1 Johannes 2:7-11
Het zevende vers kan geacht worden aan te sluiten aan hetgeen onmiddellijk voorafgaat, en dan wordt het wandelen gelijk Christus gewandeld heeft, hier genoemd geen nieuw, maar een oud gebod, en het is dat, hetwelk de apostelen zeker op den voorgrond zouden stellen, overal waar zij het Evangelie van Christus brachten. En het kan ook betrekking hebben op hetgeen de apostel nu gaat zeggen betreffende de wet van broederlijke liefde, dit is hetgeen gij van den beginne gehoord hebt, 3:11, en het oude gebod, 2 Johannes :
5. En nu de apostel zulk een wandel gaat aanbevelen, geeft hij er zelf een voorbeeld van door de liefdevolle benaming: Broeders, gij die mij dierbaar zijt door den band der liefde, welke ik u nu ga voorhouden, en daardoor wordt de broederlijke liefde hun aanbevolen als:
I. Een oud gebod: Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt, vers 7. Het voorschrift der liefde is zo oud als de mensheid, maar het is vatbaar voor verschillende toepassingen, versterkingen en beweegredenen. In den staat der onschuld hadden de mensen, indien die voortgeduurd had, elkaar liefgehad als zijnde van enen bloede, gemaakt om de aarde te bewonen en als zijnde van Gods geslacht en geschapen naar Zijn beeld. In den staat der zonde en na de belofte, moeten zij elkaar liefhebben als staande allen in betrekking tot God hun Maker, en als met elkaar in den bloede verbonden en deelachtig aan dezelfde hoop. Toen de Hebreeën afgezonderd werden, moesten zij elkaar dientengevolge liefhebben, als zijnde het bevoorrechte volk, dat de verbonden en de aanneming had en uit wie de Messias, het hoofd der gemeente zou voortkomen. Die wet van liefde moest met nieuwe verplichtingen aan het nieuwe Israël Gods toevertrouwd worden, aan de gemeente des Evangelies. In zoverre is het een oud gebod. of het woord, dat de kinderen Israël's van den beginne gehoord hebben, vers 7.
II. Een nieuw gebod. Wederom, teneinde u des te meer tot uw verplichting aan te sporen, schrijf ik u een nieuw gebod, de wet van de nieuwe gemeenschap, de Christelijke vereniging, dat in Hem waarachtig was, dat in de eerste plaats waar was in het hoofd der gemeente en Hem betrof, de waarachtigheid waarvan in Hem overvloedig was: Hij had Zijne gemeente lief en gaf Zich zelven voor haar. En het zij (of is) ook waarachtig in u, deze wet is tot op zekere hoogte geschreven in uwe harten, u is geleerd God en elkaar lief te hebben, en zulks omdat, (of voor zoveel als) de duisternis voorbijgegaan is, de duisternis van uw bevooroordeelde, onbekeerde zielen, hetzij gij Joden of heidenen zijt, uw betreurenswaardige onwetendheid omtrent God en Christus is nu voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu, vers 8. Het licht van de Evangelische openbaring heeft met leven en kracht uw harten beschenen, en daardoor hebt gij de uitnemendheid van de Christelijke liefde gezien en de fundamentele verplichting daartoe gevoeld. Hier zien wij dat de grondslagen (en vooral de fundamentele voorschriften) van den Christelijken godsdienst kunnen beschouwd worden als nieuw en als oud beide. De hervormde leer, of de godsdienstleer in de hervormde kerken, is nieuw en oud, nieuw, voorzover zij onderwezen wordt na lange duisternis door het licht der Hervorming, nieuw, nu zij gezuiverd is van de Roomse afgoderijen, maar oud omdat zij reeds is geleerd en gehoord van den beginne. Wij behoren toe te zien dat de genade of deugd, welke waarachtig was in Christus, ook in ons waarachtig zijn, wij moeten gelijkvormig worden aan ons hoofd. Hoe meer onze duisternis voorbijgegaan is en het licht des Evangelies ons beschijnt, des te dieper moet onze onderwerping zijn aan de geboden van onzen Heere, hetzij die oud of nieuw genoemd worden. Het licht moet behoorlijk warmte verspreiden. En dus is hier een andere proef voor ons Christelijk licht. Eerst werd het beproefd door onze gehoorzaamheid aan God, hier door de Christelijke liefde.
1. Hij, dien dat licht en die liefde ontbreken, zegt zonder grond dat hij in het licht is. Die zegt dat hij in het licht is, en zijnen broeder haat, die is in de duisternis totnogtoe, vers 9. Het is betamelijk voor oprechte Christenen te erkennen wat God voor hun zielen gedaan heeft, maar in de zichtbare kerk vindt men dikwijls mensen, die zich meer toe-eigenen dan hun toekomt, dat zijn zij, die zeggen dat zij in het licht zijn, omdat de goddelijke openbaring indruk op hun geest en gemoed gemaakt heeft, en die toch leven in haat en vijandschap tegen hun Christen-broederen. Dezen kunnen niet getroffen worden door het gevoel van de liefde van Christus voor hun broederen, en daarom blijven zij in hun toestand van duister- nis, ongeacht hun beweerde bekering tot den Christelijken godsdienst.
2. Hij, die geleid wordt door deze liefde, ondervindt dat zijn licht goed en echt is, en hij toont het: Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, (die hem liefheeft als zijn broeder in Christus), vers 10. Hij ziet den grondslag en de reden van de Christelijke liefde, hij onderscheidt het gewicht en de waarde van de Christelijke verlossing, hij gevoelt hoe betamelijk het is dat wij hen liefhebben, die Christus heeft liefgehad. En het gevolg daarvan is, dat er gene ergernis in hem is, vers 10, hij wil geen aanstoot, geen struikelblok voor zijn broeder zijn, hij zal er zich nauwgezet voor hoeden dat hij zijn broeder geen aanleiding tot zondigen geeft of hem afleidt van den weg des levens. De Christelijke liefde leert ons de ziel van onzen broeder hoog te schatten en alles te vrezen, wat voor zijn vrede en onschuld schadelijk zou kunnen zijn.
3. De haat is een teken van geestelijke duisternis. Die zijn broeder haat, is in de duisternis, vers 11. Geestelijk licht wordt gegeven door den Geest der genade, en een van de eerstelingen van dien Geest is liefde, hij dus, die bezield is met kwaadaardigheid jegens een Christelijken broeder, moet noodwendig van geestelijk licht verstoken zijn, en wandelt bijgevolg in de duisternis, vers 11. Zijn leven is overeenkomstig een duisteren geest en een duister geweten, en hij weet niet waar hij heengaat, hij ziet niet waarheen die duistere geest hem voert en beseft niet dat hij hem eindelijk in de plaats der buitenste duisternis brengen zal, want de duisternis heeft zijn ogen verblind, vers 11. De duisternis van den toestand der onwedergeborenen, gevoegd bij een boosaardigen geest, is het tegendeel van het licht des levens, waar die duisternis woont zullen de ziel, het oordeel en het geweten verduisterd worden en daardoor den weg naar het hemelse eeuwige leven missen. Hierbij kunnen wij opmerken hoe grondig de apostel nu genezen was van zijn eens zo vurigen en ontvlambaren gemoedsgesteldheid. Er was een tijd geweest, waarop hij vuur van den hemel wilde doen dalen op de arme onwetende Samaritanen, die hen niet wilden ontvangen, Lukas 9:54. Maar de Heere had hem getoond dat hij niet wist van hoedanigen geest hij was, noch waarheen die andere geest hem leidde. Nu had hij meer van den Geest van Christus in zich opgenomen, nu had hij welwillendheid voor allen en liefde voor al de broederen. De Heere Jezus is de grote leermeester der liefde, Zijn school (Zijne gemeente) is de school der liefde. Zijne discipelen zijn leerlingen in de liefde, en Zijn gezin moet een gezin vol liefde zijn.