Psalm 89:39-53
In deze verzen hebben wij:
I. Een zeer droeve klacht over de jammerlijke toestand, waarin het koninklijk geslacht thans verkeert, die de psalmist moeilijk vindt overeen te brengen met het verbond, dat God met David had gemaakt. "Gij hebt gezegd dat Gij Uwe goedertierenheid niet van hem zoudt wegnemen, maar Gij hebt hem verstoten." Soms is het niet gemakkelijk om de beschikkingen van Gods voorzienigheid overeen te brengen met Zijn beloften, en toch zijn wij er zeker van dat zij er mee verenigbaar zijn, want Gods werken vervullen Zijn woorden, maar zijn er nooit mee in tegenspraak.
1. Davids huis scheen Gods gunst, die zijn sterkte en schoonheid was, verloren te hebben. God heeft een welbehagen gehad in zijn gezalfde, maar nu was Hij verbolgen op hem, vers 39, Hij was in verbond getreden met het geslacht, maar nu had Hij voor zoveel de psalmist zien kon Zijn verbond teniet gedaan, niet slechts enige artikelen er van weggedaan, maar het geheel en al teniet gedaan, vers 40. Wij geven een verkeerde uitlegging aan de bestraffingen van de voorzienigheid Gods, als wij denken dat zij het verbond teniet doen. Toen de grote Gezalfde, Christus zelf, aan het kruis was, scheen God Hem verlaten en verstoten te hebben, verbolgen op Hem te zijn, en toch heeft Hij Zijn verbond met Hem niet teniet gedaan, want dat was vast tot in eeuwigheid.
2. De eer van het huis van David was weg, in het stof gelegd. Gij hebt zijn kroon, die altijd als heilig beschouwd werd, ontheiligd door haar tegen de aarde te werpen om vertreden te worden, vers 40. Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden (zo onzeker is alle aardse heerlijkheid, en zo spoedig kan zij verwelken) en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten, niet slechts de koning onttroond, maar een einde gemaakt aan zijn koninkrijk, vers 45. Indien dit geschreven was in Rehabeams tijd, dan was dit waar ten opzichte van het grootste gedeelte van het koninkrijk, vijf delen van de zes, indien in Zedekia's tijd, dan was het nog opmerkelijker waar ten opzichte van het arme overblijfsel. Tronen en kronen zijn wankelende dingen en worden dikwijls in het stof gelegd, maar er is een kroon van de heerlijkheid, weggelegd voor het geestelijk zaad van Christus, die niet zal verwelken.
3. Het koninklijke huis was een prooi geworden voor al de naburen, die dit aloude, achtbare geslacht hoonden en bespotten, vers 41. Gij hebt al zijn muren doorgebroken, alles wat een verdediging of beschutting voor hen was, en inzonderheid die beschermende muur, die zij dachten door Gods genade en verbond om hen heen gebouwd te zijn, en Gij hebt zelfs zijn vestingen nedergeworpen, zodat die eerder een smaad dan een bescherming voor hen waren. Allen, die de weg voorbijgaan, hebben hem beroofd, vers 42, en een gemakkelijke prooi van hem gemaakt, zie Psalm 80:13, 14. De vijanden voeren een beledigende taal, zijn naburen is hij tot een smaad geweest, die juichen in zijn val van een zo grote hoogte van eer. Ja ieder draagt er toe bij om de ramp te bevorderen, vers 43. "Gij hebt de rechterhand van zijn wederpartijders verhoogd, hun niet alleen macht gegeven, maar hen er toe geneigd om hun macht op die wijze te gebruiken." Als de vijanden van de kerk hun hand er tegen opheffen, dan moeten wij zien dat het God is die hun hand verhoogt, want zij konden geen macht betonen, indien deze hun niet van boven gegeven ware. Maar als God hun toelaat kwaad te doen aan Zijn kerk, dan doet hun dit genoegen. "Gij hebt al zijn vijanden verblijd, en is dit tot Uwe eer, dat zij, die U haten, het genoegen hebben om de tranen en de ellende te zien van hen, die U liefhebben?" 4. Het huis van David was niet bij machte om zichzelf te helpen, vers 44. "Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en het stomp gemaakt, zodat het geen slachting meer kon aanrichten onder zijn vijanden, en wat nog erger is Gij hebt de scherpte van zijn geest omgekeerd, hem de moed benomen, en hem niet, zoals Gij placht te doen, doen standhouden in de krijg." De geest des mensen is wat de Vader en Formeerder van de geesten hem doet zijn, en wij kunnen niet met kracht en vastberadenheid standhouden, dan voorzoveel het God behaagt ons te ondersteunen. Als der mensen moed het begeeft dan is het God, die hen moedeloos maakt, maar het is treurig gesteld met de kerk, als diegenen geen stand kunnen houden, die geroepen zijn om haar te verdedigen.
5. Het stond op het punt van een roemloze ondergang, vers 46. Gij hebt de dagen van zijn jeugd verkort, het staat uitgeroeid te worden als een jonkman in de bloei van zijn jaren. Dit schijnt een aanduiding te zijn dat de psalm in Rehabeams tijd geschreven was, toen het huis van David nog pas in zijn jeugd was, en toch reeds oud begon te worden en te vervallen. Aldus was het bedekt met schande, en het strekte zeer tot zijn smaad, dat een geslacht, hetwelk onder de eerste en tweede regering zo groot een aanzien had en zo'n voorname rol heeft gespeeld, onder de derde regering zo verminderd en vervallen was en zo gering een aanzien had, als het huis van David in de tijd van Rehabeam. Maar het kan toegepast worden op de gevangenschap in Babel, want in vergelijking met hetgeen verwacht was, was het toen nog de dag van de jeugd van dat koninkrijk. Hoe het zij, de dag van de jeugd van de koningen was toen op zeer merkwaardige wijze verkort, want het was in de dagen hunner jeugd, toen zij omstreeks dertig jaren oud waren, dat Jojachin en Zedekia gevankelijk naar Babel gevoerd werden.
Laat ons uit geheel die droeve klacht leren:
a. Wat de zonde aanricht in geslachten, in edele, koninklijke geslachten, in geslachten, in welke de godsdienst boven aan stond. Als het nageslacht ontaardt, dan onteert het zich, en de ongerechtigheid bezoedelt hun heerlijkheid.
b. Hoe geneigd wij zijn om de beloofde eer en het geluk van de kerk in iets uitwendigs te stellen, en te denken dat de belofte feilt en het verbond teniet gedaan is, indien wij daarin teleurgesteld worden, een vergissing, die thans niet te verontschuldigen is, nu onze Meester zo uitdrukkelijk verklaard heeft, dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is.
II. Een zeer aandoenlijke klacht hierover bij God. Op vier dingen pleiten zij bij God om genade.
1. Op de langen duur hunner ellende, vers 47. Hoelang, o Heere, zult Gij U steeds verbergen? Wat hun het meest smartte, was dat God zelf, als een die misnoegd is, hun niet verscheen door Zijn profeten om hen te vertroosten, niet voor hen verscheen in de weg van Zijn voorzienigheid om hen te verlossen, en dat Hij hen lang in het duister heeft gehouden, het scheen een eeuwige nacht, toen God zich had teruggetrokken, steeds verbergt Gij U. Ja, God heeft zich niet slechts voor hen verborgen, maar Hij scheen zich ook tegen hen te stellen. "Zal Uwe grimmigheid branden als een vuur? Hoelang zal dat vuur branden? Zal het nooit uitgeblust worden? Wat is de hel anders dan de toorn Gods, brandende tot in eeuwigheid? En is dat het deel van Uw gezalfde? 2. Op de kortheid van het leven en de zekerheid van de dood. "Heere, laat Uw toorn ophouden, en keer in genade tot ons weer, gedenkende hoe kort mijn tijd is en hoe gewis het einde van mijn tijd. Heere, daar mijn leven zo voorbijgaand is en eerlang ten einde zal zijn, laat het niet altijd zo ellendig, zo rampzalig wezen, dat ik liever geen bestaan zou willen hebben dan zo'n bestaan te moeten leiden." Job pleit aldus, Hoofdst. 10:20, 21 En waarschijnlijk voert de psalmist dit aan in de naam van het huis Davids en de tegenwoordige vorst van dat huis, wiens dagen verkort waren, vers 46.
A. Hij voert de kortheid en ijdelheid van het leven aan, vers 48. Gedenk hoe kort mijn tijd is, hoe voorbijgaand ik ben, en dat ik dus niet instaat ben om de sterkte Uws toorns te dragen, en derhalve een geschikt voorwerp ben van Uw mededogen. Waarom zoudt Gij alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben? Of, tot wat ijdelheid hebt Gij al de kinderen van Adam geschapen? Nu kan dit verstaan worden, hetzij
a. Als een grote waarheid uitsprekende. Indien de vorige goedertierenheden, waarvan gesproken is, vers 50, vergeten zijn, (die welke betrekking hebben op een ander leven) dan voorwaar, is de mens tevergeefs geschapen, daar de mens sterflijk is, indien er geen toekomende staat ware aan de andere kant van de dood, dan kunnen wij bereid zijn te denken dat de mens tevergeefs geschapen is, tevergeefs begiftigd werd met de edele krachten en vermogens van het verstand, vervuld van zulke grote plannen en voornemens en begeerten. Maar God zou de mens niet tevergeefs geschapen hebben, en daarom, Heere, gedenk aan die goedertierenheden. Of,
b. Als aanduidende een sterke verzoeking, waardoor de psalmist toen werd aangevallen. Het is zeker: God heeft niet alle mensen, heeft geen enkelen mens, tevergeefs geschapen, Jesaja 45:18. Want,
Ten eerste. Als wij denken dat God de mens tevergeefs geschapen heeft, omdat zovelen een kort leven en langdurige beproevingen hebben in deze wereld, dan is het waar dat God hen zo gemaakt heeft, maar het is niet waar dat zij daarom tevergeefs gemaakt zijn. Want zij, wier dagen weinige zijn en vol van onrust, kunnen toch God verheerlijken en enig goed doen, hun gemeenschap met God onderhouden en naar de hemel gaan, en dan zijn zij niet tevergeefs geschapen.
Ten tweede. Indien wij denken dat God de mensen tevergeefs geschapen heeft, omdat de meeste mensen Hem noch dienen noch genieten dan is het waar, dat zij ten opzichte van zichzelf tevergeefs geschapen zijn, het zou beter voor hen zijn niet te zijn geboren dan niet te zijn wedergeboren, maar het was niet Gods schuld, dat zij tevergeefs geschapen waren, het was hun eigen schuld, ook zijn zij niet ten opzichte van Hem tevergeefs geschapen, want Hij heeft alles gewrocht om zijns zelfs wil, ook de goddeloze tot de dag des kwaads, en Hij zal verheerlijkt worden aan hen, door wie Hij niet verheerlijkt wordt.
B. Hij pleit op het algemene en onvermijdelijke van de dood, vers 49. "Wat man", ( welk sterk man zoals de betekenis is van het woord) "leeft er, die de dood niet zien zal? Zelfs de koning uit het huis van David is niet vrijgesteld van het vonnis, niet gevrijwaard tegen de slag, Heere, daar hij onder de noodlottige noodzakelijkheid is van te moeten sterven, zo laat dan toch niet zijn gehele leven rampzalig zijn. Zal hij zijn ziel bevrijden van de hand des grafs? Neen, dat zal hij niet als zijn tijd van te sterven is gekomen. Laat hem dan niet in de hand des grafs overgeleverd worden door de ellende van een stervend leven, voordat zijn tijd gekomen is." Hier hebben wij te leren dat de dood het einde is van alle mensen. Onze ogen zullen weldra gesloten zijn in de dood, "er is geen ontheffing van die krijg," Prediker 8:8, ook zal er geen borgtocht van ons aangenomen worden, om ons uit de gevangenis des grafs te verlossen. Daarom is het zaak voor ons om ons te verzekeren van de gelukzaligheid aan de andere kant van de dood en het graf opdat wij, wanneer we bezwijken, ontvangen mogen worden in de eeuwige tabernakelen.
3. De volgende pleitgrond is ontleend aan de goedertierenheid, die God gehad heeft voor Zijn knecht David, en het verbond, dat Hij met hem heeft gemaakt, vers 50. "Heere, waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij aan David getoond hebt, ja meer, die Gij hem in Uw waarheid en trouw hebt gezworen? Zult Gij feilen te doen wat Gij hebt beloofd? Zult Gij wat Gij gedaan hebt ongedaan maken? Zijt Gij niet nog dezelfde? Waarom kunnen wij dan het voordeel, de zegen, niet hebben van de vroegere gewisse weldadigheden Davids?" Gods onveranderlijkheid en trouw verzekeren ons, dat God hen niet zal verstoten, die Hij verkoren heeft en met wie Hij een verbond heeft gemaakt.
4. De laatste pleitgrond is genomen uit de onbeschaamdheid van de vijanden en de belediging, die aan de gezalfde Gods is aangedaan, vers 51, 52. "Gedenk, Heere, aan de smaad, en laat die van ons afgewenteld worden en wederkeren op onze vijanden."
a. Het waren Gods dienstknechten, die gesmaad werden, en de belediging, hun aangedaan, was een belediging van God zelf, inzonderheid wijl zij gesmaad werden omdat zij Hem dienden. De smaad, op Gods dienstknechten geworpen, drukte als een zware last op allen, aan wie de ere Gods ter harte ging:
b. Ik draag in mijn boezem de smaad van alle grote volken, en ben er door overstelpt, het gaat mij zeer ter harte, en ik ben nauwelijks instaat er goedsmoeds onder te blijven."
c. "Het zijn Uw vijanden, die ons aldus smaden, wilt Gij dan niet tegen hen als zodanigen verschijnen?"
d. "Zij hebben de voetstappen Uws gezalfden gesmaad. Zij spraken met minachting over alle stappen, die de koning gedaan heeft, dat is al de maatregelen, die hij in de loop van zijn regering genomen heeft, zij gingen hem na in al zijn bewegingen, teneinde hatelijke aanmerkingen te maken op alles wat hij gezegd of gedaan had. Of, indien wij het kunnen toepassen op Christus, des Heeren Messias, zij smaadden de Joden om Zijn voetstappen, het langzame van Zijn komst. Zij hebben het toeven van de Messias gesmaad, aldus Dr. Hammond. Zij noemden Hem: Hij, die komen zou, maar omdat Hij nog niet gekomen was, omdat Hij nu niet kwam, om hen te verlossen uit de handen hunner vijanden toen zij niemand hadden om hen te verlossen, zeiden zij hun dat Hij nooit zou komen, dat zij maar niet langer naar Hem moesten uitzien. De spotters van het laatste van de dagen zullen evenzo de voetstappen smaden van de Messias, zeggende: Waar is de belofte Zijner toekomst? 2 Petrus 3:3, 4 In het smaden van de voetstappen van de gezalfde zien sommigen het vermorzelen van de verzenen van het zaad van de vrouw, of het lijden van Christus' volgelingen, die in Zijn voetstappen treden en die om Zijns naams wil gesmaad worden.
Eindelijk. De psalm eindigt met lofzegging zelfs na deze droeve klacht, vers 53. Geloofd zij de Heere in eeuwigheid! Amen, ja amen. Zo stelt hij zich tegenover de smaad van zijn vijanden. Hoe meer anderen God lasteren, hoe meer wij Hem behoren te loven Aldus herziet hij zijn klacht, bestraft hij zich voor zijn twisten met Gods beschikkingen, het in twijfel trekken van Zijn beloften. Laat beide deze zondige hartstochten tot zwijgen worden gebracht met de lof van God. Hoe het ook zij, God is goed, en nooit zullen wij harde gedachten van Hem koesteren, God is getrouw, en nooit zullen wij Hem wantrouwen. Hoewel de eer en heerlijkheid van Davids huis bezoedeld zijn, zal dit onze troost wezen, dat God tot in eeuwigheid wordt geloofd en Zijn heerlijkheid niet kan tanen. Als wij de troost willen smaken van de vastheid van Gods belofte, dan moeten wij Hem de lof er voor geven, God lovende bemoedigen wij onszelf. Hier is een dubbel Amen, overeenkomstig de dubbele betekenis. Amen, zo is het, God is geloofd tot in eeuwigheid Amen, het zij zo, laat God tot in eeuwigheid worden geloofd. Hij begon de psalm met dankzegging voor hij zijn klacht aanhief, vers 2, en nu besluit hij hem met een lofzegging. Zij, die God danken voor hetgeen Hij gedaan heeft, kunnen Hem ook danken voor hetgeen Hij doen zal. God zal hen volgen met Zijn goedertierenheden, die Hem op de rechte wijze volgen met hun lofzeggingen.