Psalm 75:7-11
In deze verzen zien wij twee grote leerstellingen neergelegd, en twee goede gevolgtrekkingen er uit afgeleid ter bevestiging van hetgeen hij tevoren gezegd had.
I. Er zijn twee grote waarheden gesteld betreffende Gods regering van de wereld waarmee wij geloof hebben te mengen, passende voor de gelegenheid.
1. Dat de koningen van God alleen hun macht ontvangen, vers 7, 8, en daarom wilde David aan God alleen de eer geven van zijn verhoging, zijn macht van God hebbende, wilde hij haar alleen voor Hem gebruiken, en daarom waren zij onzinnig, die de hoorn tegen hem verhieven. Wij zien verwonderlijke omwentelingen in staten en koninkrijken, en zijn verbaasd over de plotselinge vernedering van sommigen en de verheffing van anderen, allen zijn wij geheel vervuld van deze veranderingen als zij plaatshebben, maar hier worden wij er toe geleid om er voor op te zien naar de werker ervan, en wordt ons geleerd waar de oorsprong is van macht, en vanwaar de verhoging komt. Vanwaar komt in koninkrijken de bevordering tot de soevereiniteit? En vanwaar komen in koninkrijken bevorderingen tot posten van macht en vertrouwen? De eerste hangen niet af van de wil des volks, en de laatste niet van de wil van de vorst, maar beide hangen zij af van de wil van God, die alle harten in Zijn hand heeft, tot Hem moeten dus diegenen opzien, die naar bevordering streven, en dan beginnen zij aan het rechte einde. Hier wordt ons gezegd:
a. Ontkennenderwijs: waar wij de bron en oorsprong van macht niet hebben te zoeken: Het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn, dat is: noch uit de woestijn ten noorden van Jeruzalem, noch uit die in het zuiden, zodat de gunstige wind van de bevordering niet verwacht moet worden uit enigerlei kompasstreek, maar alleen van boven, onmiddellijk vandaar. De mensen kunnen geen bevordering verkrijgen, hetzij door de wijsheid of de rijkdom van de kinderen van het Oosten, of door de talrijke strijdmachten van de eilanden van de volken, die westwaarts lagen, of die van Egypte en Arabië, die zuidwaarts gelegen waren, geen gunsten van tweede of ondergeschikte oorzaken zullen de mensen tot eer en macht verhogen, zonder de eerste oorzaak. De geleerde bisschop Lloid (Serm. in loc.) geeft deze uitleggen ervan: Alle mensen hielden het er voor, dat de oorsprong van macht van de hemel is, maar van wie aldaar, dat is het wat velen niet wisten. De Oosterse volken die zich over het algemeen aan astrologie wijdden, hielden het er voor dat zij van de sterren komt, inzonderheid van de zon, hun god. Neen, zegt David, zij komt noch van het oosten, noch van het westen, noch van de opgang, noch van de ondergang van zo'n planeet, of zo'n constellatie, noch van het zuiden, noch van de verheffing van de zon, of van enigerlei ster aan het zenith. Hij maakt geen melding van het noorden, omdat niemand veronderstelde dat zij vandaar komt, of, omdat hetzelfde woord dat het noorden betekent, ook de verborgen plaats betekent, en van de verborgen raad Gods komt zij wel, of van het orakel te Zion, dat aan de noordzijde van Jeruzalem lag. Geen wind is zo goed om bevordering aan te waaien, anders dan zoals Hij het gebiedt, die de winden in Zijn vuisten heeft verzameld.
b. Bevestigenderwijs. God is rechter, heerser, scheidsrechter: als partijen strijden om de prijs, dan vernedert Hij deze en verhoogt genen, naar het Hem geschikt voorkomt om Zijn eigen doeleinden te dienen en Zijn eigen raad tot stand te brengen. Hierin handelt Hij naar Zijn vrijmacht en is er ons geen rekenschap voor verschuldigd, ook is er geen schade of nadeel in gelegen en geen oneer, dat Hij, die oneindig wijs, heilig en goed is, onbeperkte macht heeft om te verhogen en te vernederen, wie, wanneer en hoe Hij wil. Dit is een goede reden, waarom magistraten voor God moeten regeren, als degenen, die er Hem rekenschap van zullen geven, want het is door Hem, dat de koningen regeren.
2. Dat allen van God alleen hun oordeel moeten ontvangen. In des Heeren hand is een beker, die Hij aan de kinderen van de mensen in de handen geeft, een beker van de voorzienigheid, gemengd (naar Hij het goed oordeelt) uit vele bestanddelen, een beker van de beproeving, het lijden van Christus wordt een beker genoemd, Mattheus 20:22, Johannes 18:11. De oordelen Gods over de zondaren zijn "de beker van de rechterhand des Heeren," Habakuk 2:16. De wijn is rood, aanduidende de toorn Gods, welke gemengd is onder de oordelen, die aan zondaren volvoerd worden, de gal en alsem is in de beproeving en ellende. Hij is rood als vuur rood als bloed, want hij brandt en doodt. Er zijn vermengingen van genade en goedertierenheid in de beker van de beproeving, als hij in de handen van Gods eigen volk wordt gegeven, vermengingen van de vloek, als hij in de handen van de goddelozen wordt gegeven, het is wijn vermengd met gal. Deze fiolen:
a. Worden uitgegoten over allen, zie Openbaring 15:7, 16:1, waar wij lezen van de engelen, die de fiolen van Gods toorn uitgieten op de aarde. Sommige droppelen van die toorn kunnen op godvruchtigen vallen, als Gods oordelen zijn uitgegaan, zij hebben hun deel van de algemene rampen, maar,
b. De droesemen van die beker worden bewaard voor de goddelozen. De ramp zelf is slechts het vat, waarin de toorn en de vloek gestort zijn, het bovenste heeft er slechts weinig van, maar het bezinksel is zuivere toorn, en dat zal de zondaren ten deel vallen, zij hebben de droesemen thans in de verschrikkingen van het geweten en hiernamaals in de pijniging van de hel. Zij zullen ze uitzuigende drinken, opdat geen droppel van de toorn zal achterblijven, en zij zullen ze drinken, want "de vloek zal gaan tot in het binnenste van hen als het water en als de olie in hun beenderen." De beker van des Heeren gramschap zal hun een beker van de zwijmeling zijn, van de eeuwigdurende zwijmeling Openbaring 14:10. Terwijl de goddeloze voorspoedig is in de wereld, is zijn beker vol van mengeling, maar het ergste is op de bodem. De goddelozen worden bewaard voor de dag des oordeels.
II. Hier zijn twee goede, practische gevolgtrekkingen uit deze waarheden afgeleid, leidende tot dezelfde plichtsbetrachting waarmee hij de psalm begon. Dit zo zijnde:
1. Zal hij God loven en Hem eer geven voor de macht, waartoe Hij hem had verhoogd, vers 10. Ik zal in eeuwigheid verkondigen wat Uwe wonderen vertellen. Hij zal God loven voor zijn verheffing, niet slechts in het begin, terwijl de zegen nog nieuw is, maar in eeuwigheid, zolang als hij leeft. De verhoging van de Zone Davids zal het onderwerp zijn van de eeuwigdurende lof van de heiligen. Hij zal eer geven aan God, niet alleen als zijn God, maar als de God Jakobs wetende dat het om der wille was van Jakob, Zijn knecht, en omdat Hij Zijn volk Israël liefhad, dat Hij hem tot koning over hen had aangesteld.
2. Hij zal de macht, die hem toevertrouwd is, gebruiken voor de grote doeleinden, waartoe zij in zijn handen was gegeven, vers 11, zoals tevoren vers 3, 5. Naar de plicht van het hoogste gezag. a. Besluit hij een verschrikking te wezen voor de boosdoeners, hun hoogmoed te vernederen en hun macht te verbreken. "Wel niet al de hoofden, maar toch alle hoornen van de goddelozen zal ik afhouwen, hun hoornen, waarmee zij hun arme naburen stoten, ik zal hun de macht benemen om kwaad te doen." Aldus belooft God timmerlieden te verwekken om de hoornen van de heidenen neer te werpen welke de hoorn verheven hebben tegen het land Juda om dat te verstrooien, Zacheria 1:18-2l.
b. Hij besluit om een bescherming en een lof te wezen voor hen, die goeddoen: De hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden. De rechtvaardigen zullen bevorderd en op posten van macht gesteld worden, en hun die goed zijn, een hart hebben om goed te doen, zal er de macht noch de gelegenheid toe ontbreken. Dit komt overeen met Davids besluiten, Psalm 101:3 en verv. Hierin was David een type van Christus, die met de adem Zijns monds de goddelozen zal verdoen, maar de hoorn van de rechtvaardigen zal verhogen in eer, Psalm 112:9.