Spreuken 13:4
Hier is:
1. De ellende en schande van de luiaard, zie hoe dwaas, hoe onzinnig zij zijn, zij begeren het gewin, dat de vlijtigen verkrijgen, maar zij haten de moeite, die de vlijtigen zich geven, zij begeren alles wat begeerlijk is, maar willen niets doen van hetgeen gedaan moet worden, en daarom volgt hieruit dat zij niets hebben, want die niet wil werken, die bangere hij ete niet, 2 Thessalonicenzen 3:10. De begeerte des luiaards, die hem tot opwekking moest wezen, is zijn kwelling, zij moest hem arbeidzaam maken, maar zij maakt hem onrustig, en zo komt dit hem op zwaarder zwoegen te staan dan wezenlijke arbeid hem zou veroorzaken.
2. Het geluk en de eer van de vlijtigen-hun ziel zal vet gemaakt worden, zij zullen overvloed hebben, en er lieflijk genot in smaken en dat te meer, wijl die overvloed de vrucht is van hun vlijt. Dit is inzonderheid waar ten opzichte van geestelijke zaken. Zij, die het laten blijven bij ijdele wensen, weten niet wat de voordelen zijn van de Godsdienst terwijl zij die zich moeite geven in de dienst van God, er beide het genot en voordeel van hebben.