15. a) De roede, en de bestraffing, de uitoefening der tucht door woord en daad ter bestrijding van alle ongoddelijkheid geeft, wanneer men zich gewillig aan haar onderwerpt, en van eigen wijsheid en welgevallen aan zelfgekozen wegen afstand doet, wijsheid; b) maar een kind, dat aan zich zelf, aan zijne eigene ingeschapen natuur met al hare dwaasheid en boosheid overgelaten is, zodat aan hetzelve de zo noodzakelijke tucht onthouden, of dat deze door het kind verworpen wordt, beschaamtniet alleen zich zelf, maar ook zijne moeder, die bij haren groteren invloed en dikwijls groter onverstand, de grootste schuld heeft, en daarom ook de zwaarste straf draagt.
a) Spreuken 13:24; 22:15; 23:13. b) Spreuken 10:1; 17:21,25.
Deze waarheid, dat op de aanneming of verwerping der tucht alles aankomt, waarin de grond ligt van het onderscheid tussen wijzen en dwazen, rechtvaardigen en goddelozen vormt het middelpunt van de wijsheid, die in al de Spreuken neergelegd is. Waar het dagelijks berouw, het dagelijkse afsterven van den ouden mens ontbreekt, daar kan wel een schijngeloof zijn, een geloof, dat uit boeken geleerd is en slechts in den mond leeft, maar nooit het ware leven uit God, het geloof, dat met geduld in goede werken tracht naar het eeuwige leven.
Moedertranen, het moederoog, en bovenal het gebed der moeder hebben den grootsten invloed op den zedelijken voorspoed van het kind. Onder honderd vrome kerkleraars zal men er nauwelijks één vinden, die niet ene godzalige moeder dankbaar te gedenken heeft. -Wat hier van het kind gezegd wordt, is evenwel slechts bij wijze van voorbeeld, en geldt evenzeer van elken natuurlijken mens met een onverbroken hart..