31. a) Die den arme, den hulpeloze verdrukt, smaadt des zelfs Maken, die zowel armen als rijken geschapen heeft, en die wil, dat beiden met elkaar verkeren (1. Sam. 2:7; 22:1); a)maar die zich des nooddruftigen ontfermt, hem vriendelijk behandelt, en hem, die ook naar Gods beeld is geschapen (
Jakobus 3:9), eer en liefde bewijst, die eert daarmee Hem, die ook den allergeringste en onwaardigste Zijner schepselen liefde bewijst.
a) Spreuken 17:5. b) Spreuken 14:21.
In den rechten arme, die zijnen last op zich neemt en in stilheid draagt, die uitziet naar verlossing, treedt ons de Heere Jezus zelf tegemoet. Hij, die in nederigheid en armoede verscheen onder de mensen; daarom wil Hij ook alles, wat aan den geringste Zijner broederen gedaan wordt, beschouwen alsof het aan Hem zelven gedaan werd. (Mattheus 25:40).
Die den arme verdrukt of bedrieglijk behandelt, vergeet God, die hem tot dezelfden staat kan brengen; hij beledigt de Majesteit des Heren, die beloofd heeft de verdediger te zullen zijn van zulke hulpelozen. Ieder die enig ontzag voor God heeft zal, in plaats van de behoeftigen te verongelijken, hun veeleer weldadigheid bewijzen en hen liefhebben.