2. Want het leven, Hij, in wie het leven was (
Johannes 1:4), is, toen de tijd vervuld was, vlees geworden (Hoofdstuk 4:
2 Johannes 1:14) en zo geopenbaard. Hij heeft Zijn wezen van alle zijden in het licht gesteld en wij hebben het, in onderscheiding van hen, die het niet aannamen (
Johannes 1:11) gezien (
Johannes 1:12 v.) en wij getuigen van Hem, zoals wij daartoe zijn geroepen (
Johannes 15:27. 19:35) en verkondigen jullie, die door ons woord tot het geloof moet komen (
Johannes 17:20) die grond en die bron van alle waarachtig leven, dat in de wereld was, dat eeuwige leven (
Johannes 5:26), dat bij de Vader was en ons in Zijn heerlijkheid (
Johannes 1:14) is geopenbaard, om in de plaats van de dood, die de wereld is ingedrongen, ons een nieuw leven te schenken.
Omdat Johannes zo straks (Hoofdstuk 1:8-10) alle mensen als zondaars voor God heeft verklaard, zo moet dit houden van de geboden geen volkomen vervulling van de wet te kennen geven, waarvan nergens een voorbeeld te vinden is, maar dat men, zo veel menselijke zwakheid gedoogt, zijn hele leven weet te besteden in de gehoorzaamheid aan God.
Johannes wist, dat Jezus de oorsprong van alle natuurlijk leven was; dat zonder Hem geen mens ademt, geen wouddier brult, geen vogel de vleugels toeplooit, maar dat allen uit de hand van Immanuël de adem van het leven ontvangen. Hij had gezien, dat Jezus het dochtertje van de overste uit de dood opwekte en Lazarus in het leven terugriep. Hij had Jezus horen zeggen: "Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil. Mijn schapen horen Mijn stem; en Ik geef hun het eeuwige leven. Hij had Hem horen verklaren: Ik ben de weg, de waarheid en het leven en bovenal had hij in zijn eigen ziel ondervonden, dat Jezus het eeuwige leven was. Op die morgen toen hij met zijn vader in het schip was, de netten vermakend, zei Jezus: "Volg Mij" en het leven drong in zijn ziel door en hij bevond dat het een altijd overvloeiende bron van het leven was. Christus was zijn leven; daarom verkondigde hij Hem als het eeuwige leven. Zelfs toen hij Hem de geest zag geven, toen hij Zijn bleek, zielloos lichaam het gebroken oog de verstijfde handen en voeten het lichaam zo koud als het stenen graf, waarin men Hem neerlegde, zelfs toen voelde hij nog dat Jezus het eeuwige leven was. O, mijn geliefden! gelooft u dat Hij het leven van de wereld is? Sommigen onder u zijn overtuigd, dat hun zielen dood zijn, ongeschikt tot het gebed, ongeschikt tot de lof van de Heere! Och! zie op Hem, die Johannes u verkondigt. Alles is dood zonder Hem. Breng uw dode ziel in vereniging met Hem en Hij zal u het eeuwige leven geven. "Geopenbaard. " O, mijn geliefden, als Jezus niet geopenbaard was, zou u nooit behouden zijn geworden. Het zou volmaakt rechtvaardig van God geweest zijn, Zijn Zoon aan Zijn hart te behouden die kostbare parel aan Zijn plaats op de troon van de hemel te laten blijven. God zou dan toch dezelfde liefderijke God geweest zijn; maar wij zouden in het eeuwig verderf neer zijn gestort. Als dat eeuwige leven, dat bij de Vader was als Hij als de levende in Zijn heerlijkheid gebleven was, dan zou u en ik onze eigen vloek hebben moeten dragen. Maar hij werd geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de geest gezien door de engelen geloofd in de wereld opgenomen in heerlijkheid, Johannes zag Hem zag Zijn liefelijk aangezicht, aanschouwde Zijn heerlijkheid, als van de enig geborenen van de Vader, vol van genade en waarheid. Hij zag die betere zon ontsluierd door het vlees, dat de stralen van Zijn Godheid niet kon weerhouden daar doorheen te dringen. Hij zag Hem op de berg, toen Zijn aangezicht blonk zoals de zon. Hij zag Hem in de hof op Zijn aangezicht neergevallen. Hij aanschouwde Hem aan het kruis beschouwde lang Zijn hemels gelaat, zijn oog ontmoette de blik van Jezus. Hij hoorde Hem spreken, hoorde die stem, die gezegd had: "Daar zij licht! " Hij hoorde die stem zoals het geluid van vele wateren. Hij hoorde al Zijn goede woorden, hetgeen Hij sprak over God en de weg van de vrede. Hij hoorde Hem tot een zondaar zeggen: "Wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven. " Hij raakte Hem aan legde zijn hand in Jezus' hand, zijn arm in Jezus' arm, zijn hoofd op Jezus' borst. Misschien betastte hij Zijn lichaam, toen het was afgenomen van het kruis raakte het koude stoffelijk overblijfsel van Emmanuel aan. O mijn geliefden! het is een geopenbaarde Christus, die wij u verkondigen. Het is niet de Zoon in de schoot van de Vader, dat zou u nooit voor eeuwig hebben behouden. Het is Jezus, geopenbaard in het vlees. De zoon van God als mens, levend en stervend in de plaats van zondaren, die verkondigen wij u. (R. M. M'CHEYNE). 3. Hetgeen wij dan (om de in Vers 1 begonnen, maar niet tot het einde doorgevoerd en zin hier weer op te nemen en volgens het in Vers 2 gezegde te besluiten) gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, die het niet zelf gezien en gehoord heeft (1 Petrus 1:8), opdat ook u, evenals ieder ander uit de kring der apostelen. met ons, apostelen, die het fundament van de kerk uitmaken (Efeze 2:20), gemeenschap zou hebben en deze onze gemeenschap, die tussen ons op die wijze is teweeggebracht, ook zij met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. In die gemeenschap staan wij apostelen reeds door ons zien en horen en tot deze wordt nu ook u door onze getuigenis en onze verkondiging gebracht.
Deze woorden zijn op soortgelijke wijze te verstaan. Maar wie Gods woord houdt, naar de hele omvang van de geboden doet, die kent Hem niet alleen, maar heeft ook een volkomen liefde tot Hem. Ook de met de kennis van God noodzakelijk verbonden liefde tot God bestaat in niets anders dan in het houden van Zijn woord. Is er nu ook niemand, die God zo volkomen liefheeft, zo is het toch eens ieders taak, naar de mate van de hem geschonken genade, naar deze volkomenheid te streven. Want is de gemeenschap met God het doel van het Evangelie, er is geen gemeenschap met God zonder liefde, zo is dan ook niemand echt ontwikkeld in het geloof, die niet van harte God aanhangt.