Spreuken 30:18-23
Hier wordt gesproken van vier ondoorgrondelijke dingen, die te wonderlijk zijn om ten volle gekend te worden.
I. De eerste drie zijn natuurlijke dingen en worden slechts bedoeld als vergelijkingen ter opheldering van het laatste. Wij kunnen het spoor niet nagaan:
a. Van een arend in de lucht, waarheen hij gevlogen is kan niet ontdekt worden hetzij door voetstappen, of door de reuk, zoals men op de grond de weg van een dier kan ontdekken, evenmin kunnen wij de snelheid bepalen van zijn vlucht, hoe spoedig hij buiten ons gezicht is.
b. Een slang op een rotssteen. De weg van een slang in het zand kunnen wij vinden door het spoor dat hij nalaat, maar niet van een slang op een harde rotssteen, ook kunnen wij niet beschrijven hoe een slang zonder voeten in weinig tijde naar de top van een rots kan kruipen.
c.Een schip in de golven van de zee.] "De leviathan verlicht wel het pad achter hem, men zou de afgrond voor grijsheid houden", Job 41:23, maar een schip laat geen spoor achter zich, en soms wordt het zo heen en weer geslingerd op de golven, dat men er zich over verbaast hoe het nog behouden kan blijven en ter plaatse van zijn bestemming aan kan komen. Het rijk van de natuur is vol van wonderen, van wonderbare dingen, die God doet, die men niet doorzoeken kan.
2. Het vierde is een verborgenheid van ongerechtigheid, onbegrijpelijker en onverklaarbaarder dan die allen, deze bedriegelijkheid behoort tot de diepten van Satan, deze arglistigheid van het hart, die niemand kan kennen, Jeremia 17:9. Het is tweeledig.
A. De gevloekte kunstenarijen, waarmee een minne overspeler een maagd verleidt, haar overhaalt om aan zijn goddeloze en afschuwelijke lusten te voldoen. Daarover heeft een loszinnig dichter voor lang een geheel boek geschreven: "De acte amandi van de kunst van de liefde." Door welk voorwenden en betuigen van liefde en al haar machtige bekoringen, beloften van huwelijk, verzekeringen van geheimhouding en beloning, is menige onvoorzichtige maagd er niet toe gekomen om haar deugd en eer, haar vrede en haar ziel te verkopen aan een minne verrader, want zodanig zijn alle zondige lusten in het rijk van de liefde. Hoe behendiger de verzoeking wordt ingekleed, hoe waakzamer en vastberadener ieder rein hart er tegen moet wezen.
B. De gevloekte kunstenarijen, die een minne overspeelster aanwendt om haar slechtheid te verbergen, inzonderheid voor haar echtgenoot, van wie zij verraderlijk afwijkt. Zo geheim zijn haar intriges met haar ontuchtige metgezellen, en zo listiglijk bedekt, dat het even onmogelijk is haar te ontdekken als een arend in de lucht na te speuren. Naar de gelijkheid van de overtreding van Adam eet zij van de verboden vrucht, en dan wist zij haar mond af opdat het niet gezien zal worden, en met een vermetel, onbeschaamd aangezicht zegt zij: ik heb geen ongerechtigheid gedaan voor de wereld ontkent zij het feit, en is bereid te zweren dat zij nooit de misdaad begaan heeft, waarvan zij verdacht wordt, en even kuis en zedig is als welke andere vrouw ook. Het zijn werken van de duisternis, die zeer zorgvuldig bedekt en verborgen gehouden worden. b. Voor haar eigen geweten (indien zij er nog een heeft) ontkent zij de schuld, en wil niet erkennen dat deze grote ongerechtigheid een ongerechtigheid is, het is niets anders dan een onschuldig vermaak. Zie Hosea 12:8, 9. Zo is het dat zeer velen hun ziel ten verderve brengen door kwaad goed te noemen, en hun overtuiging tot zwijgen te brengen door een rechtvaardiging van zichzelf.
II. Wordt gesproken van vier dingen, die ondraaglijk zijn, dat is: van vier soorten van personen, die zeer lastig zijn voor de plaats van hun inwoning en de betrekkingen, de omgeving, waarin zij geplaatst zijn- de aarde ontroert zich over hen, en zucht onder hen als onder een last, die zij niet dragen kan, en zij zijn allen tamelijk gelijk aan elkaar.
1. Een knecht, als hij bevorderd, met macht wordt bekleed, die van alle anderen het onbeschaamdst en heerszuchtigst is, getuige Tobia de Ammonietische knecht, Nehemia 2:10.
2. Een dwaas, een dom, ruw, onstuimig men, zal, als hij rijk is geworden en zich aan de genoegens van de tafel tegoed doet, het gehele gezelschap beroeren door zijn buitensporige praat en de beledigingen, die hij aandoet aan hen, die hem omringen.
3. Een kwaadwillige, dwarse vrouw als zij een man krijgt, een vrouw, die zich door haar hoogmoed en haar zuur humeur hatelijk gemaakt heeft, zodat men gedacht zou hebben dat nooit iemand liefde voor haar zou kunnen opvatten, en toch eindelijk trouwt, maar dan maakt die eerbare staat haar nog meer ondraaglijk minachtend en boosaardig dan ooit. Het is te betreuren dat hetgeen een gemoed moest verzachten, juist de tegenovergestelde uitwerking heeft. Als een godvruchtige vrouw gehuwd is, zal zij nog vriendelijker zijn.
4. Een oude dienstmaagd, die haar meesteres door vleien en flikflooien er toe brengt om haar haar bezitting na te laten, of haar zo dierbaar wordt alsof zij haar erfgename was. Zo iemand zal ook ondraaglijk trots en boosaardig zijn, zal hetgeen haar meesteres haar geeft nog veel te weinig vinden, en zich verongelijkt achten indien er nog iets is, dat haar niet wordt nagelaten. Laat hen dus, die door Gods voorzienigheid van een gering begin tot eer en aanzien verhoogd zijn, zorgvuldig waken tegen deze zonde, die hen zeer lichtelijk omringt, hoogmoed, die in hen het meest ondraaglijk en het minst te verontschuldigen is, en laat hen verootmoedigd zijn bij de gedachte aan de rotssteen, waar zij uit gehouwen zijn.