Hebreeën 12:4-17
De apostel versterkt hier de vermaning tot lijdzaamheid en volharding door een beweegreden, genomen uit de kleine mate en het genadige karakter van het lijden, dat de gelovige Hebreeën in hun Christelijke loopbaan doorgestaan hadden.
I. De mate en de trap van hun lijden waren zeer gematigd geweest. Gij hebt nog tot den bloede niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde, vers 4. Merk hier op:
1. Hij erkent dat zij veel geleden hadden, dat zij een strijd tegen de zonde gestreden hadden.
A. De oorzaak van de botsing was de zonde, en wanneer men de zonde tegenstaat, strijdt men in een goede zaak, want de zonde is de ergste vijandin van God en de mensen. Onze hemelse krijg is zowel eervol als noodzakelijk, want wij zijn daarin alleen bezig ons zelven te verdedigen tegen hetgeen ons anders zou verwoesten. indien het de overwinning over ons behaalde. Wij strijden voor onszelven, voor ons leven, en behoren daarom lijdzaam en vastbesloten te zijn.
b. Elke Christen is aangenomen onder de banier van Christus, om te strijden tegen de zonde, tegen zondige leringen, zondige werken, zondige gewoonten en hebbelijkheden, zowel in hen zelven als in anderen..
2. Hij herinnert hun dat zij meer hadden kunnen lijden en dat ze niet zoveel geleden hadden als anderen, want zij hadden nog niet tegengestaan tot den bloede, zij waren nog niet tot het martelaarschap geroepen, ofschoon zij niet weten konden hoe spoedig dat gebeuren kon.
A. Onze Heere Jezus, de leidsman onzer zaligheid, roept niet dadelijk Zijn volk tot de zwaarste beproevingen, maar oefent hen wijselijk door kleiner lijden om hen voor het grotere te bekwamen. Hij doet geen nieuwen wijn in oude zakken, Hij is de goede herder, die de zwakken onder de kudde niet overdrijven zal.
B. Het past den Christenen goed te letten op de vriendelijkheid van Christus, die hun beproeving afmeet naar hun kracht. Zij moeten hun droefenissen niet ophemelen, maar moeten letten op de barmhartigheden, die er onder gemengd zijn, en zij moeten mede gevoelen met hen, die geroepen worden tot zware beproeving ten bloede toe, niet om het bloed van hun vijanden te vergieten, maar om hun belijdenis met hun bloed te bezegelen.
C. Christenen moeten zich schamen als zij bezwijken onder kleinere beproevingen, wanneer zij zien dat anderen staande blij ven onder de grotere, want zij weten niet hoe spoedig zulke grotere hen zelven kunnen overvallen. Indien we gelopen hebben met de voetgangers en die ons vermoeid hebben, hoe zullen we mededingen met de paarden? Indien we vermoeid worden in het land der ruste, hoe zullen we het maken in het zwellen der Jordaan, Jeremia 12:5.
II. Hij wijst op het bijzonder en genadig karakter van het lijden, dat Gods volk overvalt. Ofschoon hun vijanden en vervolgers de werktuigen zijn, die deze droefenissen over hen brengen, toch zijn het hemelse kastijdingen. Hun hemelse Vader heeft de hand in dit alles, en met dit alles Zijn doel. Daarvan heeft Hij hun overtuigend blijk gegeven, en dat mogen zij niet vergeten. Merk op: 1. De droefenissen, die waarlijk vervolgingen zijn voorzover de mensen aangaat, zijn vaderlijke bestraffingen en kastijdingen, van Gods zijde. Vervolging om des geloofs wil is somtijds kastijding en vermaning voor de zonden der belijders van den godsdienst. De mensen vervolgen hen omdat zij godsdienstig zijn, God kastijdt hen omdat zij het niet meer zijn. De mensen vervolgen hen omdat zij hun belijdenis niet willen loslaten, God kastijdt hen omdat zij niet leefden overeenkomstig hun belijdenis.
2. God heeft Zijn volk aangewezen hoe zij zich moeten gedragen onder al hun droefenissen, zij moeten de uitersten vermijden waar menigeen in vervalt.
A. Zij moeten de kastijding des Heeren niet klein achten, zij moeten het niet licht opnemen met de droefenissen en er niet ongevoelig of onverschillig onder zijn, want zij zijn de hand en de roede Gods, waarmee Hij de zonden bezoekt. Zij, die licht over de droefenissen denken, doen dat ook over God en over de zonden.
B. Zij moeten niet bezwijken als zij van Hem bestraft worden, zij moeten onder de beproevingen niet wanhopen en verzinken, er niet onder morren en murmureren, maar ze met geduld en lijdzaamheid doorstaan.
C. Wanneer zij in een van deze beide uitersten vervallen, is dat een teken dat zij den raad en de vermaning van hun hemelsen Vader vergeten hebben, die Hij hun in tedere en ware liefde gegeven heeft.
3. Droefenissen, op de rechte wijze doorleefd, ofschoon zij de gevolgen van Gods misnoegen mogen zijn, moeten toch beschouwd worden als bewijzen van Zijn Vaderliefde en Zijn zorg voor hen, vers 6, 7. Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt. Merk hier op:
A. De besten van Gods kinderen hebben kastijding nodig. Zij hebben hun fouten en dwaasheden, die verbeterd moeten worden.
B. Ofschoon God anderen in hun zonden moge laten liggen, zal Hij de zonden in Zijn kinderen bestraffen. Zij behoren tot Zijn gezin, en zullen Zijne bestraffingen niet ontlopen, wanneer zij die behoeven.
C. Daardoor handelt Hij gelijk een vader betaamt, en behandelt hen als kinderen, geen wijs en goed vader zal in zijn kinderen fouten over het hoofd zien zoals hij b ij anderen zou doen, zijn betrekking en zijn liefde verplichten hem meer nota te nemen van de fouten zijner kinderen dan van die van anderen.
D. Wanneer toegelaten wordt dat men in de zonde voortgaat zonder bestraffing, is dat een slecht teken van verlating door God, dezulken zijn bastaarden en geen zonen. Zij mogen Hem Vader noemen, omdat zij binnen de grenzen der gemeente geboren zijn, maar het blijkt duidelijk dat zij kinderen zijn van een anderen vader, niet van God, vers 7, 8. 4. Zij, die zich niet lijdzaam onderwerpen aan de tucht van hun hemelsen Vader, gedragen zich jegens Hem slechter dan zij doen zouden jegens hun aardse vaders, vers 9, 10. Merk hier op:
A. De apostel beveelt een plichtmatig en onderworpen gedrag van de kinderen jegens hun aardse ouders aan. Wij ontzagen hen, zelfs wanneer zij ons kastijdden. Het is de plicht van kinderen eerbied en gehoorzaamheid te tonen voor de rechtvaardige bevelen hunner ouders, en den eerbied der onderwerping aan hun kastijdingen, wanneer zij ongehoorzaam geweest zijn. Ouders hebben niet enkel de macht, maar ook de opdracht van God ontvangen, om hun kinderen te kastijden, wanneer die het verdiend hebben, en Hij heeft den kinderen bevolen zich aan die kastijding te onderwerpen. Weerspannig en ontevreden zijn onder de kastijding is een dubbele overtreding, want de kastijding onderstelt reeds dat er iets verkeerds tegen het bevel der ouders in gedaan is, en voegt nu een overtreding tegen hun kastijdend gezag er aan toe.
B. Hier beveelt hij een nederig en onderworpen gedrag jegens onzen hemelsen Vader aan, wanneer die ons kastijdt, en dit doet hij met een bewijs uit het kleinere tot het grotere.
a. Onze aardse vaders waren slechts vaders onzes vlezes, maar God is de Vader onzer geesten. Onze aardse vaders waren slechts de werktuigen ter voortbrenging van onze lichamen, die niet meer dan vlees zijn, een gering, sterflijk, laag ding, gevormd uit het stof der aarde, gelijk de lichamen der beesten, evenwel, daar zij kunstig gewrocht zijn, deel uitmaken van onze personen, een geschikten tabernakel voor onze zielen om in te wonen en organen voor haar om door te handelen, zijn wij eerbied en liefde verschuldigd aan hen, die de middelen voor hun voortbrenging waren. Maar dan zijn wij die nog in veel hoger mate verplicht aan Hem, die de Vader onzer geesten is. Onze zielen zijn niet uit stof gemaakt, ook niet uit stof van de meest-verfijnde soort, zij bestaan niet door afstamming. Dat staande te houden is slechte wijsbegeerte en nog slechter godgeleerdheid, zij komen onmiddellijk van God, die nadat Hij het lichaam van den mens uit het stof der aarde geformeerd had, het een adem des levens inblies, zodat hij tot ene levende ziel werd.
b. Onze aardse vaders kastijdden ons naar dat hun goeddocht. Sommigen hunner deden dat meer om hun hartstochten te koelen dan om onze manieren te verbeteren. Dat is een zwakheid, waaraan aardse vaders onderworpen zijn en waartegen zij zorgvuldig moeten waken, want daardoor onteren zij de ouderlijke macht, die God hun geschonken heeft, en verhinderen zij zeer de goede uitwerking der kastijding. Maar de Vader onzer geesten bedroeft nooit uit willekeur, Hij bedroeft de kinderen der mensen niet van harte, en veel minder nog Zijn eigen kinderen. Het is alti d tot ons wezenlijk nut, en het voordeel dat Hij er mede voor ons beoogt, is niets minder dan ons deelgenoten van Zijne heiligheid te maken. Hij wil daardoor onze zondige afdwalingen verbeteren en genezen, die ons Hem ongelijk maken, en Hij wil de genaden verbeteren en doen toenemen, waardoor wij Zijne gelijkenis dragen, zodat wij mogen zijn en handelen gelijk onze Vader, die in de hemelen is. God heeft Zijn kinderen zo lief, dat Hij hen zoveel mogelijk aan zich zelven gelijkmaken wil, en daarom kastijdt Hij hen wanneer dat nodig is.
c. De vaders onzes vlezes kastijdden ons voor een korten tijd, in den staat onzer kindsheid, toen wij minderjarigen waren, en ofschoon wij in dien zwakken en gemelijken toestand waren, toonden wij hun eerbied, en toen wij volwassen werden, eerden en beminden wij hen daarom des te meer. Ons gehele leven hier is een staat van kindsheid, minderjarigheid en onvolmaaktheid, en daarom moeten wij ons onderwerpen aan de tucht van zulk een toestand. Wanneer wij komen tot den staat van volmaaktheid zullen wij verzoend worden met al de tuchtmiddelen, die God nu over ons beschikt.
d. Gods kastijding is geen veroordeling. Zijne kinderen vrezen soms dat iets anders en ergers dan droefenis op een grote afdwaling zal volgen, en dan roepen zij: Verdoem mij niet, doe mij weten waarover Gij met mij twist, Job 10:2. Maar het is er verre af dat dit het doel van God tegenover Zijn eigen volk zou zijn, Hij kastijdt hen opdat zij niet met de wereld veroordeeld zouden worden, 1 Corinthiërs 11:32. Hij doet dit om den dood en de verwoesting van hun zielen te voorkomen, opdat zij mogen leven voor God, zijn gelijk God, en eeuwig bij Hem leven.
5. Gods kinderen mogen onder hun droefenissen niet over Zijne handelwijze oordelen naar hun gevoel maar naar hun verstand, en geloof, en ondervinding. Alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt gene zaak van vreugde maar van droefheid te zijn, doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid degenen, die er door geoefend zijn, vers 11. Merk hier op:
A. Het oordeel van het gevoel in dit geval. Droefenis is voor het gevoel niet aangenaam, maar pijnlijk, het vlees gevoelt de kastijding, wordt er door gegriefd en klaagt er onder.
B. Het oordeel van het geloof, hetwelk dat van het gevoel terechtwijst, en verklaart dat een geheiligde beproeving vruchten der gerechtigheid draagt. Deze vruchten zijn vreedzaam en dragen bij tot bevrediging en vertroosting der ziel. Kastijding brengt vrede voort door meer gerechtigheid voort te brengen, want de vrucht der gerechtigheid is vrede. En wanneer de pijn van het lichaam op die wijze bijdraagt tot den vrede van de ziel, en korte tegenwoordige beproeving gezegende vruchten van langen duur draagt, is er geen reden om er onder te klagen of te bezwijken. Hun grootste verlangen is dat de kastijding, waar zij onder gebukt gaan, door hen met lijdzaamheid verdragen moge worden en dienen om hoger trap van heiligheid bereiken.
a. Dat zij hun beproeving met lijdzaamheid verdragen mogen, hetgeen het voorname oogmerk is van des apostels betoog over dit onderwerp, en hij gaat er opnieuw toe over om hen te vermanen dat zij, om bovengenoemde redenen, zullen oprichten de trage handen en de slappe knieën, vers 12. Een zwaarte van beproeving is geschikt om des Christens handen traag en zijn knieën slap te maken, hem te ontzenuwen en te ontmoedigen, maar hij moet daartegen strijden, en wel om twee redenen.
Ten eerste. Opdat hij des te beter zijn geestelijke loopbaan zal kunnen lopen. Geloof, lijdzaamheid, heilige moed en beslistheid zullen hem meer geregeld doen wandelen, beter den weg doen houden, wankeling en weifeling voorkomen.
Ten tweede. Opdat hij anderen moge aanmoedigen en niet ontzenuwen, die op dezelfden weg lopen. Er gaan velen op den weg naar den hemel, die er slechts zwak en struikelend op lopen. Dezen zijn geschikt om elkaar te ontmoedigen en te hinderen, maar het is hun plicht om moed te vatten, door het geloof te handelen, en zo elkaar vooruit te helpen op den weg naar den hemel.
b. Opdat hun beproeving moge dienen tot het bereiken van een hoger trap van heiligheid. Dat is Gods bedoeling, en daarom moet het ook het doel van Zijn kinderen zijn, dat zij met vernieuwde kracht en lijdzaamheid vrede met alle mensen en de heiligheid zullen najagen, vers 14. Wanneer Gods kinderen ongeduldig worden onder de beproeving, zullen zij ook niet zo kalm en vredelievend met de mensen en zo godvruchtig met God omgaan, als zij behoren te doen. Maar geloof en lijdzaamheid zullen hen in staat stellen om vrede en heiligmaking na te jagen, wanneer de mens zijne roeping standvastig, ijverig en met welgevallen opvolgt. Merk op: Ten eerste. Het is de plicht der Christenen, ook onder het lijden, vrede met alle mensen na te jagen ook zelfs met hen door wie het lijden hun overkomt. Dat is een harde les en een hoog doel, maar toch heeft Christus Zijn volk daartoe geroepen. Het lijden is geschikt om de ziel te verbitteren en de hartstochten op te wekken, maar Gods kinderen moeten vrede met alle mensen najagen.
Ten tweede. Vrede en heiligmaking gaan samen, er kan geen ware vrede zonder heiligheid zijn. Er kan voorzichtigheid en bescheiden terughoudendheid, er kan een schijn van vriendschap en welwillendheid voor allen zijn, maar deze echte Christelijke vredelievendheid wordt nooit gevonden afgescheiden van heiligheid. Wij mogen niet, onder voorwendsel van vrede te houden met alle mensen, den weg der heiligheid verlaten, maar moeten den vrede aankweken in den weg van heiligheid.
Ten derde. Zonder heiligmaking zal niemand den Heere zien. Het zien van God onzen Zaligmaker in den hemel wordt bewaard als de beloning voor heiligheid, en de nadruk van onze zaligheid ligt op onze heiligheid, ofschoon een vredelievende gezindheid veel bijdraagt voor onze geschiktheid voor den hemel.
6. Wanneer droefenis en lijden voor de zaak van Christus door de mensen niet beschouwd worden als de kastijding van den hemelsen Vader, en als zodanig toegepast worden, daar zullen zij veranderen in een gevaarlijke strik en verzoeking tot afval, en daartegen moet ieder Christen zorgvuldig waken, vers 15, 16.
Toeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods.
A. Hier gaat de apostel over tot een ernstige waarschuwing tegen afval en steunt die met een vreeslijk voorbeeld.
a. Een ernstige waarschuwing tegen afval, vers 15. Merk hier op: Ten eerste. Het karakter van den afval: het is verachteren van de genade Gods, het is bankroet gaan in den godsdienst door het ontbreken van een goeden grondslag en het verzuimen van zorg en ijver. Het is verachteren van de genade Gods, tekortschieten in het beginsel van ware genade in de ziel, niettegenstaande de middelen der genade en de belijdenis van den godsdienst, en daardoor tekortkomen in de liefde en gunst van God hiernamaals.
Ten tweede. De gevolgen van dezen afval. Wanneer mensen verachteren van de ware genade Gods, zal er een wortel van bitterheid opwaarts spruiten, en verderf zal de overhand krijgen en doorbreken. Een wortel van bitterheid, een bittere wortel, die voor den mens zelf en voor anderen bittere vruchten draagt. Het brengt voor hem zelven bedorven beginselen voort, die tot afval leiden, en zeer versterkt en verergerd worden door afval, doemwaardige dwalingen, tot bederf van de leerstellingen en den eredienst der Christelijke gemeente, en bedorven praktijken. Afvalligen worden doorgaans al slechter en slechter, en vallen in de grofste ondeugden, welke gewoonlijk eindigen in openlijke Godloochening en in wanhoop. Het brengt ook bittere vruchten voort voor anderen, voor de gemeenten waartoe die mensen behoren, door hun verdorven beginselen en praktijken worden velen beroerd, de vrede van de gemeente wordt verbroken, de vrede van de zielen der mensen verstoord, en velen worden verontreinigd, besmet met die verkeerde beginselen en afgetrokken tot de slechte praktijken, zodat de zuiverheid en de vrede der gemeenten beide lijden. Maar ten slotte zullen de afvalligen zelven er het meest onder lijden.
b. De apostel steunt zijn waarschuwing met een vreeslijk voorbeeld, en wel dat van Ezau, die, ofschoon geboren binnen de grenzen der kerk en het geboorterecht van oudsten zoon hebbende, en dus gerechtigd om koning, priester en profeet in zijn geslacht te zijn, laag genoeg was om deze heilige voorrechten te verachten en zijn eerstgeboorterecht voor een maal eten te verkopen. Merk hier op: Ten eerste. Hij verkocht onheilig zijn eerstgeboorterecht met al de daaraan verbonden voorrechten, en verachtte het. Datzelfde doen afvalligen, die de vervolging ontwijken en zinnelijke genoegens najagen. Ofschoon zij het kenmerk van Gods kinderen dragen en uiterlijk recht hebben op de zegeningen en de erfenis, geven zij al de aanspraken daarop over.
Ten tweede. Ezau's straf was in evenredigheid met zijn zonde. Zijn geweten werd overtuigd van zijn zonde en dwaasheid toen het te laat was, toen zag hij dat de zegen, dien hij zo licht geteld had, het bezit waard was. Daarna de zegening willende beërven werd hij verworpen. Zijn straf bestond uit twee delen. Hij werd door zijn eigen geweten veroordeeld, want hij zocht vergeefs met tranen een plaats des berouws. Hij werd door God verworpen. Hij vond geen plaats des berouws, bij God evenmin als bij zijn vader, de zegen was aan een ander gegeven, aan dezelfden, wie hij hem voor een maaltijd verkocht had. Ezau, in zijn grote godloosheid, had den verkoop gesloten en God, in Zijn rechtvaardig oordeel, had dien bevestigd, en liet niet toe dat Izaak de zaak wijzigde. 2.. Wij kunnen hieruit leren:
a. Dat afval van Christus het gevolg is van het verkiezen van de streling des vlezes boven de zegeningen Gods en de hemelse erfenis.
b. De zondaren zullen niet altijd van de hemelse zegeningen en erfenis zulke lage gedachten hebben als thans. De tijd zal komen dat zij geen zorg te groot, geen tranen te veel zullen achten om die te verkrijgen.
c. Wanneer de dag der genade voorbij is, hetgeen soms reeds in dit leven het geval kan zijn, zullen zij geen plaats des berouws vinden, zij kunnen hun zonden niet op de rechte wijze berouwen, en God heeft geen berouw over het vonnis, dat Hij over hun zonden uitsprak. En daarom mogen Christenen nooit hun aan- spraak en hun hoop op huns Vaders zegen en erfenis afstaan en zich daardoor blootstellen aan Zijn onherroepelijken toorn en vloek, door hun heiligen godsdienst te verlaten, de vervolgingen te ontwijken. Want ofschoon die vervolging is voorzover de godlozen betreft, is ze in de hand van hun hemelsen Vader een roede van tucht en kastijding. om hen dichter bij He m en met Hem in gemeenschap te brengen. Dat bedoelt de apostel met hetgeen hij zegt over den aard van het lijden van Gods volk, wanneer dat hun om den wil der gerechtigheid overkomt, en zijn redenering is zeer krachtig.