Spreuken 17:5
1. Zie hier aan welke grote zonde diegenen zich schuldig maken, die de armen vertreden met hun ontberingen de spot drijven, hun het geringe, armelijke van hun voorkomen voor de voeten werpen, misbruik maken van hun zwakheid en onmacht om hen te beschimpen en te beledigen, zij smaden hun Maker, beledigen en minachten Hem, die aan de armen de staat heeft toegewezen, waarin zij zich bevinden, hen erkent en voor hen zorgt, en die als het Hem behaagt, ons ook in die staat en toestand kan brengen. Laat hen, die aldus hun Maker smaden, weten dat zij er ter verantwoording voor geroepen zullen worden, Mattheus 25:40, 41, Spreuken 14:31.
2. Zie ook in hoe groot gevaar diegenen zijn van in zware benauwdheid te komen, die er zich in verblijden om het verderf, het leed van anderen te horen. Die zich verblijdt in het verderf, in de gedachte dat hij op kan bouwen op de ruïnen van anderen, er zich op vergast als de oordelen Gods zijn uitgegaan, hij wete dat hij niet onschuldig zal zijn, dat is: dat hij niet ongestraft zal blijven, de beker zal in zijn hand worden gegeven, Ezechiël 25:6, 7.