Psalm 112:6-10
In deze verzen hebben wij:
1. De voldoening van de heiligen en hun bestendigheid. Het is het geluk en voorrecht van een Godvruchtige, dat hij in der eeuwigheid niet zal wankelen, vers 6. Satan en zijn werktuigen pogen hem te doen wankelen, maar zijn fondament is vast, en hij zal niet wankelen, tenminste niet wankelen lot in eeuwigheid, wordt hij ook al geschud voor een tijd, hij zal toch spoedig zijn vastheid herkrijgen.
A. Een Godvruchtige zal een gevestigde naam, een goede naam, hebben, en dat is een grote voldoening voor hem. Hij zal een goede naam hebben, een naam voor goede dingen, bij God en goede mensen. De rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn, vers 6, in deze zin: zijn gerechtigheid (de gedachtenis ervan) bestaat in eeuwigheid, vers 9. Er zijn van de zodanigen, die alles doen wat zij kunnen om zijn goede naam te bezwalken, hem met smaad te overladen, maar zijn oprechtheid zal aan het licht worden gebracht en de eer ervan zal hem overleven. Sommigen, die op uitnemende wijze rechtvaardig zijn geweest, worden in eeuwige gedachtenis gehouden op aarde, overal waar de Schrift wordt gelezen, wordt gesproken van hun goede daden, tot hun gedachtenis. En de gedachtenis van menige Godvruchtige, die reeds lang gestorven is, wordt nog gezegend, maar in de hemel zal hun gedachtenis waarlijk tot in eeuwigheid zijn, en de eer hunner gerechtigheid zal daar bestaan tot in eeuwigheid met de beloning ervan in de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid. Zij, die op aarde vergeten en veracht zijn, worden daar herdacht en geëerd, en hun gerechtigheid "wordt bevonden te zijn tot lof en eer en heerlijkheid," 1 Petrus 1:7, dan, op zijn laatst, zal de hoorn van een Godvruchtige verhoogd worden in ere, zoals van de eenhoorn als hij overwinnaar is. In hun hoogmoed verheffen de goddelozen thans hun hoorn, maar zij zullen allen afgehouwen worden, Psalm 75:6, 11. In hun ootmoed en vernedering hebben de Godvruchtigen hun "hoorn in het stof gedaan," Job 16:15, maar de dag komt, wanneer hij zal verhoogd worden in ere. Hetgeen inzonderheid tot eer strekt van de Godvruchtigen is hun weldadigheid jegens de armen. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige. Hij heeft zijn liefdadigheid niet in een richting laten gaan, haar niet aangewend voor enkele personen, voor wie hij een bijzondere belangstelling koesterde, maar haar verspreid, een deel gegeven aan zeven, ja ook aan acht, hij heeft gezaaid aan alle wateren, en door aldus uit te strooien heeft hij toegenomen, en dit is zijn gerechtigheid, die bestaat tot in eeuwigheid. Aalmoezen worden gerechtigheid genoemd, niet omdat zij ons zullen rechtvaardigen door vergoeding te doen voor onze boze daden, maar omdat zij goede daden zijn, die wij gehouden en verplicht zijn te verrichten, zodat wij, als wij niet liefdadig zijn, niet "rechtvaardig zijn, dan onthouden wij het goed aan hen, aan wie het toekomt," Spreuken 3:27. De eer hiervan bestaat tot in eeuwigheid, want er zal nota van genomen worden in de grote dag. "Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven." Dit wordt aangehaald als een beweegreden voor en een aanmoediging tot liefdadigheid, 2 Corinthiers 9:9.
B. Een Godvruchtige zal een vaste geest hebben, en dat is een veel grotere voldoening, want zo zal een mens aan zichzelf alleen roem hebben, en niet aan een ander. Zeker, hij zal niet wankelen, wat er ook moge gebeuren, noch bewogen worden van zijn plicht, noch van zijn vertroosting, want hij zal niet vrezen, zijn hart is vast, vers 7, 8. Dit maakt een deel uit beide van het karakter en van de vertroosting van de Godvruchtigen. Het is hun streven om hun hart te bewaren in vertrouwen op God en aldus kalm te blijven, kalm en rustig, en God heeft hun beide oorzaak beloofd om dit te doen en genade om het te kunnen doen.
Merk op:
a. Het is de plicht en het belang van Gods volk om voor geen kwaad gerucht te vrezen, niet bevreesd te zijn om slechte tijdingen te vernemen, en als zij ze wel vernemen, niet in verwarring er door te geraken, niet de schrikwekkende verwachting te koesteren van nog erger te zullen horen, maar wat er ook gebeure, wat er ook dreige, met Paulus te kunnen zeggen: "ik acht op geen ding, ook zal ik niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats," Psalm 46:3.
b. De vastheid van het hart is een soeverein geneesmiddel tegen de ontrustende vrees van boze tijdingen. Als wij onze gedachten kalm houden, ons meester laten blijven van onze gedachten, als onze wil onderworpen is aan de heilige wil van God, ons humeur gelijkmatig is onder al de ongelijkheid en ongestadigheid van de omstandigheden, dan zijn wij wel versterkt tegen de beroeringen van de vreesachtigen.
c. Vertrouwen op de Heere is het beste en zekerste middel om het hart vast te maken. Door het geloof moeten wij het anker uitwerpen in de belofte, in het Woord van God en aldus tot Hem wederkeren, en in Hem blijven als in onze rust. Het hart van de mens kan tot zijn voldoening nergens vastheid in hebben dan in de waarheid Gods en daar vindt het vaste grond.
d. Zij, wier hart vast is door het geloof, zullen geduldig wachten totdat zij hun doel bereikt hebben zijn hart wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen totdat hij op zijn wederpartijen zie, totdat hij in de hemel komt, waar hij Satan zal zien en al zijn geestelijke vijanden vertreden onder zijn voeten, zoals Israël de Egyptenaren dood aan de oever van de zee gezien heeft. Totdat hij op zijn verdrukkers ziet, aldus Dr. Hammond totdat hij veilig op hen ziet, hen stoutmoedig in het aangezicht ziet, daar hij nu niet langer in hun macht is. Het zal de voldoening voltooien van de heiligen als zij terugzien op al hun leed en al hun moeite, en dan instaat zijn om te zeggen met Paulus, toen hij een opsomming gaf van de vervolgingen, die hij had geleden: "de Heere heeft mij uit alle verlost," 2 Timotheus 3:11.
2. De ergernis van de goddelozen, vers 10. Twee dingen zullen hen kwellen.
a. De gelukzaligheid van de rechtvaardigen, de goddelozen zullen de rechtvaardigen in voorspoed en eer zien en zich vertoornen. Het zal hun verdrieten te zien, dat hun onschuld aan het licht gebracht is, hun nedere staat wordt aangezien, en hen, die zij hebben gehaat en veracht, wier verderf zij gezocht hebben, de gunstgenoten des hemels te zien, en bevorderd om "heerschappij over hen te hebben," Psalm 49:15, dat zal hen doen knersen met hun tanden en smelten, dat is wegkwijnen. Dit is dikwijls vervuld geworden in deze wereld. Het geluk van de heiligen is de nijd van de goddelozen, en die nijd strekt tot verrotting van hun beenderen. Maar het volkomenst zal het vervuld worden in de andere wereld, als het veroordeelde zondaren zal doen knersen met hun tanden, om Abraham van verre te zien en Lazarus in zijn schoot, om al de profeten in het koninkrijk Gods te zien, en zichzelf te zien buitengeworpen.
b. Hun eigen belangstelling, de wens van de goddelozen zal vergaan. Hun wens gold enig en uitsluitend de wereld en het vlees, en deze heersten over hen, en daarom is, als deze vergaan hun vreugde weg en hun verwachting ervan afgesneden tot hun eeuwige beschaming, hun hoop is als het huis van de spin.