Richteren 7:24-25
Wij hebben hier het opvolgen van deze glorierijke overwinning.
1. Gideons krijgslieden, die ontslagen waren en misschien reeds begonnen waren zich te verstrooien, hebben zich op de tijding van de vlucht van de vijand weer verzameld en hen met kracht vervolgd en nagejaagd, die zij eerst de moed niet hadden het hoofd te bieden. De mannen van Israël uit Nafthali en Aser waren niet zulken, als nu van die verwijderde landstreken kwamen, maar dezelfden, die als vrijwilligers dienst hadden genomen, Hoofdstuk 6:35, maar afgedankt waren Zij, die bevreesd waren geweest om te strijden, vers 3, schepten moed toen het ergste voorbij was, en waren bereid genoeg om de buit te delen, hoewel zij achter gebleven waren om de aanval te doen. Ook zij, die niet mochten strijden, hoewel zij het graag gewild hadden, en op bevel van God ontslagen waren, zijn niet zoals degenen, van wie wij lezen in 2 Kronieken 25:10, 13, "in hittigheid van de toorn teruggekeerd," maar hebben gewacht op de gelegenheid om dienst te doen in het vervolgen van de vijand en het opvolgen van de overwinning, hoewel hun de eer ontzegd was om mee te helpen om de liniën te forceren.
2. Op een oproep van Gideon kwamen de Efraïmieten eenparig op, en verzekerden zich van de passen van de Jordaan bij de verschillende veren ten einde de vijand de terugtocht af te snijdeen naar hun eigen land, en opdat zij in één keer verdelgd zouden worden, om aldus eenzelfde onheil voor Israël op een anderen tijd te voorkomen. Nu zij begonnen waren te vallen, besloten zij hen in één keer te verderven, Esther 6:13. Zij versperden hun de rivier, vers 24, dat is, zij posteerden zich langs de rivier, zodat de Midianieten, die vluchten voor degenen, die hen vervolgden, in de handen vielen van hen, die hen daar wachtten om hun de terugtocht af te snijden. Hier was "de vrees, en de kuil en de strik," Jesaja 24:17,
3. Twee van de hoofdaanvoerders van het leger van de Midianieten werden gevangen genomen en gedood door de Efraïmieten aan deze kant van de Jordaan, vers 25. Hun namen gaven misschien wel hun aard te kennen, Oreb betekent een raaf, en Zeeb een wolf (Corvinus en Lupus). Deze hadden op hun vlucht de wijk genomen, de een in een rots, Jesaja 2:21, Openbaring 6:15, de ander bij een wijnpers, zoals Gideon uit vrees voor hen, onlangs zijn koren bij een wijnpers had gedorst en verborgen, Hoofdstuk 6:1-1. Maar hun schuilplaats werd hun strafplaats, waar zij ter dood gebracht werden, en de gedachtenis er aan werd voor het nageslacht bewaard in de namen van de plaatsen, en dat wel tot hun eeuwige schande: Hier vielen de vorsten van Midian.