2 Koningen 22:1-10
Betreffende Josia wordt ons hier gezegd:
I. Dat hij zeer jong was, toen hij begon te regeren, vers 1, hij was pas acht jaren oud. Salomo zegt: Wee u, land, welks koning een kind is, maar gelukkig zijt gij, land, als uw koning zulk een kind is. Het Engelse Israël had eenmaal een koning, die zo'n kind was, in Eduard Vl. Josia, jong zijnde, had nog geen boze indrukken ontvangen van het slechte voorbeeld van zijn vader en zijn grootvader, maar had spoedig een oog voor hun dwalingen en God gaf hem de genade om er zich door te laten waarschuwen. Zie Ezechiël 18:14 en verv.
II. Dat hij deed wat recht was in de ogen des Heeren, vers 2.
Zie de vrijmacht van de Goddelijke genade: de vader voorbijgegaan en overgelaten om in zijn zonde te sterven, de zoon een uitverkoren vat.
Zie de triomf dier genade: Josia is geboren uit een goddeloze vader, er wordt hem geen goede opvoeding geen goed voorbeeld gegeven, maar wèl heeft hij velen om zich heen, die hem aanraden in zijns vaders voetstappen te treden, en weinigen, die hem goede raad geven, en toch wordt hij door Gods genade tot een uitnemend heilige gemaakt, wordt hij "afgehouwen van de wilde olijfboom, en ingeënt in de goede olijfboom," Romeinen 11:24.
Voor de genade is niets onmogelijk. Hij wandelde op een goeden weg, en keerde zich niet ter zijde af (zoals sommigen van zijn voorgangers gedaan hebben, die goed begonnen waren), noch ter rechter, noch ter linkerhand, er zijn dwalingen aan beide zijden, maar God hield hem op de rechte weg, hij verviel noch in bijgeloof, noch tot goddeloosheid.
III. Dat hij zorg droeg om de tempel te herstellen. Dit deed hij in het achttiende jaar van zijn regering, vers 3, vergel. 2 Kronieken 34:8.
Hij begon veel vroeger de Heere te zoeken, (zoals blijkt uit 2 Kronieken 34:3, maar het is te vrezen dat het werk van de reformatie slechts langzaam voortging en veel tegenstand ontmoette, zodat hij niet tot stand kon brengen wat hij wenste en bedoelde, voordat hij voor goed in zijn macht bevestigd was.
De overweging dat wij gedurende onze minderjarigheid onvermijdelijk tijd verloren hebben moet ons, als wij tot onze jaren zijn gekomen, aansporen om met des te meer kracht in de dienst van God te arbeiden. Laat begonnen zijnde, is het ons nodig hard te werken.
Hij zond Safan de secretaris van staat, tot Hilkia, de hogepriester, om een opgave van het geld, dat te dien einde verzameld was door de dorpelwachters, vers 4, want zij schijnen ongeveer dezelfde maatregelen genomen te hebben om het geld bijeen te brengen, als Joas genomen heeft, Hoofdstuk 12:9. Als het volk weinig tegelijk gaf, was de last onmerkbaar, en de bijdragen vrijwillig gegeven zijnde, werd er niet over geklaagd. Hij gebood dat het geld, aldus bijeengebracht, besteed zou worden aan het herstellen van de tempel, vers 5, 6.
En nu schijnen de werklieden, evenals in de tijd van Joas, zich zo wèl gekweten te hebben, dat er met hen geen rekening werd gehouden, vers 7, hetgeen voorzeker vermeld is tot lof van de werklieden, dat zij zo'n reputatie hadden voor eerlijkheid, maar of het ook tot lof is van degenen, die hen gebruikten, weet ik niet, geld, zeggen wij, moet men zijn eigen vader natellen. Het zou niet verkeerd geweest zijn om rekening te houden met de werklieden, opdat ook anderen van hun eerlijkheid overtuigd zouden zijn.
IV. Dat bij die herstelling van de tempel het wetboek werd gevonden en tot de koning gebracht, vers 8, 10. Sommigen denken dat het de autografie of het oorspronkelijke manuscript was van de vijf boeken van Mozes door zijn eigen hand anderen denken dat het een aloude en authentieke copie was. Zeer waarschijnlijk was het het exemplaar, dat op bevel van Mozes in het heilige van de heiligen was neergelegd, Deuteronomium 31:24 en verv.
1. Het schijnt dat dit wetboek vermist en verloren was, hetzij onachtzaam verlegd of onverschillig in een hoek geworpen (zoals sommigen met hun Bijbels doen) door hen, die er de waarde niet van kenden, en toen vergeten was, of het werd boosaardig verborgen, weggestopt door een van de afgodische koningen of hun agenten, die door Gods voorzienigheid, of door hun eigen geweten, weerhouden werden om het te vernielen en te verbranden maar het begroeven in de hoop, dat het nooit weer aan het licht zou komen, of, zoals sommigen denken, het kan zorgvuldig weggeborgen zijn door sommige van zijn vrienden, opdat het niet in de handen van zijn vijanden zou vallen. Wie nu ook de instrumenten waren van zijn bewaring, wij moeten er de hand Gods in erkennen.
Indien dit het enige authentieke exemplaar was van de pentateuch, dat toen in wezen was, en er zo ternauwernood aan ontkomen is om verloren te gaan, dan vraag ik mij af, of het hart van alle Godvruchtigen niet gebeefd heeft voor die heilige schat, zoals Eli's hart gebeefd heeft voor de ark, en voorzeker hebben wij nu reden om God te danken, te danken op onze knieën, voor de gelukkige omstandigheid, dat Hilkia toen dat boek gevonden heeft, gevonden heeft toen hij "het niet zocht," Jesaja 65:1.
Indien de heilige schriften niet van God waren, zij zouden niet tot op de huldige dag bestaan. Gods zorg voor de Bijbel bewijst dat het Zijn woord is.
2. Of dit nu al of niet het authentieke exemplaar was, dat toen bestond, de dingen er in vervat schijnen beide voor de koning en de hogepriester nieuw te zijn geweest, want op de lezing er van scheurde de koning zijn klederen. Wij hebben reden te denken dat het gebod, dat de koning zich een afschrift van de wet moest maken, en dat, wat de openbare lezing van de wet ieder zevende jaar voorschreef Deuteronomium 17:18, 31:10, 11, gedurende lange tijd niet opgevolgd was, en als de ingestelde middelen om de Godsdienst in stand te houden, veronachtzaamd worden, dan zal er spoedig in de Godsdienst zelf verval komen. Maar van de andere kant, indien het wetboek verloren was, dan schijnt het moeilijk te bepalen, aan welke regel Josia zich hield om te doen wat recht is in de ogen des Heeren en hoe de priesters en het volk de ceremoniën van hun Godsdienst in stand hielden.
Ik ben geneigd te denken dat het volk in het algemeen zich vergenoegde met uittreksels van de wet, (zoals onze uittreksels van landswetten) waarvan de priesters hen hadden voorzien, ten einde aan zichzelf de moeite te sparen van het hele boek af te schrijven, en aan het volk van het te lezen, een soort van ritueel, als leidraad bij het waarnemen van hun Godsdienst, maar uitlatende wat zij geschikt oordelen, inzonderheid de beloften en de bedreigingen, Leviticus 26, Deuteronomium 28 enz, want ik bemerk dat dit de gedeelten van de wet waren, die zulk een sterke indruk gemaakt hebben op Josia, vers 13, want die waren nieuw voor hem.
Geen uittreksels van de Bijbel, geen overzicht of kort begrip van zijn inhoud, -hoewel die hun nuttigheid kunnen hebben-kunnen ons werkelijk en volledig met de wil van God bekendmaken of de kennis van God bewaren, zoals de Bijbel zelf dit doet.
Het was niet te verwonderen dat het volk zo verdorven was, als het wetboek zo zeldzaam een zaak onder hen was, waar dit openbaar gezicht ontbreekt, zal het volk omkomen.
Zij, die gepoogd hebben hen te verderven, hebben ongetwijfeld alles aangewend om dat boek uit hun handen te houden. De kerk van Rome kon het gebruik van de beelden niet anders in stand houden dan door het gebruik van de Schrift te verbieden.
3. Het was een treffend blijk van Gods gunst, en een teken ten goede voor Josia en zijn volk, dat het wetboek aldus ter rechter tijd aan het licht werd gebracht, om die gezegende reformatie te leiden en aan te moediger, die Josia had begonnen.
Het is een teken, dat God genade heeft weggelegd voor een volk, als Hij Zijn wet onder hen grootmaakt, haar heerlijk. maakt, hen voorziet van middelen tot vermeerdering van de kennis van de Schrift. De overzetting van de Bijbel in de volkstalen was de roem, de kracht en de blijdschap van de hervorming van het Pausdom. Het is opmerkelijk, dat zij bezig waren met een goed werk, namelijk de herstelling van de tempel, toen zij het wetboek vonden.
Zij, die naar hun beste weten hun plicht doen, zullen hun kennis en hun weten zien toenemen, aan wie heeft, zal gegeven worden. Het wetboek was een overvloedige beloning voor al hun zorg, moeite en onkosten om de tempel te herstellen.
4. Hilkia, de priester, was uitermate verheugd over deze ontdekking. O, zegt hij tot Safan, "verheug u met mij, want ik heb het wetboek gevonden, eureka, eureka, ik heb gevonden, ik heb het juweel van onschatbare waarde gevonden, hier, breng het de koning, het is het kostbaarste juweel aan zijn kroon lees het hem voor, hij wandelt in de weg van zijn vader David, en als hij hem gelijkt, dan zal hij het wetboek liefhebben en welkom heten, dat zijn verlustiging zal zijn en zijn raadgever."