4. Aanschouw toch, in plaats van Uw aangezicht nog langer van mij te verbergen, alsof Gij mijnen nood niet ziet, dezen ongelukkige, verhoor mij, HEERE, mijn God, die mij nu voor eeuwig vergeten hebt (
Vers 2)! verlicht mijne ogen 1), schenk mij nieuwe levenskracht door den aanblik Uwer genade (
1 Samuël 14:27), opdat ik in den dood niet ontslape (
Psalm 76:6. 76:5
Jeremia 51:39,
57).
1) Zodra Gods aangezicht van ons afgewend wordt, volgt ontroering, bezwijken, verduistering des verstands, radeloosheid, zodat wij in `t donkere rondtasten en overal zoeken of wij zouden kunnen ontvluchten. Wanneer dus de Heere het licht van Zijn aangezicht naar ons wendt, zodat Hij ons verhoort, zo worden onze ogen weer verlicht en is overal overvloedig raad te vinden..
Wie in ellende ter neer zit, wiens levenskrachten vervliegen, diens oog is ingezonken en dof, maar als weer nieuwe levenskracht wordt geschonken, wordt ook het oog weer helder. Welnu, hierom bidt David hier. Tengevolge van zijn moedelozen toestand vergaat zijn kracht, staat zijn oog dof en vreest hij algehele inzinking en eindelijk den dood. En het is daarom, dat hij zo uit den diepsten grond des harten tot zijn God de toevlucht neemt. Want o, David weet het ook, dat Gods eer er mede gemoeid is, dewijl de Heere hem tot koning heeft gezalfd.
Uit de diepte roept hij dan tot den Heere, en waar hij aan de ene zijde het beeld van den gelovige vertoont in zijne moedeloze ogenblikken, zo toch ook weer dat van den gelovige, bij wie het toevluchtnemend geloof zich in al zijn kracht openbaart.