Psalm 69:14-22
David had tevoren gesproken van de boosaardige smaad, die zijn vijanden op hem hadden geworpen, Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U. Zij spraken kwaad van hem om zijn vasten en bidden, en omdat hij het spotlied was van de dronkaards, maar desniettemin besluit hij om te blijven bidden. Hoewel wij bespot kunnen worden om goeddoen, moeten wij om dit spotten er toch niet van aflaten. Diegenen kunnen slechts weinig voor God dragen en voor het belijden van Zijn naam, die geen schimp, geen hard woord kunnen dragen, veeleer dan hun plicht te verzaken. Davids vijanden waren zeer beledigend voor hem, maar dit was zijn troost, dat hij een God had, tot wie hij zich kon begeven, en aan wie hij zich kon overgeven. "Zij denken hun pleit te winnen door onbeschaamdheid en laster, maar ik volg andere methodes. Wat zij ook mogen doen, mij aangaande, mijn gebed is tot U, o Heere." En het was in een tijd van het welbehagen er niet minder een tijd van het welbehagen om dat het een tijd was van beproeving. God zei ons niet van zich wegdrijven, al is het ook de nood, die ons tot Hem uitdrijft, ja het is nog zoveel te meer een tijd van het welbehagen, omdat het lijden en de benauwdheid van Gods volk hen nog zoveel te meer de voorwerpen maken van Zijn medelijden, het is tijd voor Hem om hen te helpen, als alle andere hulp faalt, en zij weten en gevoelen dat zij verloren zijn, indien Hij hen niet helpt. Wij vinden deze uitdrukking gebruikt betreffende Christus in, Jesaja 49:8. " Ten tijde" "van het welbehagen heb Ik u verhoord." Merk nu op:
I. Wat zijn beden zijn.
1. Dat zijn klachten genadiglijk gehoord zullen worden, het geroep van zijn ellende en de begeerte zijns harten. Verhoor mij, vers 14, en wederom: verhoor mij, o Heere, vers 17, haast U, verhoor mij, vers 18, hoor niet slechts wat ik te zeggen heb, maar geef mij hetgeen waar ik om bid. Christus wist, dat de Vader Hem altijd hoorde, Johannes 11:42.
2. Dat hij uit zijn ellende verlost mocht worden, er voor behoed mocht worden om weg te zinken onder de last van zijn smart, "ruk mij uit het slijk," laat mij er niet in blijven steken (zo lezen het sommigen), maar help er me uit, en "stel mijn voeten op een rotssteen, Psalm 40, 3, dat hij verlost mocht worden van zijn vijanden, dat zij hem niet verslinden, en hun lust aan hem niet zouden zien. "Laat mij gered worden van mijn haters, als een lam uit de klauw des leeuws, vers 15. Hoewel ik in diepe wateren gekomen ben, vers 3, en gereed ben te denken dat de vloeden mij zullen overstelpen, zo laat mijn vrees voorkomen en tot zwijgen worden gebracht, laat de watervloeden, hoewel zij tot mij naderen, mij niet overstromen, vers 16. Laat mij niet in de poel van de wanhoop vallen, laat die diepte mij niet verzwelgen, laat de put zijn mond over mij niet toesluiten, want dan ben ik verloren." In het begin van de psalm gaf hij zich op als verloren, maar nu heeft hij zijn hoofd boven water, en is hij niet zo moede van het roepen, als hij dacht.
3. Dat God zich tot hem zou wenden, vers 17, hem zou aanzien, zijn aangezicht niet voor hem zou verbergen, vers 18. De tekenen van Gods gunst jegens ons en het licht van Zijn aangezicht over ons zijn genoeg om onze geest er voor te behoeden van weg te zinken in de diepe modder van uitwendige benauwdheid, ook behoeven wij niets meer te beweren om veilig en gerust te zijn, vers 19. "Nader tot mijn ziel om U aan haar te openbaren, en dat zal haar bevrijden."
II. Welke pleitgronden hij aanvoert voor zijn gebeden. 1. Hij pleit op Gods goedertierenheid en getrouwheid, vers 14. Door de grootheid van Uw goedertierenheid, verhoor mij. Er is goedertierenheid in God, een menigte van goedertierenheden, onuitputtelijke goedertierenheid, goedertierenheid genoeg voor allen, genoeg voor ieder, en daaraan moeten wij bemoediging ontlenen voor ons gebed. Ook de getrouwheid van Zijn heil, de waarheid van al die beloften van de verlossing en zaligheid, welke Hij gedaan heeft aan hen, die op Hem vertrouwen, is nog een verdere aanmoediging. Hij herhaalt zijn argument, ontleend aan de goedertierenheid van God, " Verhoor mij, o Heere! want Uw goedertierenheid is goed, zij is dit in zichzelf, zij is rijk en overvloedig, zij is dit in de schatting van al de heiligen, zij is hun zeer kostelijk en dierbaar, zij is hun leven, hun blijdschap, hun alles, o laat mij er het voordeel, de weldaad van hebben! Zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden" vers 17 Zie, hoe hoog hij spreekt van de goedheid Gods, in Hem zijn goedertierenheden, barmhartigheden een gehele menigte ervan. Als wij goed denken over God, en dit blijven doen ook onder de grootste moeilijkheden, dan behoeven wij niet te vrezen dat God niet wel doen zal voor ons, want "de Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen," Psalm 147:11.
2. Hij pleit op zijn eigen beproeving en benauwdheid: Verberg Uw aangezicht niet voor Uw knecht, want mij ik ben bang, vers 18 ik heb dus behoefte aan Uw gunst, en daarom zal ik haar weten te waarderen." Hij wijst inzonderheid op de smaad, waaronder hij lag, en de beledigingen, die hem waren aangedaan, vers 20. Gij weet mijn versmaadheid en mijn schaamte en mijn schande. Zie welk een nadruk hierop wordt gelegd, want in het lijden van Christus voor ons heeft misschien niets meer bijgedragen tot de voldoening, die Hij heeft aangebracht voor de zonden, welke God onteerd hadden, dan de smaad, de beschaamdheid en de schande die Hij ondergaan heeft, welke God heeft opgemerkt en aangenomen als meer dan een evenwaardige vergelding voor de eeuwige schande en versmaadheid, die onze zonden hadden verdiend, weshalve wij door berouw en bekering schaamte voor onszelf moeten aannemen, en de schaamte van onze jonkheid moeten dragen. En als wij ooit geroepen worden om versmaadheid en schande te dragen om Zijnentwil, dan kan dit onze vertroosting wezen, dat Hij het weet en dat Hij, die tevoren met ons was, ook daarna met ons zijn zal. De psalmist spreekt de taal van een edel gemoed als hij zegt: de versmaadheid heeft mijn hart gebroken, ik ben zeer zwak, want aan iemand, die de waarde kent van een goede naam, valt het hard om door een slechte naam te worden gedrukt. Maar als wij bedenken welk een eer het is om voor God te worden gesmaad en welk een gunst om waardig geacht te worden om Zijns naams wil smaadheid te lijden, Handelingen 5:41, dan zullen wij zien dat er volstrekt geen reden is, waarom dit ons zo terneder zou drukken, of ons het hart zou breken.
3. Hij voert de onbeschaamdheid en wreedheid van zijn vijanden aan, vers 19. Verlos mij om mijner vijanden wil, omdat zij waren zoals hij hen tevoren beschreven had, vers 5. "Allen die mij benauwen staan vóór U, vers 20. Gij weet wat soort van mensen zij zijn, welk gevaar mij van hen dreigt, welke vijanden zij zijn van U, en hoe Gij gesmaad wordt in hetgeen zij tegen mij doen en beramen." Er wordt een voorbeeld gegeven van hun wreedheid, vers 22, ja zij gaven mij gif tot spijze (het woord betekent een bitter kruid, en wordt dikwijls samengevoegd met alsem), in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Dit is letterlijk vervuld geworden in Christus en heeft zo onmiddellijk op Hem gewezen dat Hij niet zeggen wilde: Het is volbracht voordat dit vervuld was, en opdat Zijn vijanden in de gelegenheid zouden zijn om het te vervullen, zei Hij: Mij dorst, Johannes 19:28, 29. Sommigen denken dat de hysop, die zij aan Zijn mond brachten, het bittere kruid was, dat zij Hem met de edik tot Zijn spijs gegeven hebben. Zie hoe nauwkeurig het lijden van Christus voorzegd was, hetgeen bewijst dat de Schrift het Woord van God is, en hoe nauwkeurig de voorzeggingen vervuld zijn in Jezus Christus, hetgeen bewijst dat Hij de ware Messias is. Deze is het, die komen zou, en geen anderen hebben wij te verwachten.
4. Hij wijst op de onvriendelijkheid van zijn vrienden, en hoe hij in hen werd teleurgesteld vers 21. Ik heb uitgezien naar iemand, die medelijden had, maar er was niemand, allen faalden hem, zoals waterbeken in de zomer. Dit werd vervuld in Christus, want in Zijn lijden hebben al Zijn discipelen Hem verlaten en zijn gevloden. Van de mensen kunnen wij niet te weinig verwachten, moeilijke vertroosters zijn zij allen, en van God kunnen wij niet te veel verwachten, want Hij is de Vader van de barmhartigheid en de God aller vertroosting.