Bijbelstudie
Boeken
Hebreeën 4
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
1
LAAT ons dan
1
vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan
2
nagelaten zijnde, iemand van u schijne
3
achtergebleven te zijn.
2
Want ook ons is het Evangelie verkondigd,
4
gelijk als hun; maar het woord
5
der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet
6
gemengd was in degenen die het gehoord hebben.
3
Want wij die geloofd hebben,
7
gaan in de rust,
8
gelijk Hij gezegd heeft:
a
Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn:
9
Indien zij zullen ingaan in Mijn rust!
10
Hoewel
Zijn
werken van de grondlegging der wereld af
11
al volbracht waren.
4
Want Hij heeft
12
ergens van den zevenden
dag
aldus gesproken:
b
En God heeft op den zevenden dag
13
van al Zijn werken
14
gerust.
5
En
15
in deze
plaats
wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!
6
Dewijl dan
16
blijft, dat sommigen in dezelve
rust
ingaan, en degenen wien het Evangelie
17
eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,
7
Zo bepaalt
18
Hij wederom een zekeren dag,
namelijk
heden,
19
door David zeggende zo langen
20
tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is):
c
Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
8
Want indien
21
Jozua hen
22
in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.
9
Er blijft dan
23
een rust over
24
voor het volk Gods.
10
25
Want die ingegaan is in Zijn rust, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
11
Laat ons dan ons benaarstigen om
26
in die rust in te gaan, opdat niet iemand
27
in datzelve voorbeeld der
28
ongelovigheid valle.
12
29
Want het Woord Gods is
30
levend en krachtig, en scherpsnijdender
d
31
dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot
32
de verdeling der ziel en des geestes, en
33
der samenvoegselen en des mergs, en is
34
een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten;
13
e
En er is geen schepsel onzichtbaar
35
voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en
36
geopend voor de ogen Desgenen
37
met Welken wij te doen hebben.
14
f
38
Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die
39
door de hemelen
40
doorgegaan is,
namelijk
Jezus, den Zone Gods, zo laat ons
41
deze belijdenis vasthouden.
15
g
Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden,
h
maar Die
42
in alle dingen
43
gelijk als wij is verzocht geweest,
doch
i
zonder zonde.
16
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan
k
tot
44
den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden
45
om geholpen te worden
46
te bekwamer tijd.