Handelingen 1:15-26
De zonde van Judas strekte niet alleen tot zijne eigene schande en verderf, maar zij deed ook ene ledige plaats ontstaan in het college der apostelen. Er waren twaalf verordineerd, naar de twaalf stammen Israël's, die van de twaalf patriarchen afstamden, zij zijn de twaalfsterren, die de kroon uitmaken der kerk, Openbaring 12:1, en voor hen zijn twaalf tronen bestemd, Mattheus 19:28. Zij waren dus twaalf, toen zij leerlingen waren, indien zij nu slechts elf zijn, als zij leraren moeten wezen, dan zou dit ene aanleiding wezen voor iedereen om te vragen, wat er van den twaalfde geworden was, en zo zou de herinnering aan de ergernis in hun gezelschap opgewekt worden, daarom moest nog voor de nederdaling des Geestes gezorgd worden, dat de ledige plaats aangevuld werd, en daarvan hebben wij nu het bericht. Waarschijnlijk heeft onze Heere Jezus, onder de andere dingen, die het koninkrijk Gods aangaan, ook hieromtrent aanwijzingen gegeven. Merk op:
I. De personen, die bij deze handeling betrokken waren.
1. Er was ene schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen. Dat was het getal der namen, dat is: der personen. Sommigen denken, dat dit alleen mannen waren, onderscheiden van de vrouwen. Dr. Lightfoot berekent, dat de elf apostelen, de zeventig discipelen. en ongeveer negen en dertig anderen, allen van Christus' maagschap en Zijne landgenoten, dit getal van honderd en twintig vormden, en dat dezen ene soort van synode waren, of vergadering van leraren, ene permanente kerkvergadering, welke bijeenbleef, totdat de vervolging bij den dood van Stefanus hare leden verstrooide, behalve de apostelen, Hoofdstuk 8:1. Maar hij denkt, dat er, behalve dezen, toen nog vele honderden, indien niet duizenden, te Jeruzalem waren, die geloofden, en wij hebben ook gelezen van velen, die aldaar in Hem geloofden, maar Hem niet durfden belijden, en daarom kan ik zijn gevoelen niet delen, dat dezen zich nu tot bepaalde verenigingen hadden gevormd voor de prediking des woords en andere Godsdienstige handelingen, of dat er iets van dien aard geweest is voor de uitstorting des Geestes, en de bekeringen, die in het volgende hoofdstuk vermeld zijn. Hier was het begin der Christelijke kerk: deze honderd en twintig waren het mostaardzaad, dat tot een boom is opgegroeid, de zuurdesem, die het gehele deeg doorzuurde.
2. De spreker was Petrus, die altijd de ijverigste is geweest, en dit nog was, en van zijn' ijver en voortvarendheid wordt notitie genomen, om te tonen, dat hij den grond, dien hij door zijne verloochening van zijn Meester had verloren, volkomen herwonnen had. Petrus, bestemd zijnde om de apostel der besnijdenis te wezen, blijft op den voorgrond, zolang de gewijde geschiedenis bij de Joden verwijlt, gelijk zij later, als zij van de Heidenen zal spreken, bij de geschiedenis van Paulus zal blijven.
II. Het voorstel van Petrus om een anderen apostel te verkiezen. Hij stond op in het midden der discipelen, vers 15. Hij zat niet neer, als iemand, die de wet voorschrijft. of de oppermacht had over de anderen, maar hij stond op, als iemand, die slechts een voorstel wilde doen, waardoor hij eerbied betoonde voor zijne broederen, staande, terwijl hij tot hen sprak. Nu kunnen wij in zijne rede letten op:
1. Zijne mededeling van de ledige plaats, ontstaan door den dood van Judas, waarin hij zeer uitvoerig en nauwkeurig is, en waarbij hij, zoals het betaamde aan iemand, op wie Christus geblazen had, wijst op de vervulling der Schrift in deze zaak. Hier is: A. De macht, waartoe Judas bevorderd was, vers 17 :Hij was met ons gerekend. en had het lot dezer bediening verkregen, waarmee wij bekleed zijn. Velen zijn gerekend met de heiligen in deze wereld, die niet onder hen gevonden zullen worden op den dag, wanneer het kostelijke van het snode zal uitgetrokken worden. Wat zal het ons baten aan het getal der Christenen toegevoegd te worden, als wij niet delen in den geest en den aard van Christenen? Dat Judas het lot dezer bediening verkregen had, was slechts ene verzwaring van zijne zonde en zijn verderf, zoals het dit ook wezen zal van hen, die in Christus' naam hebben geprofeteerd, en toch werkers der ongerechtigheid zijn geweest.
B. De zonde van Judas, niettegenstaande zijne bevordering tot die eer. Hij is de leidsman geweest dergenen, die Jezus vingen. Hij heeft niet slechts aan de vervolgers van Christus bericht, waar zij Hem konden vinden (dat zij zeer goed gekund hadden, al was hij buiten het gezicht gebleven) maar hij had de onbeschaamdheid om openlijk te verschijnen aan het hoofd der bende, die Hem grepen. Hij ging hen voor naar de plaats, en, alsof hij trots was op de eer, gaf hij het woord van bevel: Deze is het, grijpt hem. Aanvoerders, voorgangers in de zonde, zijn de ergsten der zondaren, inzonderheid indien zij, die door hun ambt leidslieden behoorden te wezen van de vrienden van Christus, de leidslieden Zijner vijanden zijn.
C. Het verderf van Judas door deze zonde. Bemerkende, dat de overpriesters het op het leven toelegden van Christus en Zijne discipelen, dacht hij het zijne te redden door tot hen over te lopen, en dat niet alleen, maar aanzien en bezittingen onder hen te verkrijgen, waarvan het loon voor zijne diensten, naar hij hoopte, nog slechts een onderpand of handgeld was, maar zie, waar het op uitliep. Ten eerste. Hij heeft op schandelijke wijze zijn geld verloren, vers 18. Hij heeft verworven een akker-met de dertig zilveren penningen-die het loon der ongerechtigheid waren. Hij heeft den akker niet gekocht, maar door het loon der ongerechtigheid werd die akker verworven, en dit is zeer sierlijk aldus uitgedrukt ter bespotting van zijne plannen om zich door zijn verraad te verrijken. Hij dacht een akker voor zich gekocht te hebben, zoals Gehazi met hetgeen hij door ene leugen van Naäman, verkregen had, 2 Koningen 5:26, maar het bleek de aankoop te wezen van een akker om vreemdelingen er in te begraven, en welk goed heeft dit nu aan hem of aan iemand anders gedaan? Het was voor hem de mammon der ongerechtigheid, hij werd er door teleurgesteld en bedrogen, en het loon zijner ongerechtigheid was de aanstoot zijner ongerechtigheid. Ten tweede. Hij heeft op nog schandelijker wijze zijn leven verloren. Er is ons meegedeeld, Mattheus 27:5, dat hij vertrok in wanhoop, en verstikt was (dat, en niets meer, is daar de betekenis van het woord), hier wordt er bijgevoegd (zoals latere geschiedschrijvers bijvoegingen maken aan de verhalen van vroegere geschiedschrijvers), dat hij verworgd zijnde, of verstikt door smart en afgrijzen, voorwaarts overgevallen is, op zijn aangezicht is gevallen (volgens Dr. Hammond) en, deels door het zwellen van zijne eigene borst, en deels door het geweld van den val, is hij midden opgeborsten, zodat al zijne ingewanden zijn uitgestort. Indien de duivel, als hij uitgeworpen was uit een kind, hem scheurde en terneder wierp, en hem schier doodde, zoals wij zien in Markus 9:26 en Lukas 9:42, dan is het niet te verwonderen, dat hij, ten volle bezit hebbende van Judas, hem voorover wierp en hem deed bersten. De verstikking, die Mattheus verhaalt, heeft hem doen opzwellen, totdat hij berstte, hetgeen door Petrus wordt meegedeeld. Zijn bersten ging vergezeld van een groot gedruis, of knal (zegt Dr. Edwards) dat door de buren gehoord werd, en op die wijze is het bekend geworden, vers 19: Al zijne ingewanden zijn uitgestort, Lukas schrijft als medicijnmeester, bedoelende al de ingewanden van de middelste en onderste buikholte. Ontweiding maakt een deel uit van de straf der verraders. Rechtvaardiglijk worden de ingewanden uitgestort, die toegesloten bleven voor den Heere Jezus. En wellicht heeft Christus het oog gehad op het lot van Judas, toen Hij van den bozen dienstknecht zei, dat Hij hem zal afscheiden, of in tweeën houwen.
D. Hoe dit algemeen bekend werd. Het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen. Het was, als het ware, in de nieuwsbladen gekomen, in de gehele stad werd er van gesproken, als van een merkwaardig oordeel Gods over hem, die zijn Meester verried, vers 19. Er werd niet slechts onder de discipelen over gesproken, het was, om zo te zeggen, in ieders mond, en door niemand werd het feit weersproken. Het is bekend geworden, dat is: het is bekend geworden als onbetwistbaar gebeurd. Nu zou men denken, dat het diegenen tot berouw zou hebben opgewekt, die op de ene of andere wijze de hand hebben gehad in het ter dood brengen van Christus, toen zij zagen, dat hij, die er het eerst de hand in gehad heeft, aldus tot een afschrikwekkend voorbeeld was gesteld. Maar hun hart was verhard, en wat hen betreft, wier hart vertederd zou worden, het moest geschieden door het woord door de werking des Geestes. Hier is een bewijs van de algemene bekendheid dezer zaak, de akker, die voor het geld van Judas gekocht werd, werd Akeldama -de akker des bloeds -genoemd, omdat hij gekocht werd voor den prijs des bloeds. En hierdoor werd de schande vereeuwigd, niet alleen van hem, die dat onschuldig, dierbaar bloed verraden en verkocht heeft, maar ook van hen, die het gekocht hadden. Zie, hoe zij het zullen verantwoorden, als God de bloedstortingen zal zoeken.
E. Hoe hierin de Schrift vervuld werd, die er zo duidelijk van gesproken had, dat zij vervuld moest worden, vers 16. Laat niemand hier verbaasd over wezen, of er zich aan stoten, dat dit het einde zou wezen van een der twaalven, want David had niet alleen zijne zonde voorzegd (dat door Christus opgemerkt werd, Johannes 13:18, naar Psalm 41:10, Die mijn brood at, heeft de verzenen tegen Mij grotelijks verheven) maar ook voorzegd had: Ten eerste: Zijne straf, Psalm 69:26, Hun paleis zij verwoest. Deze Psalm verwijst naar den Messias. Er wordt, slechts een paar verzen te voren, in vermeld, dat zij Hem gal tot Zijne spijs hebben gegeven, en dat zij Hem in Zijn dorst edik te drinken hebben gegeven, en daarom moeten de volgende voorzeggingen van de verwoesting van David's vijanden toegepast worden op de vijanden van Christus, en inzonderheid op Judas. Wellicht heeft hij ene woning te Jeruzalem gehad, en is naderhand iedereen bevreesd geweest, om er in te wonen, zodat zij woest gelaten werd. Deze voorzegging heeft dezelfde betekenis als die van Bildad betreffende den boze, dat Zijn vertrouwen zal uit zijne tent uitgerukt worden, en (dat) zulks hem zal doen treden tot den koning der verschrikkingen. Zij zal wonen in zijne tent, waar zij de zijne niet is, zijne woning zal met zwavel overstrooid worden, Job 18:14, 15. Ten tweede. Het stellen van een ander in zijne plaats. "Zijn opzienersambt zal door een ander genomen worden", hetgeen aangehaald is uit Psalm 109:8. Met deze aanhaling heeft Petrus zeer gepast het volgende voorstel ingeleid. Wij moeten een ambt, door God ingesteld, (hetzij een ambt als overheidspersoon, of als leraar der gemeente) niet minder achten wegens de goddeloosheid van iemand, die met zulk een ambt bekleed is, of wegens de smadelijke straf van die goddeloosheid. God zal wegens het zich misdragen van iemand, aan wie zulk een ambt toevertrouwd was, niet toelaten dat Zijne bedoelingen verijdeld worden, of dat Zijn werk ongedaan blijft. Het ongeloof des mensen zal de belofte Gods niet te niet doen. Judas heeft zich verhangen, maar zijn opzienersambt is niet vernietigd. Van zijne woonstede wordt gezegd, dat niemand er in wonen zal, daarvoor zal hij geen erfgenaam hebben, maar dat wordt niet gezegd van zijn opzienersambt, daarin zal hij een opvolger heb- ben. Het is met de ambtsdragers der kerk als met hare leden, indien de natuurlijke takken afgebroken zijn, zullen anderen in derzelver plaats ingeënt worden, Romeinen 11:17. Christus' zaak zal nooit te niet gaan uit gebrek aan getuigen. 2. Zijn voorstel voor de verkiezing van een' anderen apostel, vers 21-22. Merk hier op:
A. Welke hoedanigheid de persoon moet bezitten, om deze ledige plaats in te nemen. Hij moet een van de mannen zijn, van de zeventig discipelen, die met ons omgegaan hebben, ons gedurig hebben vergezeld, al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, predikende en wonderen doende, drie en een half jaar lang beginnende van den doop van Johannes, van welk tijdstip het Evangelie van Christus aanving, tot op den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is. Zij, die naarstig, getrouw en standvastig zijn geweest in de vervulling van hun plicht in een minder aanzienlijke positie, zijn het meest geschikt om tot ene hogere bevorderd te worden, aan hen, die getrouw zijn geweest in het kleine, zal het grotere toevertrouwd worden. En gene anderen moeten als dienstknechten van Christus, predikers van het Evangelie, en bestuurders Zijner kerk gebruikt worden, dan zij, die welbekend zijn met Zijne leer en Zijne daden van het begin tot het einde. Niemand zal een apostel wezen dan wie met de apostelen is omgegaan, en dat wel gestadig, niet wie hen slechts nu en dan heeft bezocht, maar die innig vertrouwelijk met hen bekend was.
B. Tot welk werk hij geroepen wordt, die deze ledige plaats inneemt. Hij moet met ons getuige worden van Zijne opstanding. Hieruit blijkt, dat nog andere discipelen met de elven zijn geweest, toen Christus hun verschenen is, want anders zouden zij niet met hen getuigen kunnen zijn, niet zulke bevoegde getuigen als zij waren, van Zijne opstanding. De grote zaak, die de apostelen voor de wereld hadden te betuigen, was Christus' opstanding, want dat was het grote bewijs, dat Hij de Messias was, en de grond van onze hoop in Hem. Zie waartoe de apostelen verordineerd waren, niet tot ene wereldlijke waardigheid, maar tot de prediking van Christus, en de kracht Zijner opstanding.
III. De benoeming van den persoon, die Judas in het ambt van apostel moest opvolgen.
1. Twee mannen van grote oprechtheid, die bekend waren als standvastige volgers van Christus, werden als kandidaten gesteld voor deze plaats, vers 23. Zij stelden er twee, het waren niet de elven, die ze stelden, zij hebben het niet op zich genomen om te bepalen, wie gesteld zouden worden, maar de honderd en twintig, want tot hen, en niet tot de elven, heeft Petrus zijne rede gericht. De twee die genoemd werden, waren Jozef en Matthias, van wie wij nergens anders gelezen hebben, tenzij deze Jozef dezelfde mocht wezen als Jezus, gezegd Justus, van wie Paulus spreekt, Colossenzen 4:11, en die gezegd wordt uit de besnijdenis te zijn, een geboren Jood, als deze geweest is, en die een medearbeider was met Paulus in het koninkrijk Gods, en ene vertroosting voor hem, en dan moet wel opgemerkt worden, dat hij, hoewel niet tot het apostelschap verheven, daarom toch niet uit de bediening getreden is, maar in ene lagere positie tot groot nut en zegen geweest is, want: Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Sommigen denken, dat deze Jozef dezelfde is, die Joses genaamd wordt, Markus 6:3, de broeder van Jacobus, den kleine, Markus 15:40 en Joses de rechtvaardige genoemd werd, zoals hij Jacobus de rechtvaardige genoemd is. Sommigen verwarren hem met dien Joses. die in Handelingen 4:36 vermeld wordt. Maar deze was van Cyprus, en die was uit Galilea, en om hen van elkaar te onderscheiden, schijnt deze Joses van Cyprus Barnabas genoemd te zijn, een zoon der vertroosting, en de andere Barsabas -een zoon van den eed. Deze twee waren beiden zulke waardige mannen, en zo geschikt voor het ambt, dat zij niet wisten wie van beiden de geschiktste was, maar allen kwamen overeen, dat het een van deze twee moest wezen. Zij hebben niet zich zelven voorgesteld, noch gestreden om die plaats te hebben, maar zij zaten stil en ootmoedig neer, en werden er toe benoemd. 2. Zij hebben in het gebed God om leiding gevraagd, niet wie van de zeventigen, want geen der overigen kon volgens de mening van allen, die tegenwoordig waren, met deze twee in mededinging komen, maar van deze twee, vers 24, 25.
A. Zij doen een beroep op God als den Kenner der harten: Gij, Heere, Gij Kenner der harten van allen, Gij, die de harten kent van allen, beter dan zij zelven hun eigen hart kennen. Als een apostel verkoren moet worden, dan moet hij verkoren worden naar zijn hart, naar zijne gezindheid. En toch heeft Jezus, die het hart kende van alle mensen, tot wijze en heilige doeleinden Judas tot een der twaalven verkoren. In ons bidden voor het welvaren der kerk en hare leraren is het troostrijk voor ons, dat God, tot wie wij bidden, de harten kent van alle mensen, en ze niet slechts onder Zijn oog, maar in Zijne hand heeft, en ze neigt werwaarts Hij wil, ze tot Zijn doeleinde kan bekwaam maken, door hun indien Hij ze niet alzo bevindt, een anderen geest, ene andere gezindheid te geven.
B. Zij begeren te weten, wie van dezen God had verkoren: Heere, wijs ons dit aan, en het is ons genoeg. Het is voegzaam, dat God Zijne eigene dienaren zal kiezen, en zo ver Hij op enigerlei wijze door de beschikkingen Zijner voorzienigheid of de gaven Zijns Geestes toont wie, of wat Hij voor ons heeft verkoren, behoren wij er mede in te stemmen, en ons er naar te voegen.
C. Zij zijn bereid hem, dien God verkoren heeft, als een broeder aan te nemen, want het is hun streven niet om zelven zo veel te meer waardigheid te erlangen, door een ander van die waardigheid buiten te sluiten, zij verlangen iemand te hebben, die het lot dezer bediening en des apostelschaps zal ontvangen, om zich met hen te verenigen in het werk, en met hen te delen in de eer, waarvan Judas afgeweken is door zijn Meester te verlaten en te verraden, afgeweken is van de plaats eens apostels, die hij onwaardig was, om heen te gaan in zijne eigene plaats, de plaats eens verraders, de geschiktste plaats voor hem, niet slechts ene plaats aan de galg, maar in de hel-dat was zijne eigene plaats. Zij die Christus verraden, zullen gelijk zij van de waardigheid vervallen hunner betrekking tot Hem, ook tot ellende vervallen. Er wordt gezegd van Bileam, Numeri 24:25, dat hij wederkeerde tot zijne plaats, dat is, zegt een der rabbijnen, naar de hel. Dr. Whitby haalt het gezegde aan van Ignatius: "Er is voor elke mens idios topos -ene eigene plaats bestemd, hetgeen hetzelfde is als: God zal een iegelijk vergelden naar zijn werk. En onze Heiland heeft gezegd, dat Judas' eigene plaats er zodanig ene is, dat het hem goed ware niet te zijn geboren, Mattheus 26:24.
D. De onzekerheid werd tot beslissing gebracht door het lot, vers 26, dat een beroep is op God, en wettig is, als het gebruikt wordt om tot ene beslissing te komen in zaken, die anders onbeslist zouden blij ven, mits het geschiedt op ene plechtige, Godsdienstige wijze en met gebed, het gebed des geloofs, want het lot wordt in den schoot geworpen, maar het gehele beleid daarvan is van den Heere. Spreuken 16: 33. Matthias is niet geordend door oplegging der handen, zoals dit met de ouderlingen geschiedde, want hij was verkoren door het lot, dat Gods daad was, daarom moet hij, gelijk hij gedoopt moet worden, zo ook geordend worden, door den Heiligen Geest, gelijk zij dit allen, niet lang daarna waren. Aldus is het getal der apostelen aangevuld, zoals later, toen Jacobus, een ander van de twaalven, den marteldood stierf, Paulus tot het apostelschap werd geroepen.