Leviticus 19:11-18
Hier wordt ons geleerd:
I. Trouw en eerlijk te zijn in al onze handelingen, vers 11. God, die door Zijn voorzienigheid ieders bezitting bepaald heeft, verbiedt door Zijn wet die bepaling aan te randen hetzij door stelen, gij zult niet stelen, of door bedrieglijk handelen: "gij zult niet liegen, noch valselijk handelen." Voor alles wat wij hebben in de wereld moeten wij wel toezien en nagaan, of wij er eerlijk aan gekomen zijn, want wij kunnen niet waarlijk rijk zijn, noch lang rijk zijn, met hetgeen waar wij niet eerlijk aan gekomen zijn. De God van de waarheid, die waarheid eist in het binnenste, Psalm 51:8, eist haar ook in de mond, liegt niet tegen elkaar, hetzij in handel, of in de gewone omgang. Dit is één van de wetten van het Christendom: "Liegt niet tegen elkaar," Colossenzen 3:9. Zij, die geen waarheid spreken, verdienen niet dat hun waarheid gezegd wordt, zij, die zondigen door te liegen, zullen er rechtvaardiglijk onder lijden, daarom is het ons verboden tegen elkaar te liegen, want zo wij tegen anderen liegen, leren wij hen tegen ons te liegen.
II. Grote eerbied te bewaren voor de heilige naam van God, vers 12, en Hem niet tot getuige te roepen, hetzij:
1. Van een leugen: Gij zult niet valselijk hij Mijn naam zweren. Het is slecht een leugen te spreken, maar het is veel erger op een leugen te zweren.
2. Van een beuzeling, of nietigheid, want gij zoudt de naam van uw God ontheiligen, door hem te gebruiken voor iets anders dan waarvoor hij gebruikt moet worden, namelijk voor heilige doeleinden.
III. Niemands recht te nemen of te onthouden, vers 13. Wij moeten niet tot ons nemen wat het onze niet is, hetzij door bedrog of roof noch onder ons houden wat aan een ander behoort, inzonderheid arbeidsloon van een dagloner, laat dat bij u niet vernachten tot de morgen. Laat de dagloner zijn loon hebben, zodra zijn dagwerk gedaan is, zo hij dit begeert. Het is een grote zonde om er de betaling van te weigeren, ja zelfs om er tot zijn schade mee te wachten, een zonde, die tot de hemel om wraak roept, Jakobus 5:4.
IV. Tere zorg te hebben voor de veiligheid en de eer van hulpelozen, vers 14.
1. De eer van de dove. Gij zult de dove niet vloeken, noch hen, die lichamelijk doof zijn en in het geheel niet kunnen horen, noch hen die afwezig zijn, en dus voor het ogenblik buiten het gehoor zijn van de vloek, en er hun gevoeligheid niet over kunnen tonen noch er zich tegen kunnen verweren, ook hen niet, die geduldig en lijdzaam zijn, zich houden alsof zij niet hoorden, en er geen notitie van willen nemen, zoals David, Psalm 38:14. Beledig dus geen mensen omdat zij zich niet kunnen of niet willen wreken, want God ziet en hoort, al horen of zien zij niet.
2. Ook voor de veiligheid van de blinden hebben wij met tere zorg te waken, hun geen struikelblok in de weg te leggen, want dit zou voor hen hun beproeving nog zwaarder maken, en Gods voorzienigheid tot een dienstmaagd maken van onze boosaardigheid. In dit verbod ligt het gebod opgesloten om de blinden te helpen, en de stenen uit hun weg te verwijderen. De Joodse schrijvers het onmogelijk achtende, dat iemand zo barbaars kan wezen om voor het aangezicht van de blinden een aanstoot te zetten, hebben het opgevat in overdrachtelijken zin, namelijk dat het verbiedt om hun, die eenvoudig en gemakkelijk te misleiden zijn, slechte raad te geven, waardoor zij er toe kunnen komen om iets te doen, dat tot hun nadeel strekt. Wij moeten er ons voor waken iets te doen, dat onze zwakke broeder zou kunnen doen vallen, Romeinen 14:13 1 Co 8:9. Als voorbehoedmiddel tegen deze zonden wordt er bijgevoegd: maar gij zult voor uw God vrezen. "Gij vreest niet voor de doven en blinden, zij kunnen zich niet verdedigen, zich geen recht verschaffen, maar herinner u dat het de heerlijkheid Gods is om de hulpelozen te helpen, en Hij zal hun zaak voorstaan." De vreze Gods zal ons weerhouden van te doen hetgeen wij zouden kunnen doen, zonder ons aan de toorn of wraak van de mensen bloot te stellen.
V. Aan rechters en allen, die met gezag bekleed zijn, wordt hier geboden recht te spreken zonder partijdigheid, vers 15, hetzij zij aangestelde rechters waren, of slechts in bijzondere gevallen, met toestemming van beide partijen tot rechtspreken geroepen waren, zoals scheidsmannen. Zij moeten aan geen van beide partijen onrecht doen, maar naar hun beste weten uitspraak doen naar de regels van recht en billijkheid, alleen op het voor en tegen van de zaak letten en niet op de personen. Nooit moet het recht verkeerd worden, hetzij:
1. Uit medelijden met de arme, gij zult het aangezicht van de geringe niet aannemen. Wat men de arme ook moge geven als aalmoes, nooit mag men hem iets als recht toekennen dan hetgeen waarop hij wettig aanspraak heeft, nooit mag zijn armoede hem vrijstellen van een rechtvaardige straf voor een begane misdaad. Of:
2. Uit eerbied of vrees voor de machtigen, ten gunste van wie rechters het vaakst vooringenomen zijn. De Joden zeggen: "Door deze wet waren de rechters verplicht om zo onpartijdig te zijn, dat zij één van de in geschil zijnde partijen niet mochten laten zitten terwijl de andere stond, noch de één vergunnen zolang te spreken als hij verkoos, en de ander bevelen het kort te maken", zie Jakobus 2:1-3.
Vl. Het is ons allen verboden iets te doen om de goede naam van onze naaste te schaden, vers 16, hetzij:
1. In gewoon gesprek: Gij zult niet wandelen als een achterklapper. Het is wel een zeer slecht ambt dat men op zich neemt, om de verkondiger te zijn van ieders gebreken, openbarende wat geheim was en misdaden verzwarende, en alles wat verkeerd is in de donkerste kleuren te schilderen, met het doel om iemands goede naam te vernietigen en onenigheid te zaaien onder naburen. Het woord door achterklapper vertaald betekent een venter, een smokkelaar, of iemand die binnengeslopen is in de handel, want achterklappers vangen in het een huis boosaardige verhalen op, en brengen ze dan naar een ander huis, zodat zij als het ware een ruilhandel drijven in lasterpraatjes. Zie hoe deze zonde veroordeeld wordt, Spreuken 11:13, 20:19, Jeremia 9:4, 5, Ezechiël 22:9. Of:
2. In het getuigenis afleggen: "Gij zult niet staan als getuige tegen het bloed van uw naaste, indien zijn bloed onschuldig is, noch u in bondgenootschap voegen bij zulke bloeddorstige lieden als hier beschreven worden," Spreuken 1:11, 12. De Joodse wetgeleerden geven er nog deze zin aan: "Gij zult geen toeschouwer zijn van het gevaar van uw broeder, maar hem te hulp komen, al is het ook met uw eigen gevaar voor lijf en leden", en zij voegen er bij: "Hij, die door zijn getuigenis de onschuld kan bewijzen van een beschuldigde, is door deze wet verplicht om dit te doen." Zie Spreuken 24:11, 12. VII. Ons wordt geboden onze naaste in liefde te bestraffen, vers 17. Gij zult uw naaste naarstiglijk berispen.
1. Gij moet hem veeleer berispen dan haten om een leed, dat hij u heeft toegebracht. Als wij bemerken, dat onze naaste ons onrecht heeft aangedaan, dan moeten wij geen verborgen wrok tegen hem opvatten, en ons van hem vervreemden, kwaad noch goed tot hem sprekende, zoals sommigen doen, die de kunst verstaan om hun misnoegen te verbergen, totdat zij een gelegenheid vinden om zich te wreken, 2 Samuël 13:22. Wij moeten veeleer lucht geven aan onze toorn of onze gevoeligheid, met de zachtmoedigheid van de wijsheid trachten onze broeder te overtuigen van het leed, dat hij ons berokkend heeft, de zaak openhartig met hem bespreken, om aldus ons misnoegen te doen eindigen, dit is de regel, die onze Heiland geeft voor zo'n geval, Lukas 17:3.
2. Bestraf hem om zijn zonde tegen God, omdat gij hem liefhebt, poog hem tot berouw en bekering te brengen, opdat zijn zonde worde vergeven, en hij er zich van afkere, en zij niet op hem gelaten worde. Vriendelijke bestraffing is een plicht, die wij elkaar verschuldigd zijn, en wij behoren haar beide te geven en aan te nemen in liefde. De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn, Psalm 141:5. Getrouw en nuttig zijn deze "wonden van de" "liefhebbers," Spreuken 27:5,6. Het wordt hier strikt en streng geboden: "Gij zult hem naarstiglijk berispen," en het onder geen voorwendsel nalaten." Denk aan:
a. de schuld, die wij op ons laden door niet te bestraffen, het wordt hier uitgelegd als een haten van onze broeder. Wij zijn geneigd aldus te redeneren: "Die en die is een vriend, die ik liefheb, en dus zal ik hem niet verontrusten door hem op zijn fouten en gebreken te wijzen", maar wij moesten veeleer zeggen: "daarom zal ik hem de vriendelijkheid bewijzen van hem er over te onderhouden". De liefde bedekt de zonde voor anderen, maar niet voor de zondaar zelf.
b. Het kwaad, dat wij doen door niet te bestraffen, wij verdragen de zonde in hem en laten haar op hem, en zo zijn wij in gevaar van de zonde om zijnentwil te dragen zoals de kanttekening het heeft. Indien wij de onvruchtbare werken van de duisternis niet bestraffen, dan hebben wij er gemeenschap mede, en worden ex post facto-na de daad, er medeplichtig aan, Efeziers 5:11. Het is uw broeder, uw naaste, die het betreft, en het was een Kaïn, die gezegd heeft: Ben ik mijns broeders hoeder?
VIII. Er wordt hier van ons geëist alle kwaadwilligheid af te leggen, en broederlijke liefde te betrachten, vers 18.
1. Wij moeten jegens niemand slecht gezind zijn: Gij zult niet wreken, noch toorn behouden, hetgeen van dezelfde strekking is als: Gij zult uw broeder in uw hart niet haten, vers 17, want kwaadwilligheid is een begin van moord. Indien onze broeder ons onrecht heeft gedaan, dan moeten wij dit niet op hem wreken door hem ook onrecht aan te doen. Wij moeten het hem niet bij elke gelegenheid verwijten want dat is wrok koesteren, maar wij moeten het vergeven en vergeten, want aldus heeft God ons vergeven. Het is boosaardig en het verderf van alle vriendschap om toorn te behouden wegens belediging of onrecht, en dat zwaard eeuwiglijk te laten verteren.
2. Wij moeten welgezind zijn jegens allen. Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Dikwijls doen wij onszelf onrecht, maar aan onszelf vergeven wij dit onrecht, en het vermindert volstrekt niet de liefde, die wij onszelf toedragen, evenzo moeten wij onze naaste liefhebben. Onze Heiland heeft dit tot het tweede grote gebod gemaakt van de wet Mattheus 22:39, en de apostel toont aan dat het de hoofdsom is van al de wetten van de tweede tafel, Romeinen 13:9, 10, Galaten 5:14. Wij moeten onze naaste even waarlijk liefhebben als wij onszelf liefhebben, en zonder veinzen, wij moeten onze liefde tot onze naaste doen blijken, op dezelfde wijze als wij onze liefde tot onszelf doen blijken, zijn schade of nadeel voorkomen, en zijn goed teweegbrengen zoveel slechts in ons vermogen is. Wij moeten aan onze naaste doen wat wij wensen, dat ons gedaan zal worden, Mattheus 7:12, onze ziel in de plaats stellen van hun ziel, Job 16:4, 5. Ja wij moeten in vele gevallen onszelf verloochenen tot welzijn van onze naaste zoals Paulus, 1 Corinthiërs 9:19 en verv. Hierin gaat het Evangelie zelfs nog verder dan dit uitnemend gebod van de wet, want door Zijn leven voor ons te stellen. heeft Christus ons geleerd in sommige gevallen ons leven te stellen voor de broeders, 1 Johannes 3:16, en aldus onze naaste meer lief te hebben dan ons zelf.