5. a) De gedachten des vlijtigen bij zijn werk, met overleg en toch met vlijt arbeidende (
Lukas 1:39 ) zijnhet zekerste middel tot welslagen; daardoor alleen kan hij totwelstand geraken, want hij zal niet alleen zijn dagelijks brood winnen, maar zelfs een overschot kunnen opleggen, als een behoedmiddel tegen den dag des kwaads; maar van een ieder, die haastig is, wanneer hij iets wil daarstellen, is niet veel goeds te verwachten; hij zal niet alleen zijn werk niet goed maken, maar zelfs, door dat men hem niet vertrouwt, eindelijk tot gebrek aan het nodige geraken (
Hoofdstuk 12:11).
a) Spreuken 10:2; 4:11.
Haastig breekt den hals, langzaam komt men ook ver. Haastig wordt vermoeid, en laat den moed zakken; matig en aanhoudend doet het werk aan het einde komen. Hoe meerder haast, hoe minder spoed.
Er is tweeërlei soort van arbeid; men kan rusteloos en in het zweet zijns aangezichts werken, en toch voert het tot gebrek, ofschoon voor het ogenblik het gevolg in het oog der wereld wellicht schitterend en voordelig is. Dat geschiedt daarom, dat de arbeid niet in den eeuwigen God gedaan wordt; omdat die niet geschiedt uit gehoorzaamheid aan Gods gebod, en in de vreze des Heeren, waardoor elk werk met groten zegen kan bekroond worden. Het werk aan hem, die langzaam maar vlijtig werkt, niet om des gewins wil, maar uit gehoorzaamheid en dankbaarheid aan God, in de vreze des Heeren en in Zijne kracht, als in God gedaan. Dat is zowel toepasselijk op aards als op geestelijk werk.
Die waarlijk vlijtig is, handelt met voorzichtigheid en overleg, zowel als met aanhoudendheid. Zij die vermetel en onbedachtzaam zijn, of zich haasten om rijk te worden, door onrechtvaardige handelingen, of onverstandige plannen, zijn op weg naar de armoede..