1. Mijn kindertjes! Ik schrijf u deze dingen, die ik u in de vorige afdeling heb gezegd (
Hoofdstuk 1:5), opdat u niet zondigt, deze grondstelling vasthoudt, dat u volstrekt geen zonde doen mag. En als iemand gezondigd heeft, zoals volgens het straks gezegde het zondigen toch bij ons gevonden wordt, ook al willen wij er niets van weten, wij Christenen, die het Evangelie in geloof hebben aangenomen, hebben een a) voorspraak, een advocaat Joh 14:18 bij de Vader (
Hebreeën 7:25;
9:24, Jezus Christus, de rechtvaardige (
Hebreeën 7:26.
1 Petrus 3:18, zodat onze zaak zeker met het beste gevolg voor de hemelse Rechter bepleit zal worden, omdat zijn rechtvaardigheid voor ons in de plaats zal treden.
a) 1 Timotheus 2:5
De apostel spreekt bij de vermaning, die zo ernstig is, maar door de innigste liefde wordt ingegeven, zijn lezers aan, evenals een vader zijn kinderen en nog inniger dan in Vers 23 3:7; 4:4; 5:21 zegt hij, evenals in Hoofdstuk 3:18 : "mijn kindertjes! " terwijl reeds alleen het "kindertjes" tederder, hartelijker klinkt dan "kinderen. "
In het voorgaande heeft Johannes gezegd, dat volstrekt niemand zonder zonde was, ook de Christen niet. Uit die bewering van de feitelijke algemeenheid van de zonde, ook zelfs onder Christenen, kan nu, zoals hij vreest, zeer makkelijk de natuurlijke gezindheid van de mens het besluit trekken, dat het zondigen niet veel betekent, omdat het iets onvermijdelijks is en daarom iets gerechtvaardigds. De apostel laat echter deze sluitrede van de natuurlijke mens niet gelden, maar spreekt het tegendeel ervan uit; het algemene van de zonde moet de lezers integendeel al de ernst doen voelen, die zij tegenover deze zonde, die in hen nog zo machtig is, moeten stellen. Een erkennen van de macht van de zonde over ons, die ons zou kunnen geruststellen, zou nog geen erkentenis van de zonde als zonde zijn. Die de zonde als zonde erkent, moet met het oog op de ontzettende macht, die zij nog altijd over hem uitoefent, met dubbele vrees voor haar terugschrikken. Johannes heeft echter nauwelijks deze bewering neergeschreven, of het komt hem voor, dat reeds weer een andere beperking nodig is. Het kon namelijk op zo'n wijze worden verstaan, dat daarbij de vrede van het hart met God en de blijdschap in Hem niet bestond. Zo'n opvatting kan hij niet toelaten, daarom voegt hij door de woorden "en als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader" enz. bij die waarschuwing de begrenzing. Hij wil tussen de beide even onomstotelijke waarheden: "de Christen is onvoorwaardelijk van de zonde afgescheiden" en "de Christen is nooit geheel vrij van de zonde", het juiste, heilzame evenwicht herstellen.
De apostel noemt twee wegen, om van de zonde vrij te worden, dat toch tot het gemeenschap hebben met God volgens het vroeger gezegde onvoorwaardelijk nodig is; de eerste is die, dat men geen zonde doet: "opdat u niet zondigt"; vervolgens die, dat men toch plaats hebbende zonden door de vergeving van zich wegdoet. De ene gedachte was geweest, de Christen heeft de heiligende gemeenschap met het licht, uit deze volgt de vermaning: dan moet de zonde bij u ophouden. De tweede gedachte was: de Christen zondigt toch nog; deze geeft de opwekking: zoek vergeving voor de zonde, die heeft plaats gehad! Maar alleen die eerste vermaning zet de apostel voort in deze vorm: "opdat u niet zondigt. " Bij de tweede verandert die in de meer nodige vorm van bemoediging en wordt tot een zelfstandige zin: "en als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. "
"Wij hebben", zegt Johannes en sluit, zo zichzelf ook in onder hen, die de voorspraak nodig hebben; hij plaatst zich op gelijke lijn met de gemeenteleden en deze met zich. Reeds Augustinus heeft opgemerkt, dat hij noch zich noch andere heilige apostelen of andere heiligen van de gemeenten tot voorsprekers stelde, maar Christus als de enige Voorspraak, die allen evenzeer nodig hebben en die allen evenzeer nabij is.
Als de mens zich bewust geworden is van de kloof tussen zichzelf in zijn zonde en nietigheid en de heilige, volkomen God; als het gevoel van scheiding en vervreemding van de heilige God, naar wie iets hogers in hem streeft, hem neer drukt, dan ontstaat in hem de behoefte aan een middel tot het dempen van die kloof. Vandaar in alle godsdiensten de instelling van een priesterschap, de erkenning van middelaars tussen God en de mensen, tot wie zij zich met gebeden wenden, als zij het niet wagen zich onmiddellijk tot God zelf te wenden. En toch is in elke menselijke priesterschap de inwendige tegenspraak, dat zij, die zelf de zonde en de behoefte aan verlossing met alle andere mensen delen, die zelf de bemiddeling nodig hebben, die zij aan anderen moeten geven, als ware dit niet het geval, de overigen bij God moeten vertegenwoordigen. Zo is de onloochenbare behoefte, die aan een priesterschap ten grondslag ligt en tevens het niet bevredigen daarvan een profetie van Hem, die alleen deze behoefte in waarheid kon bevredigen, waardoor de idee van het priesterschap, die in het wezen van de menselijke natuur gegrond is, haar verwezenlijking en tevens het gehele vroegere priesterschap zijn einde vond. Van die zijde wordt Christus in de verhouding tot God en de mensheid in de brief aan de Hebreeën in het bijzonder voorgesteld: Hij is als mens aan de mensen, die zich tot Hem wenden, verwant, heeft hun natuur, alle behoeften van deze, al hun zwakheden, uitgezonderd de zonde, gedeeld, al hun strijd en verzoeking zelf ervaren en Zich in alles betoond de Heilige te zijn. Alleen als de Heilige, in wie het heilige oorspronkelijke beeld van de mensen verwezenlijkt wordt gezien, kan Hij voor de zondaars (hun bede voor God brengend en hen met Zijn voorbede begeleidend) bij de hemelse Vader staan.
Christus is geen dienaar van de zonde. Hij is niet aan het kruis voor zondaren gestorven, opdat zij in de zonde leven, maar opdat zij voor de zonde sterven, maar opdat zij de zonde kruisigen zouden zoals Hij Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid. Het was opdat Hij Zichzelf "een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. " Het doel van de verlossing is heiligmaking. Het karakter van een verloste is een geheiligde. Ongelukkig hij, die het anders begrijpt: zijn onrein hart begrijpt de raad van het heil, begrijpt de weg van de verzoening niet. Als hij zegt: "ik geloof de vergeving van de zonde", het is een woord van de lippen, want hij zegt het zonder dat bewustzijn, waarbij de zonde ons een droefheid en een voorwerp van verfoeiing is: hij zegt het zonder zondebelijdenis, waarbij men zijn zonde aan het oordeel van God overgeeft; hij zegt het zonder kennis van de liefde van God, die hij niet waarderen kan in deze hoogste daad, waardoor zij de zonde veroordeelt en de zondaar behoudt. O gruwel voor de ogen van God en Zijn heilige engelen! O hoon, het kruis van Christus, het hoofd vol bloed en wonden aangedaan! Men zegt: "ik geloof de vergeving van de zonde" en men leeft roekeloos en lichtzinnig, men leeft zonder waken, bidden en strijden in de zonde voort. Treurig zelfbedrog, zonder de troost van het eeuwige leven te bezitten in het hart, weet men nochtans de vrees van de dood en van het oordeel uit zijn gedachten te weren met dat schone lied van de vergeving van de zonden; maar blijft zich weerloos overgeven aan alle besmettingen van het vlees en van de geest, alle verleidingen van de satan, alle verwoesting van de wereld: daarmee te kennen gevend, dat men de zonde noch schandelijk noch gevaarlijk oordeelt, Gods heiligheid niet vreest en omdat men niets zo hoog acht als het geluk van het zondigen aardsen levens, Gods hemel geenszins begeert, ziedaar de weg van duizenden; wat zal het einde zijn? God laat zich niet bespotten. De dag van het oordeel zal het moedwillig zelfbedrog doen ophouden en verschrikkelijk tonen, dat men met zo'n geloof in de vergeving van de zonde verloren gaat. Nee, het echte geloof reinigt het hart, bestrijdt de zonde, waakt tegen haar en bidt. Elke vertroosting, die haar versterkt, wekt de ziel tot meerdere waakzaamheid en tot krachtiger strijden op. De dankpsalm van de schuldverzoenende genade van God, het loflied op het kruis van Golgotha, het zijn in de mond van de oprechte gelovige strijdzangen en wapenkreten tegen wereld en boze! Hoor wat er omgaat in het gelovig legerkamp. Ziet deze oude Johannes, deze krijgsknecht van Christus, met kale schedel en zilveren baard. Voor een mensen leeftijd lag dat hoofd blond en jong, aan de boezem van Zijn Heere. Meer dan vijftig jaren hebben deze vonkelende ogen Hem nagestaard in de hemel. Zo iemand, hij kent de grootheid, de onuitputtelijke grootheid van Zijn genade, de tederheid, de onuitsprekelijke tederheid van de liefde. Hij is de man om treurigen te troosten om neergebogenen te bemoedigen, om zwakken te sterken. Hij doet het. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dus roept hij allen toe: reinig ons van alle zonden. Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeeft. Wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden. Maar daartussen klinkt het ernstig, dringend, biddend: Mijn kindertjes: Ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt! Neem het ter harte, u kindertjes, u jongelingen en u vaders! Elk woord van troost zij u een prikkel tot de strijd! Zo zult u allen van de echtheid, van de oprechtheid van uw geloof verzekeren; zo de laster beschamen, die in de Troost van de genade een dekmantel van slordige zeden bespot: zo met lichaam en geest, die voor God zijn, Hem die u gekocht heeft verheerlijken. Het andere kenteken van het echte, oprechte geloof in de vergeving van de schulden is Christelijke blijmoedigheid. Zij straalt in de hele tekst, die wij bespraken, zij straalt in de hele brief van de apostel van de liefde door. En hoe zou het anders kunnen zijn? Zou u niet blij wezen; o mens, die in het treuren over de zonde zelf een kiem en kern van nieuwe en eeuwige blijdschap heeft leren erkennen? Zou men uw aangezicht niet zien blinken, u die uw zonden heeft beleden met ootmoed en geloof en nu terugkeert van de troon van de genade, waar u geholpen bent ter bekwamer tijd? Zou u uw weg niet met blijdschap reizen, u, die hem reist, ontslagen van het zware pak van de zonde? Wie kan zeggen: "ik geloof de vergeving van de zonde" en het zeggen met een treurig, met een bedenkelijk gelaat? Zeker, hij gelooft niet: "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, heeft mij van alle zonden gereinigd; " de getrouwe en rechtvaardige God heeft mij alles vergeven en gereinigd van alle ongerechtigheden. Waar dit overtuigingen van het hart zijn, kan daar een neergebogen hoofd, een droevig gelaat, kunnen daar slappe handen en trage knieën gevonden; worden? Slechts iets, o Christen! kan u bedroefd maken, het is nieuwe zonde; het is de oude zonde opnieuw. Maar schoon mismoedig, toch wordt u niet moedeloos; toch herstelt zich uw blijdschap, als u na elke overtreding, bij iedere struikeling, die u met schaamte belijdt, dit troostwoord gedenken mag. "Als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige", Jezus Christus, die ook zelf de verzoening voor onze zouden is, die troost, Christenen, hebben wij zeer nodig. Maar wij hebben Hem; Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld. Ook die blijdschap heeft de Christen, ook die blijdschap, hij die in de vergeving van de zonde gelooft. De eeuwige liefde van God is groot en onbeperkt, onbegrensd de waarde en kracht van het zoenoffer van zijn Heere, van dat bloed, dat van alle zonden reinigt. Dit is de blijdschap van het geloof: "Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij. " Dit is de blijdschap van de liefde. "Niet slechts voor mij, maar ook voor anderen, voor velen, voor allen! " Waar deze dubbele blijdschap niet is, daar strijdt het geloof nog niet met het ongeloof. Hoe groter geloof, hoe meer liefde; en hoe meer liefde, hoe meer vreugd. Wat zal de hemel zijn? Johannes weet het, Johannes geniet het. Ja u allen, mijn lezers, zult het weten en genieten, ja u allen! namelijk: als u allen van de eersten tot de laatsten ophoudt u te verleiden, God tot een leugenaar te maken en door liefde tot de duisternis, die in u woont, Gods licht, Gods waarheid, Gods woord van u te weren; als u allen van de eerste tot de laatste komt tot de inwendige kennis van de betekenis, de kracht, de vrucht van die grote en leven gevende belijdenis: Ik geloof de vergeving van de zonde.
Christus heeft door Zijn lijden, Zijn sterven en voorspraak een heilig en rechtvaardig God gunstig jegens zondaars gemaakt, zodat Hij wacht om genadig te zijn. Alle mensen, in elk land en door alle opvolgende geslachten zijn uitgenodigd, om tot God te komen door deze alles voldoende voldoening en door deze nieuwe en levende weg. Allen, die deze uitnodiging aannemen, hebben deel aan Christus en al Zijn rijke zegeningen, als was Hij gestorven aan het kruis voor ieder van hen in het bijzonder. Er is dus de rijkste en heerlijkste aanmoediging voor ieder, die het Evangelie hoort, om boete te doen en redding te zoeken door geloof in het bloed van Christus, maar geen voor iemand, die zonder berouw en ongelovig blijft. Het Evangelie, als het juist verstaan en aangenomen wordt, stelt het hart tegenover alle andere zonden en voorkomt het toegeven aan haar. Terzelfder tijd geeft het de meest gezegende vertroosting aan de gewonde harten van hen, die gezondigd hebben en dit in de hoop op vergeving door onze Voorspraak, Jezus Christus, de Rechtvaardige en Zijn algenoegzame voldoening.