1. Zie, a) hoe heerlijke, wondergrote liefde (
Lukas 1:29 Markus 13:1) ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij eens, als Zijn heilige raad en wil zal worden volbracht, in de volle zin van het woord (
Vers 27) kinderen van God genoemd zouden worden en wij zijn het (in de beste handschriften staat dit "en wij zijn het" erbij). Daarom, omdat wij nu ook reeds werkelijk kinderen van God zijn, kent ons de wereld van de nog ongelovige mensen (
Hoofdstuk 2:16) niet in ons wezen, dat zo geheel van het hun verschilt, omdat zij Hem, de Vader, uit wie wij geboren zijn (
Vers 9), niet kent (
Johannes 14:17;
15:21;
16:3;
17:14,
25a) Johannes 1:12
Het vers staat in nauw verband met het vorige. Het "uit Hem geboren" leidt toch Johannes, omdat Christus, uit Wie wij opnieuw geboren worden, de Zoon van God is, zeer natuurlijk tot de voorstelling van het kindschap van de Christen van God. Terwijl de apostel het begrip "kinderen van God" dadelijk op de voorgrond plaatst, stelt hij hier tevens een thema, dat tweevoudig is en de beide momenten bevat, die inderdaad het voorwerp uitmaken van de beide afdelingen, die nu volgen. "Wij zijn kinderen van God", dat is het eerste punt, dat Johannes in Vers 2 weer woordelijk opneemt en daaruit ontwikkelt, hoe wij in onderscheiding van de wereld ons in hoop op onze toekomstige heerlijkheid moeten reinigen en heilig moeten zijn. "De wereld kent ons niet, dat is het tweede punt, waartoe de apostel in Vers 13 overgaat en nu aanwijst, dat de haat van de wereld ons niet hoeft te verwonderen, omdat de haat in het wezen van de wereld gegrond is, evenals de broederliefde in het wezen van het kindschap van God.
Als Johannes met "ziet" de opmerkzaamheid van de lezers vestigt op het kindschap van God (Johannes 1:29 Markus 13:1), dan doet hij het niet zonder zelf verwonderd te zijn over de heerlijkheid, die hij, zelf een kind van God, heeft ondervonden, waarom hij dienvolgens niet "u" maar "ons" zegt.
In de heerlijkheid van het kindschap van God moeten de lezers zich verdiepen; tot dat doel dient echter nu niet slechts het "ziet"; maar ook het "hoe grote liefde", welke uitdrukking een uitroep van bewondering inleidt. Het is niet de mening, dat er een bijzondere soort van liefde is, die wij in Gods vaderlijke betrekking moeten bewonderen tegenover andere soorten van liefde, maar alleen moet in het algemeen het wonderbare van haar inwendige gesteldheid worden aangewezen. De volle diepte, innigheid, genade van deze kan op dit punt worden gezien. De uitdrukking, waarvan de apostel zich bedient, zegt, dat de volle macht van de goddelijke liefde zich aan ons "ten eigendom gegeven heeft, " die is een geschenk voor ons; niet slechts enkele openbaringen van de liefde van God, maar zij zelf is een gave aan ons. En dat heeft "de Vader" gedaan. Het lag voor de hand, omdat hier van het kindschap van God sprake is, ook dit "Vader" te verklaren van de verhouding van God tot ons en dus op te vatten als "onze Vader". Een nadere overweging leert echter, dat in het gehele Evangelie van Johannes de uitdrukking "Vader", waar deze absoluut van God wordt gebruikt, op de Vader van onze Heere Jezus Christus ziet (Hoofdstuk 2:22) en zo ligt in de uitdrukking een aanwijzing verborgen van de weg, waarop God ons deze liefde heeft geschonken, namelijk als Vader van Jezus Christus door de zending van Zijn Zoon (Johannes 3:16).
"Dat wij kinderen van God genoemd zouden worden, " schrijft de apostel; het is niet genoeg, dat wij kinderen van God worden (Johannes 1:12), maar wij moeten ook met deze naam genoemd worden in het aangezicht van God en van de engelen (Colossenzen 3:3 v.).
De uitdrukking ziet dus op de toekomst, op de volmaking van het kindschap van God in het rijk van de heerlijkheid, waarover de apostel in Vers 2 nader spreekt en daaruit de motieven ontleent voor de heiligmaking, waartoe hij de lezers vermaant. Is nu dit het geval, dan moet er tussen hier en de volgende zin: "daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent", waarmee gedoeld wordt op het kindschap van de Christenen van God, dat reeds nu aanwezig is (vgl. het "wij zijn kinderen van God en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen en waardoor vooraf de stof voor de volgende afdeling (Vers 13) wordt aangewezen, noodzakelijk nog een tussenzin zijn. Dit is inderdaad ook het geval met de woorden "en wij zijn het" (cai esmmen) in bijna alle handschriften en oude vertalingen, zelfs in de Vulgata. Men heeft toch reeds vroegtijdig, zoals dat nu nog door zo vele uitleggers geschiedt, het "genoemd zouden worden" verklaard van het nu reeds aanwezige kindschap en het woord opgevat in de zin: "genoemd worden en zijn". Men hield daarom die toevoeging voor een overbodige inlassing van de afschrijvers, zo bijvoorbeeld Erasmus, naar wiens tweede uitgaaf van het Nieuwe Testament ook Luther vertaald heeft. In onze vertaling had men dus het woord "en wij zijn het" niet achterwege moeten laten.
"Zie hoe grote liefde" Er is iets aandoenlijks in een oud man als Johannes de toon van kalme redenering en vermaning zo op eenmaal te horen vervangen door die van opgetogen verrukking. De patriarch der apostelen voelt zich in de hoogste zin van het woord weer kind, kind van God, zoals de minste van de gelovigen, met wie hij hier op één linie zich stelt en roemt zoals Paulus weleer in de barmhartigheid, die ook hem is overkomen. Als een oud discipel van Christus zo roemt, dat zegt nog meer dan wanneer een pas bekeerde zo spreekt, die nog het vuur van de eerste liefde doortintelt. Voor Johannes zijn die bloesems van het geestelijk leven reeds lang verdord, maar de kostbare vrucht is gerijpt, de gloed van de eerste jeugd is bekoeld, maar de warmte van het geloof is gebleven; hij weet reeds lang in wie hij gelooft, maar voelt dagelijks opnieuw, wat hij aan die Enige heeft en nadat hij reeds een reeks van jaren Gods grote liefde in Christus verkondigd heeft, begint nog de stramme borst van hoger geestdrift te gloren, waar hij op haar rijkdom en haar zegen het oog slaat. "Zie hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft", roept de grijsaard met het kinderhart uit, nog de bewondering niet moe geworden, "dat wij kinderen van God genoemd, tot de hoogste rang verheven en als zodanig erkend zouden worden. " Is het niet een hoorbare weerslag op het woord uit de aanhef van zijn Evangelie: "zo velen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden" en tegelijk het voorspel van die roerende zwanenzang, die later zijn vriend en leerling Polycarpus deed horen: "Zie, ik die Hem nu zesentachtig jaar en nooit heeft Hij mij kwaad gedaan! " Hoe onuitsprekelijk gelukkig is toch die getrouwe discipel van de Heere, maar hoe heerlijk is ook een Evangelie, dat zijn oprechte belijders tot zo'n hoge rang, zo'n heerlijke heilstaat verheft! Een zendeling vertelt ergens, dat toen hij in de vertaling van de schriften van het Nieuwe Verbond aan deze plaats was gekomen en haar aan de Malabaarse onderwijzer, die hem bij die arbeid behulpzaam was, in de pen wilde geven, deze aanvankelijk weigerde, die woorden zó neer te schrijven, daar hij meende, dat dit er toch onmogelijk staan kon en men veeleer moest stellen: "Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat Hij ons vergunnen wil Zijn voeten te kussen. " O, heilige eenvoudigheid, hoe beschaamd uw eerbiedige schroom de koele kalmte van zo menige Christenbelijder, die het meest verbazende kan horen en lezen, als was het de meest gewone zaak van de wereld! Of is zo'n taal geen vernieuwd bewijs, dat het wel echt de Geest van God is, die spreekt in deze heilige bladen en kunt u zich iets hogers en heerlijkers denken, dan in deze weinige woorden is uitgesproken? Maar wie is dan toch die God, die volzalige, die vlekkeloos Heilige, die onuitputtelijk Rijke, die ons, nee, niet tot Zijn dienaren, maar tot Zijn kinderen aanneemt? Wie zijn wij, die uit het stof van de aarde, uit het slijk der zonde, uit de diepte van de dood tot zo'n gadeloze hoogte opgevoerd worden? Dat was de prijs, die de Vader ten offer heeft gebracht om, behoudenis Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, Zijn huis en hart weer te kunnen openstellen voor zo verloren zonen en dochters van Adam, ons het beste kleed weer aan te trekken en ons de ring van het verbond bij vernieuwing aan de vinger te steken? En wat zijn eindelijk de voorrechten, de genietingen, de verwachtingen, hier en hier namaals van dit goddelijk kindschap verbonden? Sinds lang is ons het antwoord op al die vragen bekend; soms zou men bijna wensen, dat het door menigeen minder lang en minder goed was vernomen, of dat nu deze en gene een teug uit de stroom van de vergetelheid drinken kon, eer hij zich telkens, niet eenmaal misschien, aan de frisse stroom van de levende water kwam neerzetten. En toch, welk antwoord op al de herinnerde vragen moet niet telkens weer, als de stem door de echo, door de taal van de aanbidding vervangen worden: "Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft! " Gods kind durft u in de diepste ootmoed u noemen? Maar dan bent u ook Gods gunstgenoot en zo Hij vóór u is, wie of wat zal tegen u wezen? Gods kind, maar dan bent u Gods beelddrager en die aanvankelijk in liefde en heiligheid Gods heerlijk beeld mag vertonen, hoe zou hij Gods vrede niet smaken? Gods kind, maar dan bent u Gods erfgenaam en wat betekent het voorts of de aarde u een stiefmoederlijk deel heeft beschoren, als in de hemel de vaderlijkste aller vaderen u Zijn schatkamer opent en spreekt: "kind, al het Mijne is het uwe! Nee, zelfs de Almacht kon niets hogers verlenen; ongelukkig alleen hij, die de Zoon en dus ook de Vader niet heeft! Bespot ons vrij, oppervlakkige wereld, die de kinderen even weinig kent als de Vader; uw smaad is onze eer daarboven en uw vreugd, wij benijden haar niet, als wij weten, dat God ook tot ons heeft gesproken: "Ik zal u tot een Vader zijn en u zult Mij tot zonen en dochters zijn! "