1 Samuël 7:7-12
I. Hier vielen de Filistijnen Israël aan, vers 7, daar deze algemene vergadering tot boetedoening en gebed hun achterdocht had gaande gemaakt, alsof het een bijeenkomst was om zich ten strijde toe te rusten, en mocht dit zo zijn, dan achtten zij het verstandig om het toneel des oorlogs buiten hun land te houden. Zij hadden geen reden voor deze verdenking, maar zij, die anderen kwaad willen doen, zullen zeer spoedig geneigd zijn te denken, dat anderen kwade bedoelingen tegen hen hebben. Zie nu hier:
1. Hoe soms goed uit kwaad schijnt voort te komen. De Godsdienstige bijeenkomst van de Israëlieten te Mizpa bracht hen in moeilijkheid met de Filistijnen, hetgeen hen wellicht in verzoeking bracht om te wensen, dat zij maar tehuis gebleven waren, en Samuël te laken omdat hij hen bijeengeroepen had. Maar wij kunnen in Gods weg zijn, en toch leed en benauwdheid hebben, ja meer, als zondaars beginnen berouw te hebben en zich te bekeren, dan moeten zij verwachten, dat Satan al zijn strijdkrachten tegen hen op de been zal brengen, en zijn werktuigen ten uiterste tegen hen zal gebruiken, ten einde hen tegen te staan en te ontmoedigen. Maar,
2. Zie ook, hoe ten laatste uit dit kwaad goed voortkomt. Nooit kon Israël meer ter rechter tijd bedreigd worden dan toen zij tot berouw en bekering zijn gekomen en tot God baden, en nooit konden zij beter toebereid zijn om de vijand te ontvangen, en de Filistijnen konden niet met meer onverstand voor zichzelf gehandeld hebben, dan op allen tijd krijg te gaan voeren tegen Israël, toen zij vrede sloten met God, maar God liet hun toe dit te doen, ten einde terstond een gelegenheid te hebben om de bekering Zijns volks te kronen met tekenen van Zijn gunst, en de woorden te bevestigen van Zijn bode, die hun verzekerd had dat, zo zij zich bekeerden, God hen uit de handen van de Filistijnen zou verlossen. Aldus zal de toorn des mensen Hem loffelijk maken, en de doeleinden van Zijn genade jegens Zijn volk zullen zelfs door de boze bedoelingen hunner vijanden tegen hen gediend en bevorderd worden, Micha 4:11, 12.
II. In deze benauwdheid houdt Israël zich aan Samuël als aan hun beste vriend onder God, hoewel hij geen krijgsman was, nooit als een strijdbaar held vermaard geweest is, maar bevreesd zijnde voor de Filistijnen tegen wie zij dachten niet opgewassen te zijn, verzoeken zij Samuël voor hen te blijven bidden, vers 8. Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot de HEERE, onze God. Zij waren daar ongewapend, onbereid voor de krijg, samengekomen om te vasten en te bidden, niet om te strijden, gebeden en tranen waren dus nu al de wapenen, waarvan velen hunner voorzien waren, en daartoe nemen zij dan nu hun toevlucht. En wetende dat Samuël grote invloed heeft in de hemel, verzoeken zij hem dringend en ernstig die tot hun behoeve aan te wenden. Zij hadden reden dit van hem te verwachten, want hij had hun beloofd voor hen te zullen bidden, vers 5, hun verlossing beloofd van de Filistijnen, vers 3, en zij hadden naar hem gehoord, acht op hem gegeven in alles wat hij van de Heere tot hen gezegd had. Zo behoeven zij, die zich in oprechtheid onderwerpen aan Christus als hun Wetgever en Rechter, niet te twijfelen aan hun deel in Zijn voorbede. Zij drongen er sterk op aan, dat Samuël niet zou ophouden voor hen te bidden, de militaire maatregelen en toebereidselen, die genomen en gemaakt moeten worden, zullen zij op zich nemen, doch laat hem volharden in de gebede voor hen, er aan denkende misschien, dat wanneer Mozes nog zo weinig zijn hand nederliet, Amalek de overhand had. O welk een troost is het voor alle gelovigen, dat onze grote Voorbidder hier boven nooit ophoudt voor ons te bidden, nooit zwijgt, maar altijd verschijnt voor het aangezicht van God voor ons! III. Samuël treedt voor hen tussenbeide bij God, en hij doet het door offerande, vers 9, Hij nam een melklam en offerde het geheel de Heere ten brandoffer, en terwijl het offer brandde gingen met de rook er van zijn gebeden op ten hemel voor Israël.
Merk op:
1. Hij deed voorbede met een offer. Christus doet voorbede krachtens Zijn genoegdoening, en in al onze gebeden moeten wij het oog hebben op Zijn grote offerande, daarop steunende voor verhoring en voor welbehaaglijkheid van onze gebeden. Samuëls offer zonder zijn gebed zou een lege schaduw zijn geweest, zijn gebed zonder het offer zou niet zo overmocht hebben, maar uit beide tezamen kunnen wij leren wat grote dingen wij van God kunnen verwachten in antwoord op de gebeden die gedaan worden met geloof in Christus' offerande. "Heere, help thans Uw volk, om Uws naams wil." Als wij trachten eer te geven aan God, dan kunnen wij hopen dat Hij in antwoord op ons gebed, tot Zijn eigen eer zal werken.
2. Het was slechts een melklam dat hij offerde, want het is de oprechtheid en de bedoeling des harten waar God op ziet, meer de de grootte of de hoeveelheid van de offers. Het een lam (dat een type was van het Lam Gods) was Hem meer welbehaaglijk dan duizenden van rammen en stieren geweest zouden zijn zonder gebed en geloof. 1 Samuël was geen priester, maar hij was een Leviet en een profeet, het was een buitengewoon geval, en wat hij deed, deed hij onder de bijzondere leiding van God, en was dus Gode welbehaaglijk. En rechtvaardig werd deze smaad op de priesters gelegd, omdat zij zich verdorven hadden.
IV. God gaf een genadig antwoord op Samuëls gebed, vers 9, de HEERE verhoorde hem. Hij was zelf een Samuël, gevraagd van God, en menige Samuël, menige zegen, heeft God hem gegeven in antwoord op zijn gebed. Kinderen des gebeds moeten vermaard wezen voor hun bidden, zoals "Samuël was onder de aanroepers Zijns naams", Psalm 99:6. Het antwoord was een werkelijk antwoord. De Filistijnen werden verslagen, vers 10, 11, geheel verslagen en op de vlucht gedreven, en wel op zo'n wijze, dat Samuëls gebed, de macht van God, en de kloekmoedigheid van Israël er groots door werden verheerlijkt.
1. Het gebed van Samuël werd geëerd, want op het eigen ogenblik, dat hij zijn offer offerde, begon de strijd, en heeft zich onmiddellijk tegen de Filistijnen gekeerd, zo heeft God, "terwijl hij nog sprak, gehoord en geantwoord in donder", Jesaja 65:24. God toonde dat Hij acht sloeg op Samuëls gebed en offerande, en hiermede heeft Hij Israël doen weten dat, gelijk Hij in een vorige strijd met de Filistijnen rechtvaardig hun verwaand, laatdunkend vertrouwen op de tegenwoordigheid van de ark op de schouders van twee onheilige priesters had gekastijd, thans hun nederig vertrouwen in het gebed des geloofs uit de mond en het hart van een Godvruchtig profeet in genade aanzag en er een welbehagen in had.
2. De macht van God werd grotelijks geëerd want Hij nam het werk in Zijn eigen handen en versloeg hen, niet met grote hagelstenen, die hen zouden gedood hebben (zoals vermeld is in Jozua 10:1 maar met een grote donder, die hen verschrikte, zo'n angst en ontsteltenis onder hen teweegbracht, dat zij in onmacht vielen, en een gemakkelijke prooi werden voor het zwaard van Israël, voor wiens aangezicht zij geslagen werden. Josephus voegt er bij, dat de aarde onder hen beefde, toen zij de eersten aanval deden, en zich op verscheiden plaatsen opende en hen verzwolg, en dat, behalve nog de verschrikking van de donder, hun handen geschroeid werden door de bliksem zodat zij genoodzaakt waren zich te redden door de vlucht. En toen zij aldus door de hand van God (dien zij minder vreesden dan zij Zijn ark gevreesd hebben, Hoofdstuk 4:7) op de vlucht waren gedreven, toen
3. Werd eer aangedaan aan de heirscharen Israëls, zij werden gebruikt om de overwinning te voltooien, en zij hadden de vreugde van over hun verdrukkers te zegevieren, zij vervolgden de Filistijnen en sloegen hen.
Hoe spoedig ondervonden ze het nut van hun berouw en hun bekering, hun wederkeren tot God! Nu zij zich aldus aan Hem verbonden hebben kan geen hunner vijanden voor hen bestaan.
V. Samuël richtte dankbaar een gedenkteken op van deze overwinning tot eer van God en tot bemoediging van Israël, vers 12. Hij richtte een Eben-Haezer, een steen van de hulpe op. Als ooit het harde hart des volks de indruk zou verliezen van deze leiding van de voorzienigheid Gods, dan zal deze steen of hun herinnering er aan opwekken en hen dankbaar maken, òf een blijvend getuigenis tegen hen zijn wegens hun ondankbaarheid.
1. De plaats, waar dit gedenkteken werd opgericht, was dezelfde waar twintig jaren tevoren de Israëlieten geslagen werden voor het aangezicht van de Filistijnen want dat was bij Eben-Haëzer, Hoofdstuk 1:
2. De zonde, die vroeger deze nederlaag had teweeggebracht, vergeven zijnde op hun berouw, werd die vergeving nu bezegeld door deze glorierijke overwinning op de eigen plaats waar zij toen dat verlies hebben geleden, zie Hosea 1:10.
3. Samuël zelf droeg zorg om dit gedenkteken op te richten. Hij was het middel geweest door zijn gebed om die zegen te verkrijgen, en daarom achtte hij zich inzonderheid verplicht om deze dankerkentenis tot stand te brengen.
4. De reden, die hij geeft voor de naam is: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen, waarin hij met dankbaarheid spreekt van wat geschied is, aan God alleen de eer gevende van de overwinning, die dit bij al Zijn vorige gunstbewijzen had gevoegd, en toch spreekt hij ietwat weifelend van de toekomst: "Tot hiertoe zijn de zaken goed gegaan, maar wat God nu verder met ons doen zal weten wij niet, dat laten wij aan Hem over, maar laat ons Hem loven voor wat Hij gedaan heeft." Het begin van zegen en uitredding moet met dankbaarheid door ons erkend worden, voorzover zij gaan, hoewel zij nog niet voltooid zijn, ja, al is zelfs het einde er van onzeker. "Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag", zegt Paulus, Handelingen 26:22.