Spreuken 20:9
Deze vraag is niet slechts een uitdaging gericht tot ieder mens in de wereld, om te bewijzen dat hij zondeloos is, hoe hij dit ook mocht beweren, maar een klacht over het bederf van het mensdom, het bederf, dat zelfs in de besten nog is overgebleven. Helaas, wie kan zeggen: "ik ben zondeloos?"
Merk op:
1. Wie de personen zijn, die hier van deze aanspraak buitengesloten worden, allen, de een zowel als de ander. Hier, in deze onvolmaakte staat, kan niemand, wie hij ook zij, er aanspraak op maken zonder zonde te wezen. In de staat van de onschuld heeft Adam het kunnen zeggen, en in de hemel kunnen de heiligen het zeggen, maar in dit leven kan niemand het zeggen. Zij, die denken dat zij zo goed zijn als zij wezen moeten, kunnen het niet, en zij, die werkelijk goed en Godvruchtig zijn, zullen dit niet zeggen, durven dit niet zeggen.
2. Wat de aanspraak is, die hier buitengesloten wordt. Wij kunnen niet zeggen: Wij hebben ons hart gezuiverd, al is het ook, dat wij door genade kunnen zeggen: Wij zijn reiner dan wij geweest zijn," dan kunnen wij toch niet zeggen: "Ons hart is rein", of, al zijn wij ook gewassen en gereinigd, dan kunnen wij toch niet zeggen: "Wijzelf hebben ons hart gezuiverd", het was het werk des Geestes, of zo wij al rein zijn van de zonden van vele anderen, kunnen wij toch niet zeggen: "Wij zijn rein van onze zonde, de zonde, die ons lichtelijk omringt, het lichaam des doods, waarover Paulus klaagde, Romeinen 7:24.