Spreuken 23:12-16
Hier is:
1. Een ouder, die zijn kind onderricht. Hij wordt hier voorgesteld, zijn kind bewegende om acht te geven op zijn boek, zijn lessen, en inzonderheid op de Schrift, acht te geven op de redenen van de wetenschap, door welke hij er toekomen kan om zijn plicht te kennen, zijn gevaar te kennen en zijn belang, en het niet voldoende te achten om ze te horen, maar er zijn hart toe te bewegen, er zich in te bewegen, en zijn wil te buigen onder het gezag ervan. Men begeeft zich dan met het hart tot de tucht, als de tucht toegepast wordt op het hart.
2. Een ouder, die zijn kind tuchtigt. Een tederhartig ouder kan het nauwelijks over zich krijgen om dat te doen, het is hem zeer tegen de borst, maar hij bevindt dat het nodig is, dat het zijn plicht is, en daarom durft hij de tucht van de jongen niet weren, als die nodig is, spaar de roede en bederf het kind hij slaat hem met de roede, geeft hem een zachte tuchtiging met een mensenroede, niet met slagen zoals wij ze aan beesten geven. Als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven, de roede zal hem niet doden, zij zal voorkomen dat hij zichzelf doodt door ondeugden te volgen, waarvan de roede hem zal terughouden. Voor het ogenblik schijnt het geen zaak van vreugde maar van droefheid te zijn, zowel voor de ouder als voor het kind maar als zij toegediend wordt met wijsheid bedoeld is ten goede, vergezeld gaat van gebed, en gezegend wordt door God, dan kan zij een gelukkig middel blijken te zijn om zijn algeheel verderf te voorkomen, zijn ziel van de hel te redden. Onze grote zorg moet wezen voor de ziel van onze kinderen, wij moeten niet zien dat zij in gevaar zijn van de hel, zonder alle mogelijke middelen te gebruiken en wel met de uiterste zorg, om hen als brandhout uit het vuur te rukken. Laat het lichaam pijn hebben, zo slechts hun geest behouden moge worden in de dag van de Heer Jezus.
3. Een ouder, zijn kind aanmoedigende, hem zeggende:
a. Wat alles was dat hij verwachtte, niets dan hetgeen voor zijn welzijn is, dat zijn hart wijs is, en dat zijn lippen billijkheden zullen spreken, dat hij onder het bestuur zij van goede beginselen, en dat hij door deze beginselen inzonderheid een goed bestuur hebbe over zijn tong. Het is te hopen dat diegenen billijkheden zullen doen als zij volwassen zijn, die geleerd hebben billijkheden te spreken toen zij jong waren, en geen verkeerde woorden durven spreken.
b. Welk een troost en genot dit voor hem zijn zal, indien hij hierin beantwoordt aan zijn verwachting. "Zo uw hart wijs is, zal mijn hart blijde zijn, zich in u verblijden, ja ik, die zoveel zorg en moeite aan u besteed heb, mijn hart, dat menigmaal gegriefd was om u, waarvoor gij u moeite moet geven om mij vergelding te doen." De wijsheid van de kinderen zal de blijdschap wezen van hun ouders en onderwijzers, die geen grotere blijdschap kennen, dan hen in de waarheid te zien wandelen, 3 Johannes 4. "Kinderen, als gij wijs en goed zijt, Godvrezend en nauwgezet van geweten, dan zal God een welbehagen in u hebben, en dat zal uw blijdschap wezen". Wij zullen onze arbeid aan u met u te onderwijzen wel besteed achten, het zal een lieflijke verhoring wezen van de vele gebeden, die wij voor u opgezonden hebben, het zal ons veel zorg van het hart nemen, als wij niet zo strikt en streng behoeven te wezen in 1ons waken over u, en bijgevolg zal alles, beide voor u en voor ons gemakkelijker zijn. Wij zullen ons verblijden in de hoop dat gij ons tot eer en vertroosting zult zijn als wij oud worden, dat gij de naam van Christus hoog zult houden in uw geslacht, dat gij in uw welvaart zult leven in deze wereld en gelukzalig zijn in de toekomende.