Spreuken 19:12
Dit is van dezelfde strekking als hetgeen wij hadden in Hoofdst. 16:14, 15, en de bedoeling ervan is:
1. Koningen verstandig en bedachtzaam te maken in het te kennen geven van hun misnoegen en van hun welgevallen, zij zijn niet als die van gewone personen, hun afkeurende blikken zijn zeer vreeslijk, en hun vriendelijke, goedkeurende blikken zeer troostrijk, en daarom betaamt het hun om wel toe te zien, dat zij nooit met hun afkeurende blikken een goed man wegschrikken van wel doen, noch aan een goddeloos man steun en aanmoediging geven door hun vriendelijke, goedkeurende blikken, want dan maken zij misbruik van hun invloed, Romeinen 13:3.
2. Onderdanen getrouw en gehoorzaam te maken aan hun vorsten. Laat hen van alle ontrouw teruggehouden worden door de gedachte aan de ontzettende gevolgen voor hen om de regering tegen zich te hebben, en laat hen aangemoedigd zijn in alle goede diensten aan het publiek door de hoop op gunst van de vorst. Christus is een Koning, wiens gramschap tegen Zijn vijanden zal zijn als het brullen eens leeuws, Openbaring 10:3, en wiens gunst jegens Zijn volk als de verfrissende dauw is, Psalm 72:6.