16. a) Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, om hem voor zich te winnen, opdat hij oogluikend toelate, dat men zich aan de armen bezondigt, komt zeker tot gebrek; dit zal ene rechtvaardige vergelding zijn.
a) Spreuken 14:31; 17:5.
Bij sommige mensen is zulk ene vermenging van kwade hoedanigheden, dat zij de armen hun goed zullen ontnemen om zich te verrijken, zelfs door bedrog en geweld; en aan de andere zijde van het hun geven aan de rijken, om hun onderdrukking ongestraft te kunnen voortzetten; maar alles is te vergeefs, want zulk een gedrag zal hem zeker tot den bedelstaf brengen.. 17.
Nu laat de wijze koning aan het slot van dit Boek nog Spreuken volgen van andere wijzen. Deze spreuken zijn reeds terstond door den vorm van die van het vorige deel onderscheiden. Terwijl deze enkel uit tweedelige, van elkaar afhankelijke, telkens ene volkomen afgestotene gedachte in zich bevattende verzen bestaat, elk vers ene tegenoverstelling uitdrukkende, bestaande uit langere zinspreuken, elk van twee tot acht verzen, meestal ene uitbreidende vergelijking voorstellende. Terwijl verder de Spreuken van Salomo, tot hiertoe zich door ene treffende, puntige kortheid, ene innerlijke volkomenheid en beknopte volledigheid onderscheiden; is in deze een meer uitgebreide vermanende of bestraffende toon heersende, die meer beschrijft en onderwijst, dan wel uit de ervaring put. Hierdoor komen deze meer overeen met de meer uitgebreide vermanende redenen en de zedelijke taferelen van de eerste 9 hoofdstukken. Wij hebben daarbij zeker te denken aan de beroemde wijzen, wier namen ons geboekt zijn in de gewijde Schriften zelf, zo als Heman, Ethan, Chalkol en anderen. (1 Koningen 4:31).
I. Vers 17-Hoofdstuk 24:22. Even als het eerste hoofddeel (Hoofdstuk 1-9). beginnen den Spreuken met ene dringende uitnodiging, om die woorden der wijsheid aan te horen en te behartigen (Vers 17-21), dan wordt de gerechtigheid als de voornaamste vrucht der wijsheid aangeprezen (Vers 22-29); daarna de gematigdheid in alle begeerten, bijzonder in tegenwoordigheid van gevaarlijke getuigen aangeraden (Hoofdstuk 23:1-11), verder wordt weer de vreze des Heeren in het streven naar de goddelijke wijsheid, in tegenoverstelling van de wereldse wijsheid, die de begeerlijkheid des vleses en de wellust der ogen niet vreest, in een schilderachtig beeld voor ogen gesteld (Spreuken 23:12-34); eindelijk wordt gewaarschuwd voor de menigvuldige gebreken en zonden, die al zeer licht een liefhebber van de wijsheid zouden kunnen bederven, namelijk tegen jaloersheid op de dwazen, voor blijdschap over het leed van anderen; voor oproer, enz. (Hoofdstuk 24:1-22).