Psalm 99:6-9
Israëls geluk in Gods regering wordt hier nog nader aangetoond door enige bijzondere voorbeelden van Zijn bestuur, inzonderheid met betrekking tot hen die in hun dagen de voornaamste leidslieden, de werkzaamste en zegenrijkste regeerders waren van dat volk, Mozes Aaron en Samuël, in de eerste twee begon de theocratie of Godsregering (want zij werden gebruikt om Israël tot een volk te formeren), en in de laatste is die regeringsvorm in grote mate geëindigd, want toen het volk Samuël verwierp en hem drong om afstand te doen van de regering, werden zij gezegd God zelf te hebben verworpen, dat Hij niet zo onmiddellijk hun koning zou zijn, als Hij tot nu toe geweest zijn, 1 Samuël 8:7, want nu wilden zij een koning hebben zoals al de volken. Mozes wordt, zowel als Aaron, gezegd "onder Zijn priesters te zijn," want hij heeft het priesterambt uitgeoefend totdat Aaron in dat ambt bevestigd was, en hij was het, die Aaron en zijn zonen gewijd heeft. Daarom wordt hij door de joden "de priester van de priesters" genoemd.
Nu valt betreffende deze drie regeerders op te merken:
1. De innige gemeenschap, die zij hadden met God, en de grote gunst, die Hij hun had betoond. Geen van al de volken van de aarde kon op zulke drie mannen wijzen als deze geweest zijn, die zo'n omgang hadden met de hemel, en die God bij name kende, Exodus 33:17. Hier is:
A.. Hun onderhouden van Gods getuigenissen. Geen koninkrijk had mannen, die God eerden zoals deze drie mannen van het koninkrijk van Israël Hem geëerd hebben. Zij eerden Hem:
a. Door hun gebeden. Samuël, hoewel hij niet onder Zijn priesters was, was toch onder de aanroepers Zijns naams, en daarvoor waren zij allen vermaard. Zij riepen tot de Heere zij steunden niet op hun eigen wijsheid of kracht maar in iedere nood namen zij de toevlucht tot God, tot Hem was hun begeerte, en op Hem verlieten zij zich.
b. Door hun gehoorzaamheid. Zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden en de inzettingen, die Hij hun gegeven had. Zij hebben nauwgezet hun plicht betracht, en in alles hebben zij zich Gods woord en wet ten regel gesteld, wetende dat zij, tenzij zij dit deden, niet konden verwachten dat hun gebeden verhoord zouden worden, Spreuken 28:9. Mozes deed alles naar het voorbeeld, dat hem getoond was- er wordt dikwijls herhaald: naar alles wat God aan Mozes gebood, zo deed hij. Evenzo deden ook Aaron en Samuël. Dat waren de grootste en achtbaarste mannen, die het meest uitmuntten in het houden van Gods getuigenissen, en in zich te houden aan de regel van Zijn woord.
B. Gods genadig aannemen van hen. Hij verhoorde hen, heeft hun gegeven hetgeen waarvoor zij Hem hadden aangeroepen. Zij hebben allen verwonderlijk bij God overmocht in het gebed, op hun bepaald verzoek, hun bede, werden wonderen gedaan, ja meer, Hij verwaardigde zich niet alleen om te doen wat zij begeerden, zoals een vorst voor een smekeling, maar Hij oefende gemeenschap met hen, zoals een vriend zich gemeenzaam met zijn vriend onderhoudt, vers 7. Hij sprak tot hen in een wolkkolom. Hij heeft dikwijls tot Samuël gesproken, reeds in zijn kindsheid is het woord des Heeren tot hem gekomen, en waarschijnlijk heeft Hij soms tot hem gesproken door een schitterende wolk, die hem overschaduwde, in elk geval heeft Hij tot Mozes en Aaron dikwijls gesproken, in de vermaarde wolkkolom Exodus 16:10, Numeri 12:5. Israël wordt hier nu aan herinnerd, ter bevestiging van hun geloof, dat, hoewel zij niet iedere dag zulke waarneembare tekenen hadden van Gods tegenwoordigheid als de wolkkolom voor hen geweest is, het toch Gode heeft behaagd, om aan hen, die hun eerste grondleggers waren, en aan hem, die hun grote hervormer is geweest, zich aldus te openbaren.
2. De goede diensten, die zij aan Israël hebben bewezen. Zij hebben voorbede gedaan voor het volk, en ook voor hen hebben zij menig antwoord des vredes verkregen. Mozes stond in de scheur, en Aaron stond tussen de levenden en de doden, en toen Israël in benauwdheid was, riep Samuël voor hen tot de Heere 1 Samuël 7:9. Daarnaar wordt verwezen in vers 8. O Heere, onze God, Gij hebt hen verhoord, en op hun gebed, zijt Gij hun geweest een vergevend God, Gij hebt vergiffenis geschonken aan het volk, voor hetwelk zij hadden gebeden, en hoewel Gij wraak deedt over hun daden, hebt Gij hen toch niet afgesneden, om niet meer Uw volk te zijn, zoals hun zonde verdiend had. "Gij zelf zijt hun een genadig God geweest aldus Dr. Hammond om hunnentwil en hebt op hun bede het volk gespaard, toen Gij op het punt waart om wraak te doen over hun daden, toen Uw toorn zozeer tegen hen ontstoken was, dat hij op het punt was om over hen los te barsten en hen te verdoen." Dat waren sommige van de vele merkwaardige voorbeelden van Gods heerschappij over Israël, meer dan over ieder ander volk, waarvoor het volk wederom opgeroepen wordt om God te loven, vers 9. Verheft de Heere onze God om hetgeen Hij vroeger voor ons gedaan heeft, zowel als om hetgeen Hij nu onlangs voor ons deed, en buigt u voor de berg van Zijn heiligheid, waarop Hij nu Zijn tempel heeft, en waarover Hij weldra Zijn Koning zal zalven, Psalm 2:6, de eerste een type van de tweede. Laat al Gods Israël daar, als in het middelpunt van de eenheid, samenkomen ter aanbidding, want de Heere onze God is heilig, en verschijnt aldus niet alleen in Zijn heilige wet, maar ook in Zijn heilig Evangelie.