1 Johannes 5:10-13
In deze woorden kunnen wij opmerken:
I. Het voorrecht en de bestendigheid van den waren Christen. Die in den Zoon van God gelooft, die er toe gebracht is Hem met ongeveinsdheid aan te hangen ter zaligheid, heeft de getuigenis in zich zelven, vers 10. Hij heeft niet alleen de uitwendige bewijzen, die de anderen ook hebben, maar hij heeft in zijn eigen hart een getuigenis voor Jezus Christus. Hij kan mededelen wat Christus en de waarheid van Christus voor zijne ziel gedaan hebben, en wat hij in Hem heeft gezien en gevonden.
1. Hij heeft diep gezien zijn zonde, en schuld, en ellende en zijn overvloedige behoefte aan een Zaligmaker.
2. Hij heeft gezien de uitnemendheid, schoonheid en bediening van den Zoon van God, en de onvergelijkbare geschiktheid van zulk een Zaligmaker, voor al zijn geestelijke noden en moeilijke omstandigheden.
3. Hij ziet en bewondert de wijsheid en liefde Gods om zulk een Zaligmaker toe te bereiden en te zenden, ten einde hem van zonde en hel te bevrijden en te brengen tot vergeving, vrede en gemeenschap met God.
4. Hij heeft gevoeld en ondervonden de kracht van het woord en de leer van Christus, die zijne ziel gewond, vernederd, geheeld, verkwikt en vertroost hebben.
5. Hij ondervindt dat de openbaring van Christus, als de grootste bekendmaking en openbaring van de liefde Gods, ook het meest geschikte middel is om onze liefde voor den heiligen, gezegenden God tot ontsteken, te voeden en te ontvlammen.
6. Hij is uit God geboren door de waarheid in Christus, gelijk in vers 1 staat. Hij heeft een nieuw hart en een nieuwe natuur, en nieuwe liefde, geneigdheid en blijdschap, en is niet meer de man van vroeger.
7. Hij bevindt thans in zich dezelfden strijd met zich zelven, met de zonde, het vlees, de wereld en onzichtbare boze machten, als beschreven en voorspeld wordt in de leer van Christus.
8. Hij ziet welken invloed de Middelaar in den hemel heeft, door de verhoring en de kracht der gebeden, die daarheen opgezonden worden in Zijn naam, overeenkomstig Zijn wil en door Zijn tussenkomst.
9. Hij heeft zulke vooruitzichten gekregen en door het geloof in Christus is hem zulke macht gegeven, dat hij de wereld kan verachten en overwinnen, en voorwaarts reizen naar ene andere.
10. Hij is wedergeboren tot een levende hoop, tot een heilig vertrouwen op God, op zijn goedgunstigheid en liefde, tot een heerlijke overwinning over de verschrikkingen des gewetens, de vrees voor dood en hel, tot een troostrijk vooruitzicht van leven en onsterflijkheid, verrijkt zijnde met de eerstelingen des Geestes en verzegeld tot den dag der ver- lossing. Zulke verzekering heeft de gelovige des Evangelies, hij heeft ene getuigenis in zich zelven. Christus heeft ene gestalte in hem verkregen, en hij groeit op tot de volheid en volkomenheid, tot de volmaakte gelijkenis van Christus in den hemel.
II. De verzwaring van de zonde des ongelovigen, de zonde des ongeloofs. Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt. Hij schrijft in werkelijkheid Gode een leugen toe, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon, vers 10. Hij moet geloven dat God Zijn Zoon niet in de wereld gezonden heeft, ofschoon hij daarvan op zo velerlei wijze getuigd heeft, of dat Jezus Christus niet de Zoon van God was, ofschoon alle bewijzen op Hem betrekking hebben en zich in Hem verenigen, of dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft om de wereld te misleiden en haar in dwaling en ellende te storten, of dat Hij toegelaten heeft dat de mensen zouden bedrogen worden met een godsdienst, die in alle opzichten zo rein, heilig, hemels en onbesmet is, zo waardig om door de rede van de gehele mensheid aangenomen te worden, en toch blijkt niets anders dan een begoocheling en een leugen te zijn, en daarbij hun Zijn Geest geeft en diens kracht, om die leugen aan te bevelen en op te dringen aan de wereld. Daardoor maakt men God den Vader tot de bewerker en verbreider van de leugen.
III. De inhoud, het wezen, van al deze goddelijke getuigenissen aangaande Jezus Christus.
En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en dit leven is in Zijn Zoon, vers 11. Dat is de hoofdsom van het Evangelie. Dit is de hoofdsom of het kortbegrip van hetgeen ons door de bovengenoemde getuigen verklaard wordt.
1. Dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft. Hij heeft het voor ons bestemd in Zijn eeuwig voornemen. Hij heeft al de middelen bereid, die nodig waren om het ons te brengen. Hij heeft het ons vermaakt door Zijn verbond en Zijne belofte. En in werkelijkheid geeft Hij een recht en bevoegdheid daarop aan allen, die in den Zone Gods geloven en Hem aannemen.
2. Dit leven is in den Zoon. De Zoon is het leven, het eeuwige leven in zich zelven, Johannes 1:4, 1 Johannes 1:2. Hij is het eeuwige leven voor ons, de springader van ons geestelijk en eeuwig leven, Colossenzen 3:4. Door Hem wordt het leven ons meegedeeld, beide hier en in den hemel. En daaruit moet wel volgen:
A. Die den Zoon heeft, die heeft het leven. Hij, die met den Zoon verenigd is, die is verenigd met het leven. Hij, die recht heeft op den Zoon, heeft recht op het leven. Die eer heeft de Vader op den Zoon gelegd, die eer moeten wij Hem ook geven. Wij moeten komen en den Zoon kussen, daardoor zullen wij het leven hebben.
B. Die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet, vers 12. Hij blijft onder de veroordeling der wet, Johannes 3:36, hij weigert den Zoon, die het leven zelf is, die de gever des levens en de weg ten leven is, hij tergt God, door Hem tot een leugenaar te maken, om hem over te laten aan den eeuwigen dood, omdat hij niet gelooft de getuigenis, die God van Zijn Zoon gegeven heeft.
IV. Het doel en de reden van des apostels verkondiging aan de gelovigen. 1. Hun voldoening en vertroosting. Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den naam des Zoons van God, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, vers 13. Na al deze bewijzen en getuigschriften is het niet meer dan betamelijk en recht dat er zijn, die geloven in den naam van den Zoon Gods. God vermenigvuldige hun getal! Hoe vele getuigenissen heeft de wereld om het te bewijzen! En aan de drie getuigen in den hemel is de wereld verantwoording schuldig. Deze gelovigen hebben het eeuwige leven. Zij hebben het in het verbond en in het Evangelie, in de beginselen en in het onderpand er van in hun binnenste, en in hun Heere en hoofd in den hemel. Deze gelovigen moeten tot de kennis komen, dat zij het eeuwige leven hebben, en moeten door het vooruitzicht daarvan verlevendigd, aangemoedigd en vertroost worden, en zij moeten de Schriften waarderen, die zoveel voor hun vertroosting en zaligheid bevatten.
2. Hun bevestiging en hun toenemen in hun heilig geloof. En opdat gij gelooft in den naam des Zoons van God, vers 13, moogt voortgaan te geloven. Indien de gelovigen niet volharden, doen zij niets. Zich terug te trekken van het geloof in den naam des Zoons van God is het eeuwige leven weigeren en zich in het verderf storten. Daarom worden de bewijzen voor den godsdienst en het voordeel des geloofs den gelovigen voorgehouden, om hen te versterken en aan te moedigen om tot het einde te volharden.