Spreuken 20:28
Hier hebben wij:
1. De deugden van een goed koning: weldadigheid en waarheid, inzonderheid weldadigheid, want die wordt hier tweemaal genoemd. Hij moet stipt getrouw zijn aan zijn woord, hij moet oprecht zijn, en alle geveinsdheid verafschuwen, hij moet zich nauwgezet kwijten van al de plichten, die op hem rusten, waarheid beschermen en ondersteunen. Hij moet ook heersen met goedertierenheid, en de genegenheid zijns volks winnen door alle daden van medelijden. Goedertierenheid en waarheid zijn de heerlijkheid van Gods troon, en koningen worden goden genoemd.
2. De voordelen die hij er door verkrijgt. Deze deugden zullen zijn persoon bewaren en zijn regering ondersteunen, zullen hem veilig en gerust doen zijn, bemind door zijn eigen volk en gevreesd door zijn vijanden, indien het mogelijk zou zijn, dat hij ze heeft.