Psalm 66:1-7
In deze verzen roept de psalmist alle volken op om God te loven. Alle landen, gij gehele aarde, vers 1, al de inwoners van de wereld, die in staat zijn God te prijzen.
1. Het duidt de eer en heerlijkheid Gods aan dat Hij waardig is om door allen geprezen te worden, omdat Hij goed is voor allen en iedere natie voorziet van stof tot dank en lof.
2. Dit wijst op de plicht van de mens dat allen gehouden en verplicht zijn om God te loven, het is een deel van de wet van de schepping en wordt dus van ieder schepsel geëist.
3. Het is een voorzegging van de bekering van de heidenen tot het geloof van Christus, de tijd zal komen wanneer alle landen God zullen loven, en dit reukwerk Hem aan alle plaatsen geofferd zal worden.
4. Het duidt de hartelijke liefde aan, die de psalmist had voor dit goede werk van God te loven, hij zal er zelf overvloedig in zijn, en hij wenst dat God van alle volkeren van de aarde Zijn tribuut van lof zal ontvangen en niet van het land Israëls alleen. Hij wekt alle landen op:
A. Om Gode te juichen, heilige blijdschap moet doorstralen in al onze lofzangen, en hoewel het niet de luidruchtigheid is in de godsdienst, die Gode welbehaaglijk is van geveinsden wordt gezegd dat zij "hun stem doen horen in de hoogte," Jesaja 58:4 moeten wij toch in het loven van God:
a. Hartelijk en ijverig zijn, en wat wij doen, doen met onze macht, met alles wat binnen in ons is.
b. Wij moeten het doen in het openbaar, als degenen, die ons onze Meester niet schamen, en die beide zaken liggen opgesloten in het woord juichen.
B. Om met aangenaamheid te zingen, Zijn naam te psalmzingen tot stichting van anderen, tot eer van alles, waardoor Hij zich bekend heeft gemaakt, vers 2. Hetgeen de eer is van Gods naam behoort het onderwerp te zijn van onze lof.
C. Zijn lof, zoveel wij kunnen, heerlijk te maken. Wij moeten God zo loven dat wij Hem er door verheerlijken, en dat moet doel en strekking wezen van al onze lof. Acht het uw grootste heerlijkheid om God te loven zo verstaan het sommigen. Het is de hoogste eer, waartoe het schepsel in staat is, om de Schepper tot een naam en een lof te zijn.
Hij had alle landen, de gehele aarde, opgeroepen om God te prijzen, vers 1, en in vers 4 voorzegt hij dat zij dit zullen doen. De gehele aarde zal U aanbidden, sommigen van alle delen van de aarde, tot zelfs van de verst-verwijderde streken, want het eeuwig evangelie zal verkondigd worden aan alle natiën en geslacht en dit is de inhoud, de strekking ervan: "aanbidt Hem, die de hemel en de aarde gemaakt heeft," Openbaring 14:6, 7. Aldus uitgezonden zijnde, zal het niet ledig wederkeren, maar er de gehele aarde min of meer toe brengen om God te aanbidden en Hem te psalmzingen. In Evangelietijden zal God aangebeden en geëerd worden door het zingen van psalmen. Zij zullen Gode psalmzingen, dat is: Zijn naam psalmzingen, want het is alleen voor de heerlijkheid waarmee Hij zich bekend heeft gemaakt, niet Zijn essentieels heerlijkheid, dat wij iets kunnen bijdragen tot Zijn lof.
Om ons van stof van lof te voorzien worden wij hier opgeroepen om te komen en Gods daden te zien want Zijn eigen werken prijzen Hem, hetzij wij dit doen of niet doen, en de reden, waarom wij Hem niet meer en niet beter loven, is, omdat wij ze niet behoorlijk en aandachtig beschouwen. Laat ons dan Gods werken zien en er de blijken in opmerken van Zijn wijsheid, macht en getrouwheid, vers 5, en er dan van spreken, van spreken tot Hem, vers 3 tot God zeggen: Hoe vreeslijk zijt Gij in Uwe werken!
1. Gods werken zijn wondervol in zichzelf, zodat wij, als wij ze aandachtig beschouwen, er met recht door vervuld worden van verbazing. God is vreeslijk, dat is bewonderenswaardig, in Zijn werken door de grootheid van Zijn macht, die zo sterk uitkomt in alles wat Hij doet, dat er met waarheid gezegd kan worden dat geen werk bij het Zijne vergeleken kan worden. Vandaar dat Hij gezegd wordt vreselijk te zijn in roemrijke daden, Exodus 15:11. In al Zijn doen met de kinderen van de mensen is Hij vreeslijk en moet Hij met heilig ontzag worden beschouwd. Veel van de godsdienst ligt in eerbied voor de Goddelijke voorzienigheid.
2. Voor Zijn vijanden zijn zij geducht, en menigmaal hebben zij hen tot een geveinsde onderwerping gebracht, vers 3. Om de grootheid van Uw sterkte, waarvoor niemand stand kan houden, zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen, zij zullen U liegen dat is de betekenis van het woord zij zullen, zeer tegen hun zin, genoodzaakt zijn vrede met U te sluiten op elke voorwaarde. Onderwerping, afgeperst door vrees, is zelden oprecht, en daarom is kracht of geweld geen goed of betamelijk middel om de godsdienst te verspreiden, en er kan ook niet veel vreugde zijn van zulke bekeerlingen tot de kerk, die in het einde leugenaars worden bevonden, Deuteronomium 33:29.
3. Zij zijn zeer troostrijk en weldadig voor Zijn volk, vers 6. Toen Israël uit Egypte toog, heeft Hij voor hen de zee veranderd in het droge hetgeen hen aanmoedigde om Gods leiding te volgen door de woestijn, en toen zij Kanaän moesten binnentrekken werd, om hen te bemoedigen in hun oorlogen, de Jordaan voor hen verdeeld en gingen zij te voet door deze stroom, en dit voetvolk, zo kennelijk gezegend door de hemel, kon wel voor ruiterij gelden, veeleer dan voor infanterie in de oorlogen des Heeren. Daar hebben de vijanden voor hen gesidderd, Exodus 15:14, 15, Jozua 5:1. Maar daar hebben wij ons in Hem verblijd, beide vertrouwd op Zijn macht, (want steunen op God wordt dikwijls uitgedrukt door zich in Hem te verblijden) en Zijn lof gezongen, Psalm 106:12. Daar hebben wij ons verblijd onze voorouders waren het, en wij in hun lenden. De blijdschap van onze vaderen was onze blijdschap, en wij behoren onszelf te beschouwen als deelgenoten ervan.
4. Zij zijn heersend voor allen. Door Zijn werken behoudt God Zijn heerschappij in de wereld, vers 7. Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht, Zijn ogen houden wacht over de heidenen. God heeft een gebiedend oog, van de hoogte des hemels gebiedt Hij al de inwoners van de wereld, en Hij heeft een klaar en volledig gezicht op hen allen. Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, de afgelegenste en onbekendste volken zijn onder Zijn toezicht.
Hij heeft een gebiedenden arm. Zijn macht heerst, heerst eeuwig, en is nooit verzwakt, nooit belemmerd, Zijn hand is sterk en Zijn rechterhand is verheven. Daar leidt hij uit af: laat de afvalligen niet verhoogd worden, laat hen, die een afvallig, rebellerend hart hebben, het niet wagen om in openlijke rebellie tegen God op te staan zoals Adonia zich verhief, zeggende: ik zal koning zijn, laat hen, die in opstand zijn tegen God, zich niet verhogen, alsof het mogelijk ware dat zij hun doel bereiken, neen, laat hen zwijgen, want God heeft gezegd: Ik zal verhoogd worden, en de mens kan het niet tegenspreken.