Spreuken 22:11
1. Hier zijn de hoedanigheden van een volkomen welopgevoed man die geschikt is om een openbaar ambt te bekleden. Hij moet een eerlijk man wezen, een man, die reinheid des harten liefheeft, en alle onreinheid haat, die niet slechts rein is van vleselijke lusten, maar van alle bedrog en geveinsdheid, van alle zelfzucht en oneerlijke bedoelingen, die zorg draagt om zich als een oprecht man te tonen, rechtvaardig en billijk is uit beginsel, in niets meer behagen heeft dan in zijn geweten rein te bewaren, een onergerlijk geweten te hebben. Hij moet ook in staat zijn om goed en met sierlijkheid te spreken, niet te vleien en te flikflooien, maar zich behoorlijk uit te drukken in een taal, die even zuiver is als zijn gemoed.
2. De verhoging, waartoe zo'n man waarschijnlijk komen zal. De koning zal, als hij wijs en goed is, zijn belang en het belang zijns volks goed begrijpt, zijn vriend zijn, zal hem tot lid benoemen van zijn geheime raad, zoals er een was aan het hof van David, en een ander aan het hof van Salomo, die des konings vriend werd genoemd, of, zo hij enigerlei zaak heeft zal de koning er hem in voorthelpen. Sommigen verstaan het van de Koning van de koningen, een man In wiens geest geen bedrog is, wiens spraak altijd Godvruchtig is, zal God tot zijn vriend hebben, Messias, de vorst zal zijn vriend zijn, deze eer hebben al de heiligen.