Lukas 14:7-14
Onze Heere Jezus geeft ons hier een voorbeeld van een nuttig en stichtelijk gesprek aan tafel, als wij aanzitten met onze vrienden. Wij bevinden dat, als er niemand aan Zijne tafel was dan Zijne discipelen, die Zijn eigen gezin uitmaakten, Zijne gesprekken met hen tot nuttige stichting waren, en dat niet alleen, maar ook als Hij zich in het gezelschap van vreemden bevond, ja zelfs met vijanden, die Hem waarnamen, nam Hij de gelegenheid waar om het verkeerde in hen te bestraffen, en hen te onderwijzen. Hoewel de goddelozen nog tegenover Hem waren, heeft Hij toch niet (gelijk David) gezwegen van het goede, Psalm 39:2, 3, want in weerwil van hun terging, was Zijn hart niet heet in Zijn binnenste. Wij moeten niet slechts geen "vuile rede" aan onze tafel toelaten, zoals die van de huichelende spotachtige tafelbroeders, maar wij moeten ons ook niet vergenoegen met gewone onschuldige gesprekken, daar wij de gelegenheid moeten aangrijpen van Gods goedheid om tot Zijn lof te spreken, en ook de gewone dingen geestelijk voor ons te maken. Dan zouden de lippen des rechtvaardigen er velen voeden. Onze Heere Jezus bevond zich onder personen van rang en aanzien, maar toch als een, die zonder aanneming des persoons is.
I. Hij neemt de gelegenheid waar om de gasten te bestraffen wegens hun streven naar de eerste zitplaatsen, en geeft hun naar aanleiding daarvan een les in nederigheid.
1. Hij bemerkte hoe deze wetgeleerden en Farizeeën de eerste zitplaatsen wilden innemen aan het boveneinde der tafel, vers 7. Hij had die soort van mensen daar reeds in het algemeen van beschuldigd, Hoofdstuk 11:43. Hier richt Hij die beschuldiging tegen bijzondere personen, want Christus zal ieder het zijne geven. Hij bemerkte hoe zij de vooraanzittingen verkozen, ieder, die binnenkwam, trachtte de beste plaats, die hij kon bemachtigen, in te nemen. Zelfs in de gewone handelingen van het leven is Christus' oog op ons, Hij aanmerkt wat wij doen, niet alleen in de Godsdienstige bijeenkomsten, maar aan onze tafels, en maakt er aanmerkingen op.
2. Hij zag hoe zij, die aldus naar die eerste plaatsen dongen, zich dikwijls blootstelden aan beschaming, terwijl zij, die bescheiden waren, en zich op de laatste plaatsen nederzetten, er dikwijls achting door wonnen.
a. Zij, die bij het binnenkomen de eerste plaatsen innemen, kunnen soms gedwongen worden die plaatsen te ruimen voor iemand, waardiger dan zij zijn, vers 8, 9. Het moest onze hoge gedachten van ons zelven in toom houden, als wij bedenken hoevelen er zijn, die waardiger zijn dan wij, niet slechts in wereldlijken rang, maar wegens hun persoonlijke verdiensten en begaafdheden. In plaats van er trots op te wezen, dat zo velen ons plaatsruimen, moest het verootmoedigend voor ons zijn, dat er zo velen zijn, voor wie wij plaats moeten maken. De heer van het feest zal zijne gasten rangschikken, en zal niet toelaten dat de waardigste niet op de plaats is, die hem toekomt, en zal dus de vrijheid nemen om hem, die deze plaats wederrechtelijk had ingenomen, naar een lagere plaats te verwijzen. Geef dezen plaats, en dat zal een schande wezen, die voor het gehele gezelschap hem wordt aangedaan, die zich verbeeldde waardiger te zijn dan hij werkelijk was. Hoogmoed zal beschaamd worden, en hoogmoed komt voor den val.
b. Zij, die bij het binnenkomen zich vergenoegen met de laatste plaatsen, zullen zeer waarschijnlijk hoger opgevoerd worden, vers 10. Ga heen, en zet u in de laatste plaats, in de sterke veronderstelling dat hij, die u genood heeft, gasten zal hebben, die waardiger zijn dan gij zijt, maar wellicht is dit niet het geval, en dan zal tot u gezegd worden: Vriend, ga hoger op. De heer van het feest zal zo rechtvaardig jegens u wezen om u niet aan het lager einde der tafel te laten, omdat gij zo bescheiden waart van er u neer te zetten. Het middel om zich hoog te verheffen is laag te beginnen, en dit beveelt den mens aan bij hen, die hem omringen: Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten. Zij zullen zien dat gij een achtbaar mens zijt, meer dan zij eerst van u dachten, en uit het duister uwer nederigheid zal de u aangedane eer des te helderder schitteren. Zij zullen ook zien dat gij een ootmoedig mens zijt, dat is de grootste eer. Onze Heiland verwijst hier naar den raad van Salomo, Spreuken 25:6, 7. Sta niet in de plaats der groten, want het is beter dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere. En Dr. Lightfoot haalt ene gelijkenis aan van een der rabbijnen, die ongeveer aldus luidt: "Drie mannen", zei hij, "waren tot een feestmaal genodigd. De een zat het hoogst, want, zei hij, ik ben een prins, de ander zat in de plaats, die daarop volgde, want, zei hij, ik ben een wijze, de andere had de laagste plaats, want, zei hij, ik ben slechts een nederig man. De koning echter liet den nederigen man op de hoogste plaats zitten, en den prins op de laagste."
3. Hij paste dit toe in het algemeen, en wil dat wij allen zullen leren niet te trachten naar de hoge dingen, maar ons te vergenoegen met het geringe, evenals om andere redenen ook om deze, dat hoogmoed en eerzucht schandelijk zijn voor de mensen, want die zich zelven verhoogt, zal vernederd worden, terwijl ootmoed en zelfverloochening in werkelijkheid achtbaar zijn: die zich zelven vernedert, zal verhoogd worden, vers 11. Wij zien in andere voorbeelden dat de hoogmoed des mensen hen zal vernederen, maar dat de nederige van geest de eer zal vasthouden, en de nederigheid gaat voor de eer.
II. Hij neemt de gelegenheid waar om den gastheer te bestraffen, omdat hij zoveel rijken had genodigd, die de middelen hadden om in hun eigen huis hun middagmaal te hebben, terwijl hij veeleer de armen had moeten nodigen, of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, delen had moeten zenden aan hen, voor wie niets bereid was, en die zelf niet instaat waren zich een goed maal eten te verschaffen, Nehemia 8:11. Onze Heiland leert ons hier dat het beter is om hetgeen wij hebben te gebruiken tot liefdadige doeleinden, daar het dan betere vrucht zal dragen, dan het te gebruiken voor een rijke, weelderige manier van huishouden.
1. Laat het uwe begeerten niet zijn om de rijken te onthalen: nodig niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch uwe rijke geburen, vers 12. Dit is geen verbod om de zodanige te onthalen, er kunnen gelegenheden voor zijn, het kan goed zijn om vriendschap te onderhouden met bloedverwanten en naburen. Maar:
a. "Maak dat niet tot uw gewone wijze van doen, geef daarvoor zo weinig geld uit als mogelijk is, opdat gij er niet door in de onmogelijkheid wordt gebracht om uw geld beter te besteden, namelijk in aalmoezen. Gij zult bevinden dat het zeer kostbaar is en veel moeite veroorzaakt, een maaltijd aan de rijken zou de kosten kunnen bestrijden van vele maaltijden voor de armen. Salomo zegt: Die den rijke geeft komt zeker tot gebrek, Spreuken 22:16. "Geeft", (zegt Plinius, Epist.) "aan uwe vrienden, maar laat het uw arme vrienden zijn, niet aan hen, die u niet nodig hebben."
b. Wees er niet trots op. Velen richten maaltijden aan met geen ander doel dan om vertoning te maken, zoals Ahasveros gedaan heeft, Esther 1:3, 4. En zij denken dat het hun geen eer is, als zij geen personen van hogen rang aan hun tafel hebben, en aldus beroven zij hun gezin, om aan hun grillen te voldoen.
c. Leg het er niet op toe om in uw eigen munt betaald te krijgen". Dat is het wat door onzen Heiland in zulke gastmalen wordt afgekeurd. Gij doet dit gewoonlijk in de hoop van nu ook door hen genodigd te worden, en aldus zal u dan vergelding geschieden, gij zult onthaald worden op dezelfde kostelijke spijzen, als die gij uwe vrienden hebt voorgezet, en dit zal uw zinnelijkheid en uw zucht naar weelde voeden, en zo zult gij er in het einde niets bij winnen.
2. Wees ijverig om de armen te ondersteunen, vers 13, 14: Wanneer gij een maaltijd zult houden, in plaats van u te voorzien met kostbare en zeldzame spijzen, breng op uwe tafel eenvoudig, gezond voedsel, in genoegzamen overvloed, dat niet zo duur zal zijn, en nodig armen en verminkten, mensen die niets hebben om van te leven, en ook niet instaat zijn om voor hun levensonderhoud te werken. Dezen zijn voorwerpen van barmhartigheid, zij hebben gebrek aan het nodige, geef het hun, en zij zullen het u vergelden met hun gebed, en zullen uwe spijze loven, die de rijken wellicht zullen minachten. Zij zullen heengaan en God voor u danken, terwijl de rijken heengaan en u wellicht smaden. Zeg niet dat gij er aldus bij zult verliezen, daar zij u geen vergelding doen kunnen, neen, het is interest voor u, en wel onder de beste waarborgen van betaling, want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen. Er zal een opstanding der rechtvaardigen zijn, een toekomende staat der rechtvaardigen. Er is een staat der gelukzaligheid voor hen weggelegd in de andere wereld, en wij kunnen er zeker van zijn, dat der barmhartigen in de opstanding der rechtvaardigen gedacht zal worden, want aalmoezen zijn gerechtigheid. Werken van barmhartigheid kunnen in deze wereld wellicht niet vergolden worden, want de dingen dezer wereld zijn niet de beste dingen, en daarom betaalt God de beste mensen niet met deze dingen, maar zij zullen hun loon geenszins verliezen, zij zullen vergolden worden in de opstanding. Het zal blijken dat de langste reizen de rijkste winst opleveren, en dat de barmhartigen niets zullen verliezen, maar onuitsprekelijk veel zullen winnen, doordat hun loon uitgesteld is tot aan de opstanding.