb een man van den Heere verkregen, en een anderen zoon Seth, dat is bestemd of vastgesteld, toen Noach rust werd genoemd, en voorzegde dat God in de tenten van Sem zou wonen. En het was niet lang nadat de nieuwe wereld in Noach was begonnen, dat de belofte aan Abraham werd gedaan, dat in zijn zaad de geslachten der aarde gezegend zullen worden. Wat wondervolle eenheid en samenstemming bespeuren wij onder hen. God heeft dezelfde zaak gesproken door allen, en daarom wordt gezegd, dat het is dia stomatos, niet door de monden, maar door den mond der profeten, want zij allen spreken van Christus als met eèn mond. Wat nu is deze verlossing, waarvan geprofeteerd werd? Ten eerste. Het is een gered worden van de boosaardigheid onzer vijanden, het is: sootêrian ex echthroon hêmoon - ene verlossing van uit onze vijanden, van tussen hen, en van de hand al dergenen, die ons haten, vers 71. Het is ene verlossing van de zonde en van de heerschappij van Satan over ons door bederf van binnen, zowel als door verleidingen van buiten. De vleselijk-gezinde Joden verwachtten verlost te worden van het juk der Romeinen, maar er werd hun intijds te kennen gegeven, dat het ene verlossing van anderen aard zijn zou. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Mattheus 1:21, opdat zij, namelijk de zonden, niet over hen zullen heersen.
Ten tweede. Het is ene wederherstelling in Gods gunst, het is opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, vers 72. De Verlosser zal niet slechts den kop vermorzelen van de slang, die ons verderf heeft bewerkt, maar Hij zal ons herstellen in de gunst en barmhartigheid van God en Zijn verbond met ons vernieuwen. Hij zal ons, als het ware, wederom in het paradijs voeren, hetgeen aangeduid werd door de belofte aan de vaderen, en het heilig verbond, dat met hen gesloten werd, den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, vers 73. Merk op:
1. Hetgeen aan de vaderen beloofd en aan ons vervuld werd, is barmhartigheid, zuivere genade, niets is door ons verdiend (wij verdienen slechts toorn en den vloek), maar alles zijn wij verschuldigd aan de goedertierenheid Gods, die genade en leven voor ons bestemd heeft ex mero motu -uit Zijn eigen welbehagen, Hij had ons lief, omdat Hij ons wilde liefhebben.
2. God had hierin het oog op Zijn verbond, Zijn heilig verbond, dat verbond met Abraham: Ik zal u en uw zaad tot een God zijn. Dit nu heeft zijn zaad in werkelijkheid verbeurd door hun overtredingen, dit scheen Hij bij de rampen, die Hij over hen bracht, te hebben vergeten, maar nu wil Hij het gedenken, nu zal Hij doen blijken dat Hij het gedenkt, want hierop is al Zijn wederkeren tot genade gegrond: Leviticus 26:42 :Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond. Ten derde. Het is ene bekwaammaking voor en ene aanmoediging tot den dienst van God. Aldus was de eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft: Dat Hij ons kracht en genade zou geven om Hem te dienen, op voor Hem welbehaaglijke en voor ons lieflijke wijze, vers 74, 75. Hier schijnt ene toespeling te zijn op de verlossing van Israël uit Egypte, hetgeen, zegt God aan Mozes, ingevolge was van het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, Exodus 3:6-8, en dat dit de bedoeling was, waarmee Hij hen uitvoerde uit Egypte, dat zij Hem zouden dienen op dezen berg, Exodus 3:12. Het grote doel der Evangeliegenade is niet ons te ontheffen van, maar ons te verbinden tot en aan te moedigen in, den dienst van God. Het Christendom is daarom ook altijd beschouwd als bestemd om ons waarlijk Godsdienstig te maken, ons toe te laten tot den dienst van God, ons er aan te verbinden, en er ons in te verlevendigen. Wij zijn verlost van het ijzeren juk der zonde, opdat onze hals onder het aangename en zachte juk van den Heere Jezus zou komen. De banden, die Hij heeft losgemaakt, Psalm 116:16, dienen om ons te vaster aan Hem te verbinden. Wij worden er door in staat gesteld,
1. Om God te dienen zonder vrees -aphoboos. Wij zijn in een toestand van heilige veiligheid gebracht, opdat wij God met een heilige gerustheid en kalmte des gemoeds zouden kunnen dienen, als de zodanige, die gerust zijn omdat zij geen kwaad vrezen. God moet gediend worden met een kinderlijke vreze, een eerbiedige, gehoorzame vreze, een opwekkende, verlevendigende vreze, maar niet met een slaafse vrees, zoals de luie dienstknecht, die Hem zich voorstelde als een harden onredelijken meester, niet met de vrees, waarin pijn is, niet met de vrees van een wettischen geest, een geest der dienstbaarheid, maar met de vrijmoedigheid van een evangelischen geest, den geest der aanneming.
2. Om Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid, hetgeen den gansen plicht insluit van den mens jegens God en onzen naaste. Het is zowel de bedoeling als de onmiddellijke strekking van het Evangelie om dat beeld Gods in ons te vernieuwen, waarnaar de mens het eerst geschapen werd en dat bestond in ware rechtvaardigheid en heiligheid, Efeze 4:24. Christus heeft ons verlost opdat wij God zouden dienen, niet in den wettischen dienst van slachtofferen en brandoffers, maar in den geestelijken dienst van heiligheid en gerechtigheid, Psalm 50:14.
3. Om Hem te dienen voor Hem, in de plichten Zijner onmiddellijke aanbidding, waarin wij ons den Heere voorstellen, om Hem te dienen als dezulken, die steeds het oog op Hem hebben gericht, en Zijn oog altijd op ons gericht zien, op onzen inwendigen mens: dat is Hem te dienen voor Hem.
4. Om Hem te dienen al de dagen onzes levens. Het doel van het Evangelie is ons te verbinden tot standvastigheid en volharding in den dienst van God, door ons te tonen hoeveel er afhangt van ons niet-teruggaan, en door ons te tonen, hoe Christus ons tot het einde heeft liefgehad, en ons daardoor verbond om Hem tot het einde lief te hebben.
5. Hij loofde God voor het werk van bereiding voor deze verlossing, dat door Johannes de Doper gedaan zou worden, vers 76. Gij, kindeken, hoewel gij nu nog slechts een kind zijt van acht dagen, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden. Jezus Christus is de Allerhoogste, want Hij is God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, Romeinen 9:5, gelijk met den Vader. Johannes de Doper was Zijn profeet, zoals Aäron Mozes' profeet is geweest, Exodus 7:1. Wat hij zei was als Zijn mond, wat hij deed was als Zijn voorloper. De profetie had sedert lang opgehouden, maar in Johannes herleefde zij, zoals zij in Samuël was herleefd, die geboren was uit een bejaarde moeder, evenals ook Johannes. Johannes' werk was
a. Een volk te bereiden voor de zaligheid door bekering en berouw te prediken als grote Evangelieplichten. Gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, en slechts een weinig voor Hem om Zijne wegen te bereiden, om de mensen te roepen om plaats voor Hem te maken en zich te bereiden, om Hem te ontvangen. Laat alles uit den weg worden geruimd wat Zijn voortgang belemmert, of het volk verhindert om tot Hem te komen, Jesaja 40:3, 4. Laat alle dalen verhoogd, en alle bergen en heuvelen vernederd worden.
b. Om aan de mensen een algemeen denkbeeld te geven van de zaligheid, opdat zij mochten weten, niet slechts wat te doen, maar wat te verwachten, want de leer, die hij predikte, was dat het koninkrijk der hemelen nabij is gekomen. Er zijn twee dingen, waarin gij moet weten dat deze zaligheid bestaat:
a. De vergeving van hetgeen wij verkeerds gedaan hebben. Het is zaligheid door vergeving der zonden, die zonden, welke de zaligheid in den weg staan, en door welke wij allen aan verderf en veroordeling onderworpen zijn geworden, vers 77. Johannes de Doper gaf het volk te verstaan dat, hoewel hun toestand treurig was vanwege de zonde, hij echter niet wanhopig was, want door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods (de ingewanden der barmhartigheid, zoals het woord eigenlijk luidt) kan vergeving worden verkregen. Er was in ons niets dan een treurige, erbarmelijke toestand, om ons der Goddelijke barmhartigheid aan te bevelen.
b. Leiding en bestuur tot een betere levenswijze voor het vervolg. De Evangeliezaligheid moedigt ons niet alleen aan om te hopen, dat de werken der duisternis ons vergeven zullen worden, maar geeft ons een helder licht, waarin wij onze gangen richten kunnen. Daarin heeft ons de Opgang uit de hoogte bezocht, vers 78, en ook dit zijn wij aan de barmhartigheid onzes Gods verschuldigd. Christus is anatole -het morgenlicht, de opgaande Zon, Maleachi 4:2. Het Evangelie brengt licht met zich, Johannes 3:19, het laat ons niet omdolen in heidense onwetendheid, of in het maanlicht der Oud Testamentische typen en schaduwen, maar in hetzelve is de dag aangebroken. In Johannes de Doper begon de dageraad aan de kimmen te verschijnen, maar het licht nam toe, en was voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe. Wij hebben evenveel reden om den Evangeliedag welkom te heten, als diegenen om den dageraad welkom te heten, die hem lang hebben verwacht.
Ten eerste. Het Evangelie is ontdekkend, het toont ons hetgeen, waaromtrent wij tevoren in volslagen duisternis waren, vers 79, het is "om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis, de verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. De Opgang uit de hoogte heeft deze duistere wereld bezocht om de heidenen te verlichten, Handelingen 26:18.
Ten tweede. Het is levendmaking, het brengt licht tot hen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwen des doods, als veroordeelde gevangenen in het kerkerhol, om hun de tijding te brengen van vergeving, of tenminste van ene opschorting van het oordeel met de mogelijkheid om vergeving te verwerven, het verkondigt de opening der gevangenis, Jesaja 61:1, en brengt het licht des levens. Hoe lieflijk is dat licht! Ten derde. Het is leidend, het richt onze voeten op den weg des vredes, op dien weg, die ons ten laatste tot vrede zal brengen. Het is niet slechts een licht voor onze ogen, maar een licht voor onze voeten, Psalm 119:105, het leidt ons op den weg om vrede te maken met God, een lieflijke, troostrijke gemeenschap met Hem te onderhouden, dien weg des vredes, waarvan wij als zondaren afgedwaald zijn, en dien wij niet hebben gekend, Romeinen 3:17, en nooit uit ons zelven hebben kunnen kennen. In het laatste vers hebben wij een kort bericht van de jongere jaren van Johannes de Doper. Hoewel hij de zoon was van een priester, is hij niet, gelijk Samuël, toen hij nog een kind was, opgegaan om voor het aangezicht des Heeren te dienen, want hij had den weg tot een beter priesterschap te bereiden. Maar hier wordt ons verhaald:
1. Van zijne voortreffelijkheid naar den inwendigen mens. Het kindeken wies op in bekwaamheid van verstand, veel meer dan andere kinderen, zodat hij gesterkt werd in den geest, een krachtig oordeel had en een vastberaden wil. Het verstand en het geweten (welke beiden de lamp des Heeren zijn) waren zo krachtig in hem, dat hij de lagere vermogens van lust en hartstocht reeds intijds volkomen in bedwang had. Hieruit bleek dat hij vroeg vervuld was met den Heiligen Geest, want zij, die sterk zijn in den Heere, zijn gesterkt in den geest.
2. Van zijne geringheid naar den uitwendigen mens. Hij was in de woestijnen, niet alsof hij een kluizenaarsleven leidde, afgezonderd van de menselijke samenleving. Neen, wij hebben reden te geloven, dat hij bij gelegenheid der feesten opging naar Jeruzalem, en op de sabbatdagen de synagogen bezocht, maar zijn voortdurende verblijfplaats was in een der afgelegen huizen in de woestijn van Zuph of Maon, waarvan wij lezen in de geschiedenis van David. Daar bracht hij zijn meesten tijd door in overpeinzing en gebed, maar hij werd niet opgeleid in de scholen of aan de voeten van den rabbi. Menigeen is geschikt en bekwaam om zeer nuttig te zijn, maar die toch, als het ware, levend begraven is, en velen zijn lang aldus begraven, die bestemd zijn en daardoor bekwaam gemaakt worden voor des te groter arbeid, zoals Johannes de Doper, die slechts in de woestijnen was tot den dag zijner vertoning aan Israël, toen hij dertig jaren oud was. Er is een bestemde tijd voor het betonen van die gunsten aan Israël, welke voor hen zijn bewaard, het gezicht er van is voor een bestemden tijd, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen.