Psalm 75:1-6
In deze verzen:
I. Geeft de psalmist aan God de lof voor zijn bevordering tot eer en macht en voor de andere grote dingen, die Hij voor hem en Zijn volk Israël gedaan heeft, vers 2. Wij loven U o God, voor al de gunsten, die Gij ons hebt geschonken, en wederom: wij loven U want onze lof- en dankzegging moet dikwijls herhaald worden. Hebben wij niet dikwijls gebeden om genade als wij haar nodig hadden, en zullen wij dan denken dat het volstaat om er een of twee maal dank voor te zeggen, als we haar verkregen hebben? Niet alleen ik loof U, maar wij loven U, ik en al mijn vrienden. Als wij met anderen delen in hun zegen, dan moeten wij ons met hen verenigen in hun lofzeggingen. "Wij loven en danken U, o God, de bewerker van onze zegeningen, en wij zullen aan de werktuigen de lof niet geven, die U alleen toekomt. Wij danken U, dat Uw naam nabij is (dat de volkomen vervulling van Uw belofte, gedaan aan David, niet verre is), men vertelt Uwe wonderen, die Gij reeds voor hem gedaan hebt." Er zijn vele werken, die God voor Zijn volk doet die in waarheid wonderen genoemd kunnen worden, werken buiten de loop van Zijn gewone voorzienigheid en geheel boven onze verwachting. Deze wonderen verklaren de nabijheid van Zijn naam, zij tonen dat Hij zelf nabij is, nabij ons in hetgeen, waarvoor wij Hem aanroepen, en dat Hij grote dingen voor Zijn volk gaat doen ingevolge Zijn voornemen en Zijn belofte. Als Gods wonderen de nabijheid van Zijn naam verkondigen, dan is het onze plicht Hem te danken Hem wederom en nogmaals dankzegging te doen.
II. Hij legt zich de verplichting op om zijn macht goed en naar behoren te gebruiken ingevolge het gewichtig werk, dat hem toevertrouwd is, vers 3. Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik geheel recht richten. Hier neemt hij aan dat God ter bestemder tijd het voor hem zal voleindigen, dat, hoewel de vergadering zeer traag en langzaam was om tot hem te komen en er veel tegenstand was, zij ten laatste toch tot hem zal komen, want wat God gesproken heeft in Zijn heiligheid, zal Hij door Zijn wijsheid en macht volbrengen. Aldus de zegen verwachtende belooft hij nauwgezet zijn plicht te vervullen. "Als ik rechter zal zijn dan zal ik richten geheel recht richten, niet zoals zij, die mijn voorgangers waren, die of het recht veronachtzaamden, of hetgeen nog erger was, het verkeerden, hetzij geen goed deden met hun macht, of er kwaad mee deden." Zij, die tot een post van eer zijn bevorderd, moeten gedenken dat zij op een post van dienst zijn, en er zich naarstig op toeleggen om nauwgezet het werk te doen, waartoe zij geroepen zijn. Hij zegt niet: als ik de vergadering zal ontvangen hebben, vers 3, dan zal ik op mijn gemak gaan leren, een grote staat voeren, en de openbare zaken aan anderen overlaten," maar: "ik zal ze zelf behartigen." Openbare ambten moeten met grote oprechtheid en trouw worden waargenomen, zij, die richten, moeten recht richten, overeenkomstig de regelen van de gerechtigheid en zonder aanzien des persoons.
III. Hij stelt zich voor dat zijn regering een zegen zal zijn voor Israël, vers 4. De tegenwoordige toestand van het koninkrijk was zeer slecht-het land en al zijn inwoners waren versmolten, hetgeen niet te verwonderen was, daar de vorige regering zo ongebonden was dat alles te gronde ging. Er heerste een algemeen zedenbederf, omdat de wetten tegen ondeugd en goddeloosheid niet ten uitvoer worden gelegd. Zij waren onder elkaar verdeeld, in plaats van zich, zoals zij behoord hadden te doen te verenigen onder de regering, die God had ingesteld. Zij waren verbrokkeld, twee tegen drie en drie tegen twee, verbrokkeld in facties en partijen, hetgeen wel op hun verderf moest uitlopen, maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Zelfs in Sauls tijd heeft David gedaan wat hij kon voor het algemene welzijn, maar hij hoopte, als hij zelf de vergadering zal ontvangen hebben, veel meer te doen, niet slechts de algemene ondergang te voorkomen, maar de openbare sterkte en schoonheid te herstellen.
1. Zie nu het kwaad van partijen, zij doen een land en zijn inwoners versmelten.
2. Zie hoeveel het hoofd dikwijls in stand houdt. Het gebouw zou ingestort zijn, indien David de pilaren niet had vast gemaakt. Dit kan toegepast worden op Christus en Zijn regering. De wereld en al de inwoners ervan waren versmolten door de zonde, de afval van de mens dreigde de gehele schepping met de ondergang, maar Christus heeft er de pilaren van vast gemaakt, Hij heeft geheel de wereld voor een algeheel bederf bewaard, door zijn volk zalig te maken van hun zonden, en het bestuur over het rijk van de voorzienigheid is Hem in handen gegeven, want Hij "draagt alle dingen door het woord zijner kracht," Hebreeën 1:3.
IV. Hij bestraft en beteugelt hen, die zijn regering tegenstonden, tegen zijn aanvaarding ervan gekant waren, en er het geregeld bestuur van belemmerden, er naar strevende om de ondeugd en goddeloosheid in stand te houden, die hij zich ten taak had gesteld te onderdrukken, vers 5, 6. Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig Dat had hij tot hen gezegd in Sauls tijd, toen hij de macht niet had om hen in bedwang te houden, maar de wijsheid en de genade had om hen te bestraffen en hun goede raad te geven, hoewel zij zich zeer lieten voorstaan op de gunst van die ongelukkige vorst, waarschuwde hij hen om niet al te verwaand, te laatdunkend te zijn, of liever, hij spreekt thans alzo tot hen. Zodra hij aan de regering was gekomen, vaardigde hij een proclamatie uit tegen ondeugd en goddeloosheid, en hier hebben wij er de inhoud van.
1. Tot de onnozele, sluipende zondaars, de dwazen in Israël die zich verdierven, zei hij: "Weest niet onzinnig, handelt niet dwaselijk, handelt niet zo in tegenspraak met uw gezond verstand en uw belang als gij nu doet, terwijl gij in tegenheid wandelt met de wetten, die God aan Israël heeft gegeven, en de beloften, die Hij aan David gedaan heeft." Christus, de Zone Davids, geeft ons deze raad, vaardig" dit edict uit: Handelt niet dwaselijk, weest niet onzinnig. Hij, die ons wijsheid van God is geworden, zegt ons wijs te zijn voor onszelf, maar ons niet tot dwazen te maken.
2. Tot de hoogmoedige, vermetele zondaars, de goddelozen die God zelf trotseren, zegt hij: "Verhoogt de hoorn niet, roemt niet op uw macht en uw voorrechten, volhardt niet in uw weerspannigheid tegen en minachting van de regering, die over u gesteld is, verhoogt uw hoorn niet omhoog, alsof gij kondet hebben wat gij wilt en doen wat gij wilt, spreekt niet met stijve hals, waarin een ijzeren zenuw is, die zich nooit naar de wil van God zal buigen in de regering, want zij, die niet willen buigen, zullen breken, zij, wier hals verstijfd is, zijn alzo tot hun verderf." Dit is Christus woord van bevel in Zijn Evangelie, dat "alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden voor Hem," Jesaja 40:4. Laat de antichristelijke macht met haar hoofden en hoornen zich niet tegen Hem verheffen, want zij zal gewis verpletterd worden. Wat gezegd is met een stijve hals, moet herroepen worden met een verbroken hart, of wij zijn verloren. Farao heeft met stijve hals gezegd: "Wie is de Heere?" Maar God heeft het hem tot zijn schade doen weten.