Jesaja 24:13-15
Wij zien hier hoe God in het midden van de toorn aan het ontfermen gedenkt. Als Juda en Jeruzalem en de omliggende landen oververmeesterd zullen zijn door de vijand, Sanherib of Nebukadnezar, dan zal daar een overblijfsel zijn, dat behouden wordt van het algemene verderf, en het zal een vroom, een Godvruchtig overblijfsel zijn. God volgt gewoonlijk deze methode als Zijn oordelen zijn uitgegaan, Hij maakt geen voleinding, Hoofdstuk 6:13. Of, wij kunnen het aldus opvatten: hoewel van het grootste deel van het mensdom genot en vertroosting is weggenomen door het ledigmaken van de aarde en de verwoesting ervan, zijn er toch enige weinigen, die zichzelf beter verstaan, hun schat opgelegd hebben in de hemel, en niet in de dingen van hier beneden, en daarom hun vertroosting en blijdschap in God kunnen behouden, zelfs als de aarde treurt en kwijnt.
Merk op:
1. Het kleine tal van dit overblijfsel, vers 13. Als alles ten verderve gaat, dan zal er als de afschudding des olijfbooms wezen, en gelijk de nalezingen wanneer de wijnoogst geëindigd is, hier en daar een, die aan de algemene ramp zal ontkomen (zoals Noach en zijn gezin toen de oude wereld onder de zondvloed werd bedolven), die in staat zullen zijn neer te zitten op de puinhopen van de dingen, die hun het leven hebben veraangenaamd en zelfs dan zich kunnen verblijden in de Heere, Habakuk 3:16-18, die als alle aangezichten somber en treurig zijn, "hun hoofd kunnen opheffen met blijdschap", Lukas 21:26, 28. Deze weinigen zijn verstrooid, op een afstand van elkaar, zoals de afschuddingen van de olijfboom, en zij zijn verborgen, verscholen onder de bladeren. De Heere alleen kent degenen, die de Zijnen zijn, de wereld kent hen niet.
2. De grote Godsvrucht van dit overblijfsel, die zoveel groter is omdat zij zo ternauwernood aan deze grote verwoesting ontkomen zijn, vers 14. Zij zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen.
a. Zij zullen zingen van blijdschap over hun verlossing, als de vrolijkheid van vleselijk-gezinde wereldlingen ophoudt, is de blijdschap van de heiligen even levendig als ooit, als de blijhartigen zuchten omdat de wijnstok kwijnt, dan zullen de oprechten van hart zingen omdat het verbond van de genade, de fontein van hun vertroostingen en het fundament van hun hoop, nooit faalt, zij, die zich verblijden in de Heere, kunnen zich verblijden in verdrukking, en door het geloof kunnen zij juichen als allen rondom hen in tranen zijn.
b. Zij zullen zingen tot eer en lof van God, zij zullen zingen, niet alleen van de goedertierenheid, maar van de heerlijkheid des Heeren, hun liederen zijn ernstig en ontzagwekkend, en in hun geestelijke blijdschap hebben zij een eerbiedig besef van de grootheid van God, en houden zij zich nederig op een afstand als zij tot Hem komen met hun lof. De heerlijkheid des Heeren, die een oorzaak van verschrikking is voor de goddelozen, voorziet de heiligen van liederen des lofs. Zij zullen zingen van de grootheid of alles overtreffende heerlijkheid des Heeren, tentoon gespreid beide in Zijn oordelen en in Zijn goedertierenheden, want van beide moeten wij zingen, , moeten wij Hem zingen, Psalm 101:1. Zij, die van het land, dat ledig gemaakt en verwoest werd ontkomen zijn, of nog ontkomen zullen naar de zee, zullen vandaar luid roepen, zij zullen juichen, hun verstrooiing zal er toe bijdragen om de kennis van God te verspreiden, en zij zullen zelfs op ver verwijderde kusten Zijn lof doen weerklinken. Het strekt zeer tot eer van God, als zij, die Hem vrezen, zich in Hem verblijden en Hem loven zelfs in de donkerste, treurigste tijden.
3. Hun heilige ijver om anderen op te wekken tot dezelfde Godsvrucht, vers 15. Ze moedigen hun lotgenoten in het lijden aan om evenzo te doen.
a. Zij, die in de vuren zijn, in de smeltkroes van de beproeving, de vuren, door welke de inwoners van de aarde verbrand worden, vers 6. Of in de valleien, in de lage, duistere, vuile plaatsen.
b. Zij, die op de eilanden in de zee zijn, waarheen zij verbannen werden, of genoodzaakt werden er heen te vluchten, om er een schuilplaats te vinden, ver verwijderd van al hun vrienden, zij "waren in het vuur en in het water gekomen," Psalm 66:12, maar laat hen in beide de Heere verheerlijken, Hem verheerlijken als de Heere, de God Israëls. Zij, die door het geloof kunnen roemen in verdrukking, behoren God te verheerlijken in verdrukking en Hem te danken voor de vertroostingen, die overvloedig zijn, gelijk als hun beproeving overvloedig is. Wij moeten in ieder vuur, ook in het heetste, op ieder eiland, zelfs in het afgelegenste, onze goede gedachten van God behouden, als wij, ofschoon Hii, ons zou doden, toch op Hem betrouwen, al worden wij om Zijnentwil de gehele dag gedood, en toch op geen van deze dingen achten, dan eren wij de Heere in de vuren, vers 15, zoals de drie jongelingen en de martelaars, die op de brandstapel hebben gezongen.