1 Johannes 8-10
I. De apostel heeft in de voorgaande woorden gesteld dat ook zij, die in deze hemelse gemeenschap leven, nog hun zonden hebben, thans gaat hij er toe over om deze stelling te bewijzen, en dat doet hij door de vreeslijke gevolgen van de ontkenning dezer waarheid aan te tonen, en wel in twee bijzonderheden.
1. Indien wij zeggen dat wij gene zonden hebben, zo bedriegen wij ons zelven en de waarheid is in ons niet, vers 8. Wij moeten op onze hoede zijn, dat wij ons zelven niet bedriegen door onze zonden te ontkennen of te verontschuldigen. Hoe meer wij ze zien, des te meer zullen wij het geneesmiddel achten en waarderen. Indien wij zeggen dat wij gene zonden hebben, dan is de waarheid niet in ons, niet de waarheid, die het tegenovergestelde van die leugen is, en ook niet de waarheid van den godsdienst is in ons. De Christelijke godsdienst is de godsdienst der zondaren, van hen, die gezondigd hebben en in welken de zonde in zekere mate nog woont. Het Christelijk leven is een leven van voortdurend berouw, van vernedering over de zonde en van doding van de zonde, van voortdurend geloof in, dankzegging aan en liefde voor den Verlosser, en van hoopvolle blijdschap en verwachting van den dag der heerlijke herstelling, waarin de gelovigen geheel en volkomen verlost zullen zijn en de zonde voor eeuwig vernietigd worden.
2. Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is niet in ons, vers 10. Door de ontkenning van onze zonden bedriegen wij niet alleen ons zelven, maar wij onteren er God ook door. Het gaat tegen Zijn waarheid in. Hij heeft overvloedig getuigd van en tegen de zonde wereld. En de Heere zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aarde niet meer vervloeken om des mensen wil, want (anderen lezen: ofschoon) het gedichtsel van `s mensen hart is boos van zijn jeugd aan, Genesis 8:2. Maar God heeft Zijn getuigenis gegeven tegen de voortgezette zonde en zondigheid der wereld, door te voorzien in een voldoend gebracht offer, dat voor alle eeuwen nodig is, en tegen de voortgezette zondigheid van de gelovigen door van hen te eisen, dat zij voortdurend hun zonden zullen belijden en door het geloof toevlucht nemen tot het bloed van die offerande. En daarom, indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben of nu niet meer zondigen, dan is het Woord Gods niet in ons, niet in ons verstand voorzover de instemming met dat Woord aangaat, en niet in ons hart wat den invloed betreft, dien het op onzen wandel behoort te hebben.
II. Daarop onderricht de apostel de gelovigen omtrent den weg tot voortdurende vergeving onzer zonden. Wij hebben hier:
1. Onzen plicht daartoe: Indien wij onze zonden belijden, vers 9. Berouwvolle belijdenis en erkentenis van de zonden zijn der gelovigen werk en het middel om van de schuld verlost te worden.
2. De aanmoediging daartoe en de verzekering van het gewenste gevolg. Die ligt in de getrouwheid, rechtvaardigheid en goedertierenheid van God, tot wie wij met onze belijdenis komen moeten. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid, vers 9. God is getrouw aan Zijn verbond en aan Zijn woord, waarin Hij vergeving beloofd heeft aan berouwvolle gelovige belijders van hun zonden. Hij is rechtvaardig jegens zich zelven en Zijne heerlijkheid, die een offerande heeft gegeven, waardoor Hij Zijne gerechtigheid openbaarde in de rechtvaardigmaking van zondaren. Hij is rechtvaardig jegens Zijnen Zoon, dien Hij niet alleen voor dat werk gezonden heeft, maar wie Hij beloofd heeft dat allen, die door Hem komen, om Zijnentwil vergeving van zonden ontvangen zullen. Door Zijne kennis (door het gelovig erkennen van Hem) zal Mijn knecht er velen rechtvaardigen, Jesaja 53:11. Hij is ook goedertieren en genadig en zal daarom den boetvaardigen gelovige al zijn zonden vergeven, hem reinigen van de schuld van al zijn ongerechtigheden en hem op zijn tijd verlossen van de macht en de praktijk der zonden.