Psalm 83:10-19
In de naam van de kerk bidt de psalmist hier om de vernietiging van deze verbonden machten en in de naam van God voorzegt hij haar, want dit gebed, dat het zo zijn mocht, staat gelijk met een profetie, dat het zo zijn zal, en deze profetie reikt tot alle vijanden van de Evangeliekerk, wie zij ook zijn mogen, die Christus koninkrijk tegenstaan, zij kunnen hier hun oordeel lezen.
In korte woorden komt het gebed hierop neer dat deze vijanden, die verbonden waren tegen Israël, teleurgesteld mogen worden in hun pogingen, en dat die pogingen op hun eigen verderf zullen uitlopen, en Gods Israël dus bewaard en bestendigd zal worden. Nu wordt dit hier opgehelderd:
I. Door enige precedenten. Laat datgene hun straf zijn, hetwelk het lot geweest is van anderen, die zich tevoren tegen Gods Israël gekant hebben. De nederlaag van vroegere vijandelijke verbintenissen kan als pleitgrond in het gebed tot God aangevoerd worden, en gebruikt worden als een aanmoediging voor ons eigen geloof en onze hoop, omdat God nog dezelfde is, die Hij altijd geweest is, dezelfde voor Zijn volk, en dezelfde tegen Zijn en hun vijanden, bij Hem is geen verandering.
1. Hij bidt dat hun legers evenals die van hun vorige vijanden verstrooid zullen worden, vers 10, 11. Doe hun als Midian, laat hen door hun eigen vrees en verschrikking verslagen worden, want zo is het leger van de Midianieten verslagen, veel meer dan door Gideons driehonderd mannen. Doe hun als aan het leger van Sisera, die generaal was onder Jabin, koning van Kanaän, dat God versloeg aan de beek Kison, Richteren 4:15, in welks nabijheid Endor lag, zij werden als mest van de aarde, hun dode lichamen werden weggeworpen als mest, op hopen gelegd, of uitgespreid om de grond vet te maken, zij werden als vuil vertreden door het kleine, maar zegevierende leger van Barak, en dit werd hier gevoegelijk als precedent gesteld, omdat Debora het als zodanig gesteld heeft voor de latere tijden, toen het nog pas gebeurd was, Richteren 5:31. "Alzo moeten omkomen al Uwe vijanden, o Heere," dat is: alzo zullen zij omkomen.
2. Hij bidt dat hun aanvoerders, evenals die in vorige tijden, verdaan zullen worden. Het gemene volk zou zo boosaardig niet geweest zijn, indien hun vorsten hen niet opgezet hadden, en daarom wordt inzonderheid tegen hen gebeden, vers 12, 13.
Merk op:
a. Waarin hun boosheid tegen de God Israëls bestond, zij zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen, vers 13, waaronder wij kunnen verstaan het land Kanaän, dat een schoon lieflijk land was, Immanuels land was, of wel, de tempel, die inderdaad de schone, lieflijke woning Gods was, Jesaja 64:11, of zoals Dr. Hammond suggereert de lieflijke weidevelden, welke door deze Arabieren, die in vee handelden, zeer bijzonder gezocht werden. De vorsten en edelen wilden zich door deze oorlog verrijken, om hun geldgierigheid en eerzucht te bevredigen en hun legers moesten tot mest van de aarde gemaakt worden.
b. Wat hun lot zal zijn, zij zullen als Oreb en Zeeb gemaakt worden twee vorsten van de Midianieten, die, toen hun krijgsmacht verslagen was, door de Efraïmieten gegrepen en gedood werden toen zij poogden te vluchten, Richteren 7:25, en gelijk Zeba en Zalmuna, die door Gideon zelf gedood werden Richteren 8:2. "Laat deze onze vijanden een even gemakkelijke prooi voor ons worden, als deze het voor de toenmalige overwinnaars geweest zijn." Wij mogen God niet voorschrijven wat Hij doen moet, maar wel mogen wij God duidden dat Hij in onze dagen met de vijanden van Zijn kerk zal handelen zoals Hij gehandeld heeft met de vijanden in de dagen onder vaderen.
II. Hij heldert het op door enige gelijkenissen en bidt:
1. Dat God hen als een rad zal maken, vers 13, dat zij voortdurend in beweging moeten zijn, onrustig, onbestemd, onbezonnen in al hun raadslagen en besluiten, dat zij gemakkelijk en snel zullen heenrollen naar hun verderf. Of, gelijk sommigen denken, dat zij door het oordeel Gods verbroken zullen worden, zoals het koren gebroken of uitgedorst werd door het rad, dat toen voor dorsen gebruikt werd. Aldus wordt een wijs koning, als hij de goddelozen verstrooit, gezegd "het rad over hen te brengen," Spreuken 20:26. Van hen, die op God vertrouwen, is het hart bereid, het is vast, maar het hart van hen, die tegen Hem strijden, is onvast, als een rad.
2. Dat zij voortgedreven zullen worden alk stoppelen, of kaf, door een sterke wind. Hoewel het rad gedurig omdraait, is het toch vast bevestigd aan zijn as, maar laat er in hen niet meer vastigheid zijn dan in de lichte stoppelen, die door de wind worden voortgedreven, terwijl niemand ze begeert te redden, maar iedereen ze gaarne kwijt wil wezen, Psalm 1:4. Zo zal "de goddeloze henengedreven worden in zijn kwaad, van de wereld verjaagd worden."
3. Dat zij verteerd zullen worden als hout door het vuur, of als distelen en doornen, als varen of brem op de bergen door de vlammen, vers 15. Als de stoppelen door de wind worden voortgedreven, zullen zij ten laatste onder de een of andere heg, of in de een of andere sloot blijven liggen, maar hij bidt dat zij niet slechts voortgedreven zullen worden als stoppelen, maar als stoppelen verbrand zullen worden. En dit zal het einde wezen van de goddelozen Hebreeën 6:8, en inzonderheid van alle vijanden van Gods kerk. De uitlegging van deze gelijkenissen hebben wij in vers 16. Vervolg hen alzo met Uw onweder, vervolg hen tot hun algeheel verderf, en verschrik hen met Uw draaiwind. Zie, hoe de zondaren rampzalig worden gemaakt, de storm van Gods toorn wekt verschrikking op in hun hart, en zo worden zij geheel en al rampzalig. God kan met de hoogmoedigste en vermetelste zondaren handelen, die Zijn gerechtigheid hebben getrotseerd, en hen zo angstig en bang maken als een sprinkhaan. Het is de pijniging van de duivelen, dat ze sidderen.
III. Hij heldert het op door de goede gevolgen van hun beschaming, vers 17-19. Hij bidt hier dat God, hun hart hebbende vervuld van verschrikking, hierdoor hun aangezicht zal bedekken met schaamte, zodat zij zich zullen schamen over hun vijandschap jegens het volk van God, Jesaja 26:11, zich zullen schamen over hun dwaasheid in het handelen tegen de Almacht zelf en tegen hun eigen wezenlijk belang. Zij deden wat zij konden om Gods volk te schande te maken, maar de schande zal ten laatste tot henzelf terugkeren.
1. Nu zou het begin van deze schaamte het middel kunnen wezen tot hun bekering: "laat hen teleurgesteld worden in hun pogingen, opdat zo, o Heere, Uwen naam zoeken. Laat hen tot staan worden gebracht, opdat zij tijd hebben om na te denken, te bedenken wie het is tegen wie zij strijden en hoe weinig zij tegen Hem bestand zijn, en zich daarom verootmoedigen, zich onderwerpen, naar vredesvoorwaarden verlangen. Laat hen er toe gebracht worden om Uwen naam te vrezen, en dat zal hen dan wellicht er toe brengen om Uwen naam te zoeken." Hetgeen wij vuriglijk moeten begeren en van God bidden voor onze vijanden en vervolgers is, dat God hen tot berouw en bekering zal brengen, daartoe moeten wij naar hun vernedering verlangen, geen andere beschaming voor hen, dan die een stap is tot hun bekering.
2. Indien zij geen middel blijkt te zijn tot hun bekering, dan zal de voleinding van deze beschaming grotelijks strekken tot eer en verheerlijking van God, indien zij zich niet willen schamen en berouw hebben, zo laat hen te schande worden gemaakt en omkomen. Indien zij niet verschrikt willen worden tot bekering hetgeen spoedig hun verschrikking tot een gelukkig einde zou brengen, zo laat hen verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en nooit vrede hebben. Het zal strekken tot Gods eer, vers 19, dat andere mensen zullen weten en erkennen indien zijzelf het niet willen dat Gij alleen met Uwen naam zijt Jehovah, die onmededeelbare hoewel niet onuitsprekelijke, naam, de Allerhoogste over de gehele aarde. Gods triomfen over Zijn vijanden en de vijanden van Zijn kerk zullen onbetwistbare bewijzen zijn:
a. Dat Hij, overeenkomstig Zijn naam Jehovah, een uit zichzelf bestaand zelfgenoegzaam wezen is, dat in zichzelf alle macht heeft en alle volkomenheid.
b. Dat Hij de allerhoogste God is, vrijmachtig Heer over allen, boven alle goden, boven alle koningen, boven allen, die zich verheffen en er aanspraak op maken hoog te zijn.
c. Dat Hij dit is, niet alleen over het land Israëls, maar over de gehele aarde, zelfs over die volken van de aarde, die Hem niet kennen of erkennen, want Zijn koninkrijk heerst over alles. Dat zijn grote en ontwijfelbare waarheden, maar de mensen zijn er nauwelijks toe te bewegen om ze te willen kennen en geloven, daarom bidt de psalmist, dat het verderf van sommigen de overtuiging van anderen ten gevolge zal hebben. Het eindelijke verderf van al Gods vijanden in de grote dag, zal daar voor engelen en mensen het krachtdadig bewijs van zijn, als de eeuwige schande en versmaadheid tot welke de zondaren zullen opstaan Daniël 12:2, strekken zullen tot eeuwige eer en lof van God, wiens de wraak is.