3. Genade, barmhartigheid, vrede (
1 Timotheus 1:2.
2 Timotheus 1:2 Titus 1:4) zij met jullie, van God, de Vader en van de Heere Jezus Christus, de Zoon van de Vader (
Vers 7,
9. v.
Johannes 1:14.
1 Johannes 2:23;
4:15) in waarheid en liefde, die beide levenselementen van de gelovige Christenen.
Die de waarheid d. i. Christus en Zijn Geest, de verkondiging, die ons deze Waarachtige gebracht heeft en het ongeveinsd geloof, waarin Hij ons tot God wil brengen, heeft erkend, dit alles ook aan anderen weet te proeven lief te hebben, die heeft ook lief omwille van deze waarheid (1 Johannes 5:1 v.), omdat hij ze in anderen vindt en omdat hij de waarheid en de drang van deze bij zich zou uitdoven, als hij zich van zo'n liefde terugtrok. Aan hoeveel en snelle veranderingen alles in de wereld onderworpen is, ziet men vooral ook in de vriendschap van de mensen, waarin het vaak om iets gerings zo geheel anders wordt. Maar wat gegrond is op de waarheid van het Evangelie, wat omwille van Christus en Zijn Vader wordt geleid, en onder de tucht van Zijn waarheid voor eigenbaat en verkeerde bedoelingen wordt bewaard, dat houdt eeuwige duurzaamheid, waarde en vruchtbaarheid. Dat van de apostel tot hiertoe vernederde liefde uit de waarheid is voortgevloeid, wordt nu ook bevestigd in de zegenwens, die hij laat volgen; want het zijn waarachtige goederen, die hij toewenst.
Wat hij toewenst is genade, die onze schuld, barmhartigheid, die onze ellende wegneemt, vrede, waarin genade en barmhartigheid ons brengen. Van God de Vader komt de genade en door Jezus Christus, de Zoon van de Vader, zoals Hij reeds hier, niet zonder oogmerk (tegenover de in Vers 10 genoemde verleiders en dwaalleraars) genoemd wordt, is en wordt zij teweeg gebracht. Genade, barmhartigheid en vrede moeten zijn met hen, die de brief ontvangen "in de waarheid en in de liefde. " Dat zijn de beide vermaningen, die de schrijver in het volgende heeft te geven, dat zij vasthouden aan de liefde en vasthouden aan de waarheid; de woorden wijzen dus op de inhoud van de hele brief.
Is de Christelijke vriendschap een ruime uitstorting van liefde voor de broeder of zuster in de Heere met al wat hem of haar dierbaar is, en in liefderijke gemeenschap met allen, die een hart hebben ontvangen, om door en in Christus de broeders lief te hebben; het is ook een welmenende een hartelijke vriendschap. Dat noem ik hartelijk, wanneer men afwezig en tegenwoordig, wanneer men met een biddend hart, de waarachtige zaligheid van het hart en de hoogste levensvreugd van zijn vrienden behartigt. Wat al hartelijke ontmoetingen op aarde, waarbij aan de ware vrede van het hart niet gedacht wordt; wat al hartelijke brieven, zonder een woord voor de diepste hartsbehoefte; wat al hartelijke vriendschappen levenslang soms, zonder dat er ooit gesproken, eigenlijk echt van hart tot hart gesproken is over hetgeen alleen een ware vriendschap waarborgen zou. Wat al hartelijke gelukwenschingen met goederen, eerbewijzen, omstandigheden, die slechts strekken, om (genoten wordende, zoals zij worden genoten) het hart voor zijn waarachtig geluk te verstompen en meer en meer de ware vrede uit het oog te doen verliezen; wat al hartelijke gelukwensen met wezenlijke zegeningen, zonder dat het hart op die zegeningen als zodanig met ernst gewezen werd. Maar hoort de ouderling tot de uitverkorene Kuria in haar kinderen: Genade, barmhartigheid, vrede zij met jullie van God de Vader en van de Heere Jezus Christus, de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde. Ziedaar andere zegenwensen dan die menig vriend voor zijn vriend in de mond, of in de pen zou durven nemen, uit vrees van belachelijk te zijn, of ook zou mogen nemen uit vrees van godslastering of heiligschennis. Vriendschap van de wereld, waarbij zulke woorden ongepast zijn, hoe ongepast bent u zelf! hoe ongepast in een toestand, waarin de ongelukkige mens geen vrienden nodig heeft dan die hem op de groot en zondaarsvriend wijzen en hetgeen die is en zijn wil en aanbrengt en vermeerdert voor die hem zijn hart overgeeft!
B. Het gedeelte, dat nu volgt, sluit zich aan de woorden van de voorafgaande zegenwens aan "in waarheid en liefde", zonder dat eerst (Vers 3) een "amen" die zegenwens als een afzonderlijk stuk van dit hoofddeel heeft afgescheiden. De apostel betuigt eerst aan de vrouw, aan wie hij schrijft, zijn vreugde daarover, dat hij onder haar kinderen enige gevonden heeft, die in de waarheid wandelen, waarmee het van de Vader van onze Heeren Jezus Christus ontvangen gebod door hen werd vervuld. Daarmee verbindt hij, terwijl hij het oog op de andere kinderen vestigt, die de dwaalleraars van die tijd begunstigen, die Jezus Christus niet als de in het vlees gekomene belijden, de bede aan het gebod te vervullen, dat wij elkaar liefhebben; want met zo'n liefde kon niet samengaan een heulen met de tegenstanders van Christus, en van Zijn gelovigen met hen, die de Christelijke gemeente verwoesten. Hij ontwikkelt het groot gewicht van de zaak, waarover gesproken wordt nog nader en gebiedt nu in meer besliste woorden, dat men zich moet onthouden van alle omgang met die verleidende mensen.