Johannes 21:20-25
In deze verzen hebben wij:
I. Het gesprek van Christus met Petrus betreffende Johannes, den beminden discipel, waarin wij hebben:
1. Den blik, dien Petrus op hem wierp, vers 20. In gehoorzaamheid aan Zijns Meesters bevel is Petrus Hem gevolgd, en zich omkerende, verheugd over de ere, die zijn Meester hem nu aandeed, ziet hij, dat de discipel, dien Jezus liefhad, ook volgde. Merk hier op: a, Hoe Johannes aangeduid wordt. Hij noemt zich niet, denkende dat zijn naam het niet waardig is om in dit gedenkschrift vermeld te worden, maar hij geeft zulk ene beschrijving van zich zelven, dat zij ons duidelijk genoeg zegt, wie bedoeld wordt, en daarbij geeft hij ook de reden waarom hij Christus zo van nabij gevolgd is. Hij was de discipel, dien Jezus liefhad, voor wie Hij ene bijzondere vriendschap koesterde, meer dan voor de anderen, en daarom kunt gij het niet in hem afkeuren, dat hij zoveel mogelijk binnen het bereik van Christus zoekt te wezen, om de genaderijke woorden te kunnen horen, die Hij sprak gedurende de weinige kostbare ogenblikken, waarmee Hij Zijne discipelen nog begunstigde. Het is waarschijnlijk dat er hier melding van wordt gemaakt, dat Johannes op Christus' borst was gevallen, en van zijne vraag naar den verrader, die hij op aandringen van Petrus gedaan heeft, Hoofdstuk 13:24 als ene reden, waarom Petrus de nu volgende vraag deed hem betreffende, teneinde hem voor zijne vroegere vriendelijkheid te belonen. Toen had Johannes de meest bevoorrechte plaats in- genomen, liggende op Christus' borst, en hij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt om aan Petrus een dienst te bewijzen. En nu Petrus op de plaats was van den bevoorrechte, geroepen om ene wandeling met Christus te doen, achtte hij zich verplicht om uit dankbaarheid zulk ene vraag te doen voor Johannes, als waardoor hij dacht aan Johannes genoegen te doen, daar wij allen begerig zijn de dingen te weten, die komen zullen. Als wij iets vermogen voor den troon der genade, dan behoren wij dit aan te wenden ten voordele voor elkaar. Zij, die ons op den enen tijd helpen door hun gebed, moeten op een anderen tijd door het onze voor hen geholpen worden. Dat is de gemeenschap der heiligen.
b. Wat hij deed. Hij heeft Jezus ook gevolgd, waaruit blijkt hoe hij Zijn gezelschap beminde, waar Hij was, daar wilde deze Zijn dienstknecht ook wezen. Toen Christus Petrus riep om Hem te volgen, scheen het, alsof Hij afzonderlijk met hem wilde spreken, maar Johannes had zulk ene genegenheid voor zijn Meester, dat hij liever iets wilde doen, dat onbescheiden scheen te zijn, dan het voorrecht te verliezen van Christus' woorden te horen. Wat Christus tot Petrus zei, nam hij aan, als ook tot hem gezegd, want dat woord van bevel: Volg Mij, was tot al de discipelen gesproken. Hij begeerde ten minste gemeenschap te hebben met hen, die gemeenschap hadden met Christus, en hen te vergezellen, die met Christus gingen. Als een persoon er toe gebracht wordt om Christus te volgen, dan moet dit ook anderen hiertoe opwekken. Trek mij, wij zullen u nalopen, Hooglied 1:4.
c. Hoe Petrus dit opmerkte: zich omkerende, zag hij den discipel. Dit kan beschouwd worden: a. Als een zondig zich laten afleiden van het volgen van zijn'Meester. Daaraan had hij al zijne gedachten, geheel zijn hart moeten geven, en hij had moeten wachten om te horen wat Christus hem nu verder te zeggen zou hebben, maar toen zag hij om, om te zien wie volgde. De vroomste mensen vinden het moeilijk om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden, moeilijk om hun geest zo te bepalen bij de zaak, als zij behoorden te doen in het volgen van Christus. Een onnodig en ontijdig acht slaan op onze broederen leidt ons dikwijls af van onze gemeenschapsoefening met God. Of: b. Als ene lofwaardige, belangstellende zorg voor zijne medediscipelen. De ere, die zijn Meester hem aandeed, door hem van de overigen uit te kiezen, heeft hem niet zulk een gevoel gegeven van boven hen verheven te zijn, dat hij geen vriendelijken blik zou over hebben, voor hem, die volgde. Daden van geloof in Christus moeten gepaard gaan met daden van liefde voor onze broederen.
2. De vraag, die Petrus hem betreffende gedaan heeft, vers 21. Heere! maar wat zal deze? Gij hebt mij gezegd wat mijn werk is-de schapen te weiden, en wat mijn lot zal zijn, om gebracht te worden, waar ik niet wil. Wat nu zal zijn werk en zijn lot wezen?" Nu kan dit genomen worden:
a. als de taal, die belangstellende zorge en vriendelijkheid voor Johannes te kennen geeft: "Heere, Gij betoont mij grote gunst. Hier komt Uw beminde discipel, die nooit, zoals ik, Uwe gunst verbeurd heeft. Hebt G ij hem niets te zeggen? Zult Gij hem niet zeggen, wat zijn werk moet wezen, of op wat wijze hij geëerd moet worden?
b. Of van ongerustheid wegens hetgeen Christus tot hem gezegd had betreffende zijn lijden: "Heere, moet ik alleen gebracht worden, waar ik niet wil? Moet ik afgezonderd, aangewezen worden om terneder geworpen te worden, en moet deze geen deel hebben in het kruis?" Het is moeilijk om er ons mede te verzoenen, dat wij tot lijden zijn afgezonderd, ons te verzoenen met de moei te en het verdriet, dat wij alleen te dragen hebben, zoals wij menen.
c. Of van nieuwsgierigheid, en ene dwaze begeerte om de toekomst te weten betreffende anderen, zowel als betreffende hem zelven. Uit Christus' antwoord blijkt, dat er in de vraag iets was, dat niet goed was. Toen Christus h em de zorge had opgedragen over zulk een schat, en hem kennis had gegeven van zulk ene beproeving, zou het hem wel betaamd hebben te zeggen: "Heere, wat zal ik doen om m ij getrouw te betonen aan zulk ene eervolle opdracht, en in zulk ene beproeving? Heere, vermeerder mij het geloof. Laat mijne sterkte wezen als mijne dagen". Maar in plaats hiervan: a. Schijnt hij meer bekommerd te zijn voor een ander dan voor zich zelven. Zo geneigd zijn wij om ons met anderer zaken te bemoeien, en de belangen van onze eigene ziel te veronachtzamen- .scherpziend naar buiten m aar dof ziende naar binnen -anderen oordelende, en voorspellende wat zij doen zullen, terwijl wij toch genoeg te doen hebben met ons eigen werk te beproeven, en onzen eigen weg te verstaan. b. Hij schijnt zich meer te bekom meren om gebeurtenissen dan om plicht. Johannes was jonger dan Petrus, en, naar den loop der natuur, is het waarschijnlijk, dat hij hem zal overleven. "Heere", zegt hij, "voor welke tijden zal hij bewaard blijven?" Maar als God ons door genade in staat stelt om tot den einde toe te volharden, een goed einde te hebben, en veilig in den hemel te komen, dan behoeven wij niet te vragen: "Wat zal het lot wezen van hen, die na ons komen?" Is het niet wèl, zo vrede en waarheid zijn in mijne dagen? Op de voorzeggingen der Schrift moeten wij acht slaan tot lei ding van onze consciëntie, niet tot bevrediging van onze nieuwsgierigheid.
3. Christus' antwoord op deze vraag, vers 22:Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome en niet zal lijden zoals gij moet lijden-wat gaat het u aan? Doe gij uwen plicht, den plicht van dit ogenblik, volg gij Mij. a. Er schijnt hier ene aanduiding te zijn van Christus' bedoeling met Johannes in twee dingen: a. Dat hij niet, zoals Petrus, een gewelddadigen dood zal sterven, maar op aarde zal blijven, totdat Christus zelf komt, om hem door een natuurlijken dood tot zich in den hemel te halen. De geloofwaardigsten van de oude geschiedschrijvers zeggen ons, dat Johannes de enige was van al de twaalven, die den marteldood niet is gestorven. Hij was dikwijls in gevaar, in banden en ballingschap, maar eindelijk is hij in goeden ouderdom in zijn bed gestorven. Bij den dood komt Christus, om ons ter verantwoording te roepen, en het is van het hoogste belang voor ons om bereid te zijn tegen dat Hij komt. Christus roept wel sommigen van zijne discipelen, om tot den bloede toe te weerstaan, maar niet allen. Hoewel de kroon van het martelaarschap schitterend en eervol is, is zij den beminden discipel toch niet ten dele gevallen. b. Dat hij niet zou sterven voor de komst van Christus om Jeruzalem te verwoesten: zo verstaan sommigen zijn blijven totdat Christus komt. Al de andere apostelen zijn gestorven voordat Jeruzalem verwoest werd, maar Johannes heeft nog vele jaren daarna geleefd. God heeft het wijselijk aldus verordineerd, dat een der apostelen zo lang zou leven, om den canon van het Nieuwe Testament te besluiten, hetgeen Johannes op plechtige wijze gedaan heeft, Openbaring 22:18, en om de bedoeling te voorkomen van den vijand, die onkruid heeft gezaaid, voor nog de dienaren ontslapen zijn. Johannes leefde om nog het hoofd te bieden aan Ebion, en Cerinthus, en andere ketters, die reeds vroeg opstonden, "sprekende verkeerde dingen".
b. Anderen denken, dat het slechts ene bestraffing is van Petrus' nieuwsgierigheid, en dat zijn blijven tot aan Christus, wederkomst slechts de onderstelling is van ene ongerijmdheid: "Waarom vraagt gij naar hetgeen vreemd en verborgen is: Gesteld eens, dat het Mijne bedoeling zou zijn, dat Johannes niet zal sterven, wat gaat u dit aan ? Het is voor u van generlei belang te weten wanneer, of waar, of hoe, Johannes moet sterven. Ik heb u gezegd hoe gij moet sterven, het is u genoeg dit te weten. Volg gij Mij." Het is de wil van Christus, dat Zijne discipelen hun eigen, tegenwoordigen plicht behartigen, en niet nieuwsgierig vragen naar toekomstige gebeurtenissen betreffende hen zelven of anderen. a. Wij zijn zo geneigd om ons te bekommeren over vele dingen, die ons niet aangaan. Het karakter van anderen gaat ons niet aan, het is buiten ons hen te oordelen, Romeinen 14:4. Hoedanigen zij zijn, zegt Paulus, verschilt mij niet. Anderer zaken gaan ons niet aan, wij h ebben er ons niet in te mengen, wij moeten kalm en rustig aan ons werk blijven, en ons met onze eigene zaken bemoeien. De schriftgeleerden en onderzoekers dezer eeuw werpen velerlei nieuwsgierige vragen op betreffende den raad Gods en den staat der onzichtbare wereld, waarvan wij kunnen zeggen: "Wat gaat het ons aan?" Wat denkt gij, dat er van die en die zal worden? is ene gewone vraag, die men dikwijls hoort, en gemakkelijk beantwoord kan worden met de wedervraag: "wat gaat het mij aan?,' Hij staat of hij valt zijn eigen heer. Wat gaat het ons aan de tijden of gelegenheden te weten? De verborgene dingen zijn niet voor ons. b. De grote zaak, die alles in alles voor ons is, is plicht, en niet gebeurtenis, want de plicht is onzer, en de gebeurtenissen zijn Godes-onze eigen plicht, en niet die van een ander, want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen onze tegenwoordige plicht, en niet de plicht van een lateren tijd, want elke dag heeft genoeg aan zijne eigene leiding, De gangen des rechtvaardigen worden door den Heere bestuurd, Psalm 37:23 1). Stap voor stap wordt hij geleid. Geheel onze plicht nu is begrepen in dien enen van Christus te volgen. Wij moeten acht geven op Zijne bewegingen en er ons naar schikken en regelen, Hem volgen om Hem ere te bewijzen, zoals de dienstknecht zijn heer, wij moeten wandelen op den weg, waarop Hij gewandeld heeft, en ons richten naar de plaats, waar Hij is. En als wij trouw en nauwkeurig onzen plicht betrachten van Christus te volgen, dan zullen wij lust noch tijd hebben om ons te bemoeien met hetgeen ons niet aangaat. 4. De vergissing, die uit dit woord van Christus ontstaan is, nl. dat deze discipel niet zou sterven, maar tot aan het einde bij de kerk zou blijven, en de herstelling er van door ene herhaling van Christus' woorden, vers 23. Merk op:
a. Hoe gemakkelijk ene dwaling ontstaan kan in de kerk door de woorden van Christus verkeerd op te vatten of uit te leggen, en van ene onderstelling ene stelling te maken. Omdat Johannes niet als martelaar moest sterven, komen zij tot de gevolgtrekking, dat hij in het geheel niet zal sterven. a. Zij waren geneigd dit te verwachten, omdat zij wel niet anders konden dan het te begeren. Quod volumus facile credimus -Wij geloven gemakkelijk wat wij wensen waar te zijn. Want zij denken, dat het een grote zegen voor de kerk zou wezen, als Johannes, nadat al de anderen heengegaan zouden zijn, in de wereld zou blijven tot aan de wederkomst van Christus, daar de kerk zich dan ten allen tijde tot hem zou kunnen wenden als tot een orakel. Als zij Christus' lichamelijke tegenwoordigheid moeten verliezen, dan hopen zij die van Zijn beminden discipel te hebben, alsof zij het gemis van Zijne tegenwoordigheid zou vergoeden, vergetende, dat de gezegende Geest, de Trooster, dit zal doen. Wij zijn geneigd om al te veel aan mensen en middelen te hechten, aan werktuigen en uitwendige hulpmiddelen, en te denken, dat wij gelukkig zijn, zo wij hen slechts altijd bij ons hebben, terwijl God Zijne arbeiders wil afwisselen, maar toch Zijn werk wil voortzetten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons. Er is gene behoefte aan onsterfelijke Evangeliedienaren om de gidsen der kerk te zijn, zolang zij onder de leiding van den eeuwigen Geest is. b. Zij waren wellicht bevestigd in hun verwachting, toen zij bevonden, dat Johannes al de overige apostelen overleefde. Omdat hij lang leefde, waren zij bereid te denken, dat hij altijd zou leven, terwijl toch hetgeen oud gemaakt en verouderd is, nabij de verdwijning is, Hebreeën 8:13.
c. Maar het ontstond uit een gezegde van Christus, dat verkeerd begrepen werd, en toen tot een gezegde der kerk werd gemaakt. Hieruit leren wij: Ten eerste. De onzekerheid, de onbetrouwbaarheid der menselijke overleveringen, en de dwaasheid van er ons geloof op te gronden. Hier was nu ene overlevering, ene apostolische overlevering, een woord, dat uitging onder de broederen. Zij was vroeg, zij was algemeen, zij was openbaar, en toch was zij onwaar. Hoe weinig kan men dus steunen op de ongeschreven overleveringen, die door het Concilie van Trente verklaard werden met even vromen eerbied en genegenheid ontvangen te moeten worden, als die wij aan de Heilige Schrift verschuldigd zijn. Hier was ene traditionele verklaring ener Schriftuurplaats. Er werd geen nieuw gezegde van Christus aangevoerd, maar slechts ene uitlegging gegeven door de broederen van hetgeen Hij werkelijk gezegd heeft, en toch was het ene misduiding, ene verkeerde uitlegging. Laat de Schrift zich zelf verklaren, gelijk zij in grote mate zich zelf bewijst, want de Schrift is licht. Ten tweede. Hoe de mens er licht toe komt om aan de woorden van Christus ene verkeerde uitlegging te geven. De grootste dwalingen hebben zich soms voorgedaan onder den schijn van onbetwistbare waarheden, en zo zijn door de ongeleerden en onvasten de Schriften zelven verwrongen geworden. Het moet ons niet bevreemden, als wij de woorden van Christus verkeerd horen uitleggen, ze horen aanhalen om de dwalingen van den antichrist en de onbeschaamde leer van de transsubstantiatie-bij voorbeeld-te begunstigen, waarbij zij voorgeven zich te gronden op het gezegende woord van Christus: dit is Mijn lichaam.
b. Zulke vergissingen worden gemakkelijk hersteld, als men zich houdt aan het woord van Christus. Zo verbetert de evangelist hier dat woord onder de broederen door de eigen woorden van Christus te herhalen. Hij heeft niet gezegd, dat deze discipel niet zou sterven. Laten wij het dan ook niet zeggen, maar Hij heeft gezegd: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Dat zei Hij, en niets meer. Doet gij lieden dan niet toe aan Zijne woorden. Laten de woorden van Christus voor zich zelven spreken, en laat er geen zin of betekenis in gelegd worden, dan die wezenlijk en natuurlijk is, en laat ons hierin overeenkomen. Het beste einde aan de twistgesprekken der mensen zou wezen om zich aan de bepaalde woorden der Schrift te houden, en overeenkomstig dat woord te spreken, zowel als te denken, Jesaja 8:20. De taal der Schrift is het veiligste en meest geschiktste voertuig van de waarheid der Schrift, woorden, die de Heilige Geest leert, 1 Corinthiërs 2:13. Gelijk de Schrift zelf, als er behoorlijk acht op wordt gegeven, het beste wapen is om alle gevaarlijke dwalingen te wonden, (waarom ook deïsten, Socinianen, papisten en dwepers al hun best doen om afbreuk te doen aan het gezag der Schrift) zo is ook de Schrift, als men er zich ootmoedig aan onderwerpt, de beste zalve om de wonden te helen, welke gemaakt worden door verschillende wijzen van uitdrukking betreffende dezelfde waarheden. Zij, die niet overeen kunnen komen omtrent de termen voor logica en fysica, en voor de toepassing er van, kunnen overeenkomen voor de dezelfde termen der Schrift, en dan kunnen zij overeenkomen om elkaar lief te hebben.
II. Wij hebben hier het slot van dit Evangelie, en daarmee van de Evangeliegeschiedenis, vers 24, 25. Deze evangelist eindigt niet zo plotseling als de drie anderen, maar met een soort van cadans.
1. Dit Evangelie besluit met een bericht omtrent den schrijver er van, door een voegzamen overgang verbonden aan hetgeen vooraf is gegaan, vers 24:Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt voor den tegenwoordigen tijd, en deze dingen geschreven heeft ten nutte van het nageslacht, namelijk dezelfde, omtrent wie Petrus dat gesprek had met zijn Meester, dat in de vorige verzen is meegedeeld-Johannes, de apostel. Merk hier op:
a. Zij, die de geschiedenis van Christus geschreven hebben, hebben zich niet geschaamd om haar onder hun naam te schrijven. Eigenlijk ondertekent Johannes haar hier met zijn naam. Gelijk wij er zeker van zijn wie de auteur was van de eerste vijf boeken van het Oude Testament, die de grondslag waren van die openbaring, zo zijn wij er ook zeker van wie de schrijvers zijn van de vier Evangeliën en de Handelingen, den Pentateuch van het Nieuwe Testament. Het verhaal van Christus' leven en dood is niet een bericht van-wij weten niet wie, maar het was opgesteld door mannen van bekende oprechtheid, die bereid waren het niet slechts onder ede te bevestigen, maar wat meer is, het te bezegelen met hun bloed.
b. Zij, die de geschiedenis van Christus hebben geschreven, schreven haar naar hun eigene kennis, niet naar horen zeggen, zij verhaalden hetgeen waarvan zij zelven oor- en ooggetuigen zijn geweest. De schrijver van deze geschiedenis was een discipel, een, die aan Christus' borst had gelegen, die zelf Zijne redenen en Zijne gesprekken had gehoord, Zijne wonderen had gezien en de bewijzen van Zijne opstanding. Deze is het, die getuigt van hetgeen, waarvan hij wèl verzekerd was.
c. Gelijk zij, die de geschiedenis van Christus schreven, getuigden wat zij gezien hadden, zo hebben zij geschreven wat zij eerst hebben getuigd. Het werd verkondigd, alom bekend gemaakt, door het gesproken woord, met de grootste verzekerdheid. voordat het te boek werd gesteld. Zij getuigden het op den kansel, getuigden het voor den rechterstoel, zij hebben het plechtig betuigd en verzekerd: zij hebben het standvastig beleden, niet als reizigers, die een bericht geven van hun reizen, om het gezelschap te vermaken, maar zoals beëdigde getuigen een bericht geven van hetgeen zij van ene zaak van groot gewicht en belang weten, met de uiterste voorzichtigheid en nauwkeurigheid, waarop ene uitspraak of beslissing gegrond wordt. Wat zij schreven, schreven zij als ene beëdigde verklaring, waarbij zij wilden blijven. Hun geschriften staan als getuigenissen in de wereld van de waarheid van Christus' leer, en zij zullen voor of tegen ons getuigen, al naar wij ze ontvangen of niet ontvangen.
d. Het was genadiglijk verordineerd ter ondersteuning en tot welzijn van de kerk, dat de geschiedenis van Christus te boek gesteld zou worden, opdat zij met te groter zekerheid en volledigheid overal heen verbreid zou worden en de eeuwen zou verduren.
2. Het besluit met een getuigenis der waarheid van hetgeen hier verhaald wordt: wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is. Dit kan genomen worden:
a. Als een uitdrukken, of te kennen geven, van het gezond verstand der mensheid ten opzichte van zaken van dien aard, waardoor het getuigenis van iemand, die een ooggetuige is, en een vlekkeloos karakter heeft, plechtig verklaart wat hij gezien heeft, en het tot groter zekerheid in geschrift brengt, onbetwistbaar geacht wordt. Wij weten, dat is: de gehele wereld weet, dat het getuigenis van zo iemand geldig is, en de gans gewone goede trouw onder de mensen eist, dat wij er geloof aan slaan, tenzij wij in staat zijn het te wederleggen, en ook voor andere zaken zullen op zodanige getuigenissen ene beslissing, of ene uitspraak gegrond worden. De waarheid van het Evangelie wordt bevestigd door alle bewijzen, die wij redelijkerwijs voor ene zaak van zulk een aard kunnen begeren of verwachten. Het feit, dat Jezus zulke leerstellingen gepredikt, zulke wonderen gewrocht heeft, en dat Hij van de doden is opgestaan, is bewezen, zonder dat het tegengesproken kan worden, door zulke bewijzen, als ook in andere gevallen altijd worden toegelaten, en dus voor ieder onpartijdige overtuigend zijn, en laat dan nu de leer zich zelven aanbevelen, en laten de wonderen bewijzen, dat zij uit God is. Of:
b. Als uitdrukkende de overtuiging van de kerken van dien tijd, van de waarheid van hetgeen hier verhaald wordt. Sommigen houden het voor ene onderschrijving van dit verhaal door de kerk van Efeziërs, anderen door de engelen, of opzieners der Aziatische gemeenten. Niet alsof een door Gods Geest ingegeven geschrift een getuigen is van mensen, nodig heeft, of daardoor meerdere geloofwaardigheid zou verkrijgen, maar hiermede bevelen zij het in de opmerkzaamheid der kerken, als een door Gods Geest ingegeven geschrift, en verklaren zij het genoegen, dat zij er zelven door ontvangen hebben. Of:
c. Als uitdrukkende des evangelist's eigene verzekering van de waarheid van hetgeen hij schreef, zoals in Hoofdstuk 19:35, hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is. Hij spreekt van zich zelven in het meervoud, niet als vorm van majesteit, maar van bescheidenheid. zoals 1 Johannes 1. Hetgeen wij gezien hebben, en 2 Petrus 1:16. De evangelisten zelven waren volkomen overtuigd van de waarheid van hetgeen zij getuigd en ons overgeleverd hebben. Zij eisen niet, dat wij zullen geloven wat zij zelven niet hebben geloofd, neen, zij weten, dat hun getuigenis waar is, want zij hebben er dit leven en het toekomende leven op gewaagd, zij hebben er dit leven voor overgegeven, rekenende voor het toekomende op de geloofwaardigheid van hetgeen zij gesproken en geschreven hebben.
3. Hij besluit met een: en zo voorts, ene verwijzing naar de vele andere dingen, zeer gedenkwaardige dingen, gezegd en gedaan door onzen Heere Jezus. die wel bekend waren bij velen, die toen leefden, maar niet geschikt werden geoordeeld om voor het nageslacht te boek gesteld te worden, vers 25. Er waren vele dingen, zeer merkwaardig en zeer nuttig, die, indien zij uitvoerig beschreven zouden worden met de omstandigheden, waarmee zij gepaard gingen, de wereld zelf, dat is: alle boekerijen der wereld, de boeken niet zou kunnen bevatten, die geschreven zouden kunnen worden. Aldus eindigt hij, als een redenaar, zoals Paulus, Hebreeën 11:32, Wat zal Ik nog meer zeggen, want de tijd zal mij ontbreken. Indien gevraagd wordt, waarom de Evangeliën niet uitgebreider zijn, waarom de Nieuw-Testamentische geschiedenis niet even uitvoerig en lang is als de Oud- Testamentische, dan kan geantwoord worden:
a. Dat dit niet was, omdat zij hun onderwerp, als het ware, hadden uitgeput, zodat er niets meer van te zeggen of te schrijven was, dat der moeite waard zou zijn. Neen, er waren nog vele woorden van Christus, en nog velen van Zijne daden, die door geen der evangelisten zijn vermeld, maar toch waardig zijn om met letters van goud te worden geschreven. Want: a. Alles wat Christus gezegd en gedaan heeft, was waardig om door ons opgemerkt te worden, en wel geschikt om nuttig te zijn en goeds teweeg te brengen. Nooit heeft Hij een ijdel woord gesproken, of iets onbeduidends gedaan, nooit heeft Hij iets gezegd of gedaan, dat nietig of beuzelachtig was, hetgeen meer is dan van de beste en wijste der mensen gezegd kan worden. b. Zijne wonderen waren menigvuldig, en van velerlei aard, en dezelfden dikwijls herhaald als de gelegenheid er zich toe aanbood. Hoewel een wezenlijk wonder wellicht een genoegzaam bewijs is van ene Goddelijke zending, heeft toch de herhaling der wonderen op zeer veel verschillende personen, in zeer veel verschillende toestanden en in tegenwoordigheid van zeer vele en zeer verschillende getuigen er veel toe bijgedragen om te bewijzen, dat het wezenlijke wonderen geweest zijn. Elk nieuw wonder maakte het bericht van het vorige des te meer geloofwaardig, en de grote menigte er van maakt het bericht van allen onbetwistbaar.
c. Bij verschillende gelegenheden gaven de evangelisten een algemeen bericht van Christus' prediking en wonderen, waarin ook vele bijzonderheden vervat waren, zoals Mattheus 4:23, 24, 9:35, 11:1, 14:14. 36, 15:30, 19:2, en nog vele anderen. Als wij spreken van Christus, dan hebben wij een rui m, veelomvattend onderwerp voor ons, de werkelijkheid overtreft het bericht, en dan is ons, met dat al, "de helft nog niet aangezegd." Paulus haalt een van Christus' woorden aan, dat door geen der evangelisten is vermeld, Handelingen 20:35, en ongetwijfeld waren er nog veel meer. Al Zijne woorden, of gezegden waren zinrijke spreuken.
b. Maar het was om deze drie redenenen: a. Omdat het niet nodig was meer te schrijven. Dit wordt hier te kennen gegeven. Er waren vele andere dingen, die niet geschreven werden, omdat het niet nodig was ze te schrijven. Wat geschreven is, is ene voldoende openbaring van de leer van Christus en het bewijs er van, en het overige had slechts dezelfde strekking. Zij die hieraan een argument ontlenen tegen de genoegzaamheid der Schrift als regel voor ons geloof en onzen wandel, en voor de noodzakelijkheid van ongeschreven overleveringen, behoorden aan te tonen wat er in hun overlevering is, dat het geschreven woord vervolledigt, wij zijn er van overtuigd, dat er in is wat het weerspreekt, en daarom verwerpen wij haar. Laat ons dan hierdoor gewaarschuwd zijn, dat van vele boeken te maken geen einde is, Prediker 12:12. Indien wij hetgeen geschreven is niet geloven en benuttigen, dan zouden wij het ook niet doen, als er nog veel meer was. b. Het was niet mogelijk alles te schrijven. Het was den Geest mogelijk alles in te geven, maar zedelijk onmogelijk voor de schrijvers om het alles te boek te stellen. De wereld zou de geschrevene boeken niet bevatten. Het is ene hyperbool, of overdrevene zegswijze, die zeer algemeen, en hier wel te rechtvaardigen is, wanneer alleen bedoeld wordt, dat het een ongelooflijk groot aantal boekdelen zou vullen. Het zou zulk ene grote, uitgebreide geschiedenis worden, als er nooit geweest is. Zij zou alle andere geschriften verdringen, en er ons gene plaats voor laten. Hoeveel boekdelen zouden niet gevuld zijn met Christus' gebeden, als zij ons allen meegedeeld waren, die Hij opzond. als Hij den gehelen nacht overbleef in gebed tot God, zonder dat daarbij ijdele herhalingen waren! En nog veel meer, indien al Zijne leerredenen, en Zijne gesprekken in bijzonderheden waren meegedeeld, Zijne wonderen, Zijne genezingen, al Zijne werken en al Zijn lijden, het zou eindeloos geworden zijn.
c. Het was niet raadzaam veel te schrijven, want de wereld zou-in zedelijken zin-de geschreven boeken niet bevatten. Christus zei niet aan Zijne discipelen, wat Hij hun had kunnen zeggen, omdat zij het niet konden dragen, en om diezelfde reden hebben de evangelisten niet geschreven wat zij hadden kunnen schrijven. De wereld zou niet bevatten -choorêsai. Het is hetzelfde woord, dat gebruikt is in Hoofdstuk 8:37, Mijn woord heeft in u gene plaats. Er zouden zo velen geweest zijn, dat er gene plaats voor was. Al de tijd der mensen zou besteed zijn geworden in lezen, en daardoor zouden andere plichten verdrongen zijn. Veel van hetgeen geschreven is wordt voorbijgezien, veel wordt vergeten, en veel wordt stof tot twistige samensprekingen. Dat zou nog veel meer het geval geweest zijn, indien er zulk ene wereld van boeken van gelijk gezag en gelijke noodzakelijkheid was geweest, als waartoe die ganse geschiedenis zich uitgebreid zou hebben, inzonderheid wijl het een vereiste was, dat het geschrevene bepeinsd en verklaard zou worden, waarvoor God in Zijne wijsheid het voegzaam geoordeeld heeft, om plaats te laten. Als ouders en leraren onderwijs geven, moeten zij acht geven op de bekwaamheid en vatbaarheid van hen, die zij onderwijzen, en, evenals Jakob moeten zij zich hoeden voor afdrijven, Genesis 33:13. Laat ons dankbaar wezen voor de boeken, die geschreven zijn, en ze, om hun eenvoudigheid en beknoptheid. niet minder waarderen, maar een naarstig gebruik maken van hetgeen God voegzaam geoordeeld heeft te openbaren, en er naar verlangen om Boven te zijn, waar onze vermogens zo verruimd zullen wezen, dat er geen gevaar meer is van ze te overladen. Besluitende met Amen plaatst de evangelist zijn zegel op het werk. Laten wij ons Amen als ons zegel er naast zetten, waardoor wij instemmen met het Evangelie, en ons geloof te kennen geven, dat het waar, geheel en al waar, is, een Amen van voldoening met het geschrevene, als ons wijs kunnende maken tot zaligheid.
Amen, zo zij het.