Spreuken 22:15
Wij hebben hier twee zeer treurige gedachten.
1. Dat het bederf ingeweven is in onze natuur. Zonde is dwaasheid, zij is in strijd beide met ons verstand en ons waar belang, zij is in het hart, er is een innerlijke neiging tot zonde, om dwaselijk te spreken en te handelen, zij is in het hart van kinderen, zij brengen haar met zich in de wereld, in zonde werden zij ontvangen en geboren, zij wordt daar niet slechts gevonden, maar zij is er in gebonden, zij hangt samen met het hart, aldus kleven sommige ondeugende neigingen de ziel aan, zij zijn er mee verbonden zoals de loot verbonden is aan de stam, waarin zij geënt is waardoor haar aard een algehele verandering ondergaat, er is een knoop gelegd tussen de ziel en de zonde, een liefdesstrik, deze twee worden een vlees. Het is waar van onszelf, het is waar van onze kinderen, die wij naar ons beeld en gelijkenis hebben voortgebracht. O God, Gij kent deze dwaasheid.
2. Dat de roede van de tucht nodig is voor de genezing ervan, zij kan door geen billijke middelen en zachte methodes uitgedreven worden, er moet strengheid gebruikt worden, en deze zal smart teweegbrengen. Kinderen moeten door hun ouders gekastijd worden en onder tucht worden gehouden, en wij allen moeten gekastijd worden door onze hemelse Vader, Hebreeën 12:6, 7, en onder de bestraffing moeten wij de dwaasheid neerdrukken en de roede kussen.