1 Johannes 1-4
De apostel verzwijgt zijn naam en hoedanigheid, evenals de schrijver van den brief aan de Hebreeën doet, hetzij uit nederigheid, of omdat hij wenst dat de Christelijke lezer zal overtuigd worden meer door het licht en het gewicht van de daarin geschreven dingen dan door den naam van den schrijver. Hij begint met:
I. Een voorstelling van den persoon des Middelaars. Deze is het grote onderwerp van het Evangelie, de grondslag en het voorwerp van ons geloof en onze hoop, de band en het cement, die ons met God verenigen. Hij moet goed gekend worden, en wordt hier voorgesteld als:
1. Het Woord des levens, vers 1. In het Evangelie worden deze beide namen afzonderlijk vermeld, en wordt Hij eerst het Woord genoemd, Johannes 1:1, en daarna het leven, waardoor wordt te kennen gegeven dat Hij het persoonlijke leven is. In Hem was het leven, en dat leven was, ondervindelijk en voorwerpelijk, het licht der mensen, Johannes 1:4. Hier zijn zij bijeengevoegd: het woord des levens, dat is: het levende Woord. Dat Hij het Woord is duidt aan, dat Hij het woord van iemand anders is, en wel van God den Vader. Hij is het Woord Gods, en daardoor wordt Hij voorgesteld als uitgaande van den Vader, zo zeker-ofschoon niet op dezelfde wijze-als een woord of gedachtegang, die een reeks van woorden is, uitgaat van een spreker. Maar Hij is niet alleen een woord in klanken, niet bloot een logos prophorikos, doch een levend woord, het levende Woord, het woord des levens, en dus:
2. Het eeuwige leven. Zijn oneindigheid toont Zijn voortreffelijkheid. Hij was van eeuwigheid en is dus naar de voorstelling der Schrift, noodzakelijk, in zich zelven ongeschapen leven. Dat de apostel spreekt van Zijn eeuwig bestaan en als van eeuwigheid, blijkt daaruit dat hij van Hem spreekt zoals Hij was in en van den beginne, toen Hij was bij den Vader en voordat Hij ons geopenbaard werd, ja, voordat iets gemaakt werd dat gemaakt is, Johannes 1:2, 3. Zo dat Hij is het eeuwige, levende, zelfstandige Woord van den eeuwig-levenden Vader.
3. Het geopenbaarde leven, vers 2, geopenbaard in het vlees, geopenbaard aan ons. Het eeuwige leven wilde de sterflijkheid aannemen, wilde vlees en bloed, onze gehele menselijke natuur, aannemen, en zo onder ons wonen en wandelen, Johannes 1:14. Hier zien wij waarlijk neerbuiging en vriendelijkheid: dat eeuwige leven, een wezen dat het eeuwige, zelfstandige leven is, wilde komen om stervelingen te bezoeken, voor hen het eeuwige leven te verwerven en het hun mede te delen!
II. De bewijzen en overtuigende verzekeringen, die de apostel en zijne broederen hadden van de tegenwoordigheid en de omwandeling des Middelaars in deze wereld. Er waren voldoende openbaringen van de werkelijkheid van Zijn verblijf alhier, en van de uitnemendheid en de waardigheid van Zijn persoon, in de wijze dier openbaring. Het leven, het woord des levens, het eeuwige leven, als zodanig, kon niet gezien en getast worden, maar wel het geopenbaarde leven, en dat was geschied. Het leven was met vlees bekleed, gebracht tot den staat en de gewoonten van de verlaagde menselijke natuur, en gaf daarin voelbaar bewijs van Zijn bestaan en verandering. Het eeuwige leven, het vleesgeworden Woord, bood zich aan en betuigde zich aan de zintuigen der apostelen. En wel: 1. Aan hun oren. Hetgeen wij gehoord hebben, vers 1. Het leven nam mond en tong aan, om woorden des levens te kunnen spreken. De apostelen hoorden niet alleen van Hem, maar zij hoorden Hem zelven. Meer dan drie jaren mochten zij Zijne bediening genieten, toehoorders zijn van Zijn openbare redevoeringen en bijzondere gesprekken, want Hij nam hen in Zijn huis, en opgetogen zijn over Zijne woorden, want Hij sprak zoals nooit iemand voor of na Hem gesproken heeft. Het goddelijk woord wilde het oor gebruiken, en het oor moest aan het woord des levens gewijd worden. En het was betamelijk dat degenen, die geroepen waren om Zijn vertegenwoordigers en gezanten in de wereld te zijn, persoonlijk de aanwijzingen en bevelen van Hem ontvingen.
2. Aan hun ogen. Hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, vers 1, 3. Het Woord zou zichtbaar worden, het zou niet alleen gehoord, maar ook gezien worden, gezien in het openbaar, in besloten kring, op een afstand en van nabij, hetgeen wordt aangeduid door de versterking, met onze ogen, met al het gebruik dat wij van onze ogen maken konden. Wij zagen Hem in Zijn leven en in Zijne bediening, zagen Hem in Zijne verheerlijking op den berg, zagen Hem hangende, bloedende, stervende en gestorven aan het kruis, en zagen Hem na Zijn terugkeer uit het graf door Zijne opstanding uit de doden. Zijn apostelen moesten zowel Zijn ooggetuigen als Zijn oorgetuigen zijn. Het is dan nodig dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, beginnende van den doop van Johannes tot den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelve met ons getuige worde van Zijne opstanding, Handelingen 1:21, 22. Wij zijn aanschouwers geweest van Zijne Majesteit, 2 Petrus 1:16.
3. Aan hun inwendige zintuigen, aan de ogen van hun geest, want zo moet waarschijnlijk het volgende uitgelegd worden. Hetgeen wij aanschouwd hebben. Dit moet onderscheiden worden van het voorgaande: Hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, en schijnt hetzelfde te bedoelen wat de apostel zegt in zijn Evangelie, Hoofdstuk 1:14. En wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, etheasametha, ene heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader. Het woord moet niet verstaan worden van hetgeen zij onmiddellijk met het stoffelijk oog zagen, maar van wat zij inwendig begrepen van hetgeen zij zagen. Hetgeen wij wèl onderscheiden en geweten hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u. De zinnen behoren de onderrichters van het verstand te zijn.
4. Aan hun handen en hun gevoel. Hetgeen onze handen getast hebben van het Woord des levens. Dit ziet duidelijk op de volle overtuiging, welke onze Heere Zijn apostelen gaf van de waarheid en werkelijkheid en de samenstelling van Zijn lichaam na Zijne opstanding uit de doden. Toen Hij hun Zijne handen en Zijne zijde toonde, heeft Hij hun waarschijnlijk verlof gegeven om Hem aan te raken, tenminste Hij kende het ongeloof van Thomas en diens uitgesproken besluit om niet te geloven voordat hij de littekenen der wonden, waaraan Jezus stierf, aangeraakt had. Dientengevolge riep Hij bij de volgende ontmoeting Thomas, in tegenwoordigheid van de anderen, om aan het verlangen van zijn ongeloof te voldoen. Waarschijnlijk gaf Hij anderen ook daartoe verlof. Onze handen hebben getast het Woord des levens. Het onzichtbare levende Woord versmaadde het getuigenis der zinnen niet. De zintuigen zijn op hun plaats en in hun stand middelen, die God beschikt heeft, en de Heere Jezus Christus heeft ze tot onze onderrichting gebruikt. Onze Heere zorgde dat Hij, zo ver dat betamelijk was, de zintuigen der apostelen bevredigde, opdat dezen des te geloofwaardiger getuigen voor de wereld zouden zijn. Zij, die dit alles toepassen op het horen van het Evangelie, verliezen de verscheidenheid van gevoelsaandoeningen hier vermeld en de eigenaardigheid van de uitdrukkingen, zowel als de reden van de aanwijzing en de herhaling in vers 3 :Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u. De apostelen konden zich niet bedrogen hebben in zo lange en verscheidene oefening van hun zinnen. De zinnen moeten de rede en het oordeel bedienen, zoals rede en oordeel dienst doen moeten bij het aannemen van den Heere Jezus Christus en Zijn Evangelie. De verwerping van de Christelijke openbaring wordt eindelijk voltooid door de verwerping van het gevoel zelf. Hij verweet hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden nadat Hij opgestaan was, Markus 16:14.
III. Met een plechtige verzekering en bevestiging van deze gronden en bewijzen voor de Christelijke waarheid en leer. De apostelen delen deze verzekeringen mede tot onze voldoening. Wij getuigen en verkondigen ulieden, vers 2. Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ulieden, vers 3. Het betaamde den apostelen aan de discipelen de bewijzen te geven door welke zij geleid werden, de redenen waardoor zij gedrongen werden om de Christelijke leer in de wereld te verkondigen en te verbreiden. Wijsheid en eerlijkheid verplichtten hen te betuigen, dat het geen eigen inbeelding en geen kunstig verdichte fabel was, die zij der wereld aanboden. Bewezen waarheid opende hun mond en drong hen tot openbare belijdenis. Wij kunnen niet nalaten te spreken van de dingen, die wij gezien en gehoord hebben, Handelingen 4:20. Het voegde den discipelen wèl verzekerd te worden van de waarheid der leer, die zij aangenomen hadden. Zij zouden de bewijzen zien voor hun heiligen Godsdienst. Die schuwt het licht niet, en evenmin het strengste onderzoek. Het betaamt redelijke overtuiging en behoorlijke overreding van verstand en geweten aan te bieden. Ik wil dat gij weet hoe groten strijd ik voor u heb en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien, opdat hun harten vertroost mogen worden en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader en van Christus, Colossenzen 2:1, 2.
IV. Met de reden, waarom de apostel deze hoofdsom van ons heilig geloof voorstelt en verzekert en dit bewijs er voor levert. Die reden is tweeledig.
1. Dat de gelovigen mogen komen tot dezelfde gelukzaligheid, die de apostelen zelven hebben. Wat wij gehoord en gezien hebben, dat verkondigen wij ulieden, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, vers 3. De apostel bedoelt niet persoonlijke gemeenschap of het samenzijn onder dezelfde kerkregering, maar een gemeenschap, die blijft bestaan ook wanneer men van elkaar verwijderd is. Het is gemeenschap met den hemel en aan de zegeningen, die vandaar komen en daarheen leiden. Wij verkondigen en getuigen u dit, opdat gij deel moogt hebben in onze zegeningen en onze blijdschap. Evangelische mensen, zij, die door de genade des Evangelies gelukkig zijn gemaakt, zien gaarne dat anderen ook gelukkig worden. Wij zien hier dus dat er ene gemeenschap bestaat, die de gehele gemeente saambindt. Er mogen sommige persoonlijke onderscheidingen of eigenaardigheden zijn, maar er bestaat een gemeenschap, een gezamenlijk deelhebben aan voorrechten en waardigheid, die alle heiligen omvat, van den hoogsten apostel tot den laagsten gelovige. Gelijk er een gemeenschappelijk geloof is, zo zijn er ook dezelfde kostelijke beloften, die dat geloof waardig maken en kronen, en dezelfde dierbare zegeningen en heerlijkheid, die deze beloften verrijken en vullen. En opdat de gelovigen begerig zouden zijn naar deze gemeenschap, opdat zij zich zullen inspannen om het geloof te verkrijgen en te behouden, dat het middel voor die gemeenschap is, opdat de apostelen hun liefde tot de discipelen kunnen openbaren door hen te brengen in de gemeenschap met hen zelven, toont hij aan wat en waar zij is. En deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijnen Zoon Jezus Christus. Wij hebben gemeenschap met den Vader en met den Zoon des Vaders, zoals Hij 2 Johannes 3 met grote ingenomenheid genoemd wordt, door onze zalige betrekking tot hen, door het ontvangen van hemelse zegeningen van hen en door onzen geestelijken omgang met hen. Wij hebben nu den bovennatuurlijken omgang met God en den Heere Christus, die een begin en een voorsmaak is van ons eeuwig verblijf met hen en ons genieten van hen in de hemelse heerlijkheid. Ziehier de bedoeling van de evangelische openbaring: ons ver boven de zonde en de aarde te verheffen tot de gezegende gemeenschap met den Vader en den Zoon. Ziehier waartoe het eeuwige Woord vlees geworden is: dat Hij ons het eeuwige leven zou schenken in gemeenschap met den Vader en met Hem zelven. Zie ook hoe ver beneden de waardigheid, het nut en het doel van het Christelijk geloof zij leven, die niet de geestelijke, gezegende gemeenschap met den Vader en Zijn Zoon Jezus Christus hebben.
2. Opdat de gelovigen vervuld mogen worden met heilige vreugde: En deze dingen schrijven wij u opdat uwe blijdschap vervuld zij, vers 4. De evangelische bedeling is geen bedeling van vrees en smart en schrik, maar van vrede en blijdschap. Schrik en ontzetting woonden op den berg Sinaï, maar verheffing en blijdschap op den berg Zion, waar het eeuwige Woord, het eeuwige Leven, in ons vlees werd geopenbaard. De verborgenheid van den Christelijken godsdienst is rechtstreeks berekend op de blijdschap van stervelingen. Het moet onze blijdschap zijn, dat de eeuwige Zoon gekomen is om ons te zoeken en zalig te maken, dat Hij volle verzoening heeft aan gebracht voor onze zonden, dat Hij zonde, dood en hel heeft overwonnen, dat Hij leeft als onze Middelaar en Voorspraak bij den Vader, en dat Hij wederkomen zal om Zijn volhardende gelovigen te volmaken en te verheerlijken. De gelovigen behoren zich te verblijden in hun gelukkige betrekking tot God, als Zijn zonen en erfgenamen, Zijn geliefde en aangenomen kinderen, in hun gelukkige betrekking tot den Zoon des Vaders, als leden van Zijn geliefd lichaam en medeërfgenamen met Hem, in de vergeving hunner zonden, in de heiligmaking hunner natuur, in de aanneming hunner personen, en in het vooruitzicht van genade en heerlijkheid, die geopenbaard zullen worden bij de wederkomst van hun Heere en Hoofd uit den hemel. Indien zij bevestigd waren in hun heilig geloof, hoe zouden zij zich verblijden! De discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest, Hand 13:29.