Colossenzen 2:1-3
Wij kunnen hier zien hoe grote belangstelling Paulus gevoelde voor de Colossenzen en de overige gemeenten, die hij niet persoonlijk kende. De apostel was nooit te Colosse geweest en de gemeente was dus niet door hem gesticht, en toch droeg hij voor haar zo tedere zorg, alsof zij de enige was voor welke hij te arbeiden had, vers 1. Want ik wil dat gij weet hoe groten strijd ik voor u heb en voor degenen, die in Laodicea zijn, en zo velen als mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien.
1. Paulus' belangstelling voor hen was aangegroeid tot strijd. Hij was in zekeren zin in angst en had voortdurend vrees wat er van hen worden zou. Hierin was hij een volgeling van zijn Meester, die ook in vreze was en verhoord werd uit de vrees.
2. Wij kunnen door geloof, hoop en heilige liefde gemeenschap hebben ook met die gemeenten, die wij persoonlijk niet kennen en met welke wij geen omgang hebben. Wij kunnen voor elkaar denken en bidden en belangstelling gevoelen, op den grootsten afstand, en wij mogen hopen hen, die wij in dit vlees niet zien, eens in den hemel te zullen ontmoeten. Maar:
I. Wat is het, dat de apostel voor hen begeert? Dat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, enz., vers 2. Hij verlangde zo sterk naar hun geestelijk welzijn. Hij zegt niet te begeren, dat zij gezond mochten zijn, of voorspoedig, of rijk, of aanzienlijk, maar dat hun harten vertroost mogen worden. De voorspoed van de ziel is de beste voorspoed, en daarnaar moeten wij het meest verlangen voor ons zelven en voor anderen. Wij ontvangen hier ene beschrijving van dezen voorspoed.
1. Wanneer onze kennis groeit tot een verstaan van de verborgenheid van God den Vader, en van Christus. Wanneer wij komen tot duidelijker, dieper, geregelder kennis van de waarheid, zoals die in Jezus is, dan is de ziel voorspoedig. De verborgenheid kennen, hetzij datgene, dat tevoren verzegeld was, maar nu bekend gemaakt werd betreffende den Vader en Christus, hetzij de verborgenheid, waarvan hij reeds gesproken heeft, van de roeping der heidenen tot de gemeente, die de Vader en Christus in het Evangelie geopenbaard hebben. En niet alleen, dat wij er over spreken kunnen als een les, zoals men in den catechismus het geleerd heeft, maar dat wij er ingeleid zijn en de bedoeling er van hebben ondervonden. Daar moeten wij naar trachten, dat is de voorspoed onzer ziel.
2. Wanneer ons geloof aangroeit tot volle verzekerdheid en vrijmoedige erkenning van deze verborgenheid.
A. Tot volle verzekerdheid, of wèl-gegrond oordeel uit eigen ondervinding, over de grote waarheden des Evangelies, zonder ze te betwijfelen of er in te wankelen, maar ze omhelzende met de grootste voldoening, als een getrouw woord en aller aanneming waardig.
B. Wanneer het komt tot vrijmoedige belijdenis, en wij niet enkel met het hart geloven, maar ook bereid zijn, indien wij daartoe geroepen worden, met den mond te belijden, en ons onzen Meester en onzen heiligen godsdienst niet schamen onder de dreigingen en gewelddadigheden der vijanden. Dat wordt genoemd allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands. Grote kennis en sterk geloof maken een ziel rijk. Dat is rijk zijn naar God, rijk in geloof, en den waren rijkdom bezitten, Lukas 12:21, 16:11, Jakobus 2:5. 3. Het bestaat in een overvloedige vertroosting van de ziel. Dat uwe harten vertroost mogen worden. De ziel is voorspoedig wanneer zij vervuld is met blijdschap en vrede, Romeinen 15:13, en bezit dan ene voldoening, die door alle moeilijkheden niet kan verstoord worden, zij kan zich dan verheugen in den Heere als alle andere vertroosting ontbreekt, Habakuk 3:17, 18.
4. Hoe meer wij innige gemeenschap hebben met onze mede-Christenen, des te meer is de ziel voorspoedig. Samengevoegd in de liefde. Heilige liefde verbindt de harten der Christenen aan elkaar, en geloof en liefde beide dragen bij tot onze vertroosting. Hoe sterker ons geloof is en hoe warmer onze liefde, des te groter zal onze vertroosting zijn. Gelegenheid hebbende om Christus te noemen, maakt de apostel naar zijne gewoonte ene opmerking tot diens eer: In wie al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, vers 3. Hij heeft gezegd, 1:19, dat in Hem al de volheid woont, hier noemt hij bepaald de schatten van wijsheid en kennis. Hij is vol wijsheid, want Hij heeft ons den wil van God jegens de mensheid ten volle geopenbaard. De schatten van wijsheid zijn voor ons niet verborgen, maar zijn voor ons in Christus verkrijgbaar. Zij, die wijsheid en kennis begeren, mogen er Christus om vragen. Wij moeten gebruik maken van den voorraad, die voor ons in Hem opgelegd is, en genieten van de schatten, die in Hem verborgen zijn. Hij is de wijsheid Gods en door God voor ons tot wijsheid gemaakt, 1 Corinthiërs 1:24, 30.
II. Hij herhaalt de betuiging van zijn belangstelling voor hen in vers 5. Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe ordening en de vastigheid van uw geloof in Christus.
1. Wij kunnen in den geest zijn bij de gemeenten en Christenen, van welke wij in het vlees afwezig zijn: want de gemeenschap der heiligen is iets geestelijks. Paulus had omtrent de Colossenzen gehoord, dat zij goed geordend waren, en ofschoon hij hen nimmer gezien had, was hij toch bij hen tegenwoordig, hij zegt hun dat hij zich gemakkelijk in hun midden denken kan en met blijdschap hun goed gedrag ziet.
2. De ordening en standvastigheid der Christenen zijn verblijdend voor de dienaren, zij verheugen zich wanneer zij hun ordening zien, en hun standvastigheid in het Christelijk geloof mogen opmerken.
3. Hoe standvastiger ons geloof in Christus is, des te beter ordening zal er zijn in ons gehele gedrag, want wij leven en wandelen door het geloof, 2 Corinthiërs 5:7, Hebreeën 10:38.