Jozua 7:16-26
In deze verzen hebben wij:
1. De ontdekking van Achan door het lot, dat een volkomen lot bleek te zijn, hoewel het slechts trapsgewijze tot de ontdekking leidde. Hoewel wij kunnen veronderstellen dat Jozua er te beter en geruster door sliep, toen hij het ergste kende van de ziekte des lichaams waarvan hij, onder God, het hoofd was, en waarvoor nu een zekere methode van genezing was aangewezen, maakte hij zich des morgens vroeg op, vers 16, zozeer had hij er zijn hart op gezet om de ban uit hun midden weg te doen. Wij hebben reeds bij andere gelegenheden gezien dat Jozua iemand was, die vroeg opstond, hier toont het zijn ijver en zijn vurig verlangen om Israël in Gods gunst hersteld te zien. Let er in dit onderzoek op:
1. Dat Juda de schuldige stam was, Juda die van al de stammen de meest eervolle en doorluchtigste was en zijn zou. Dit nu was een verduistering van zijn roem, en zal kunnen dienen tot een beteugeling van hun hoogmoed, er waren velen onder hen, die glans en luister bijzetten aan hun stam, maar hier was één, die er de smaad en schande van was. Laat ook de beste families het niet vreemd vinden, indien er onder haar zijn, of van haar zullen afstammen de zodanigen, die haar smart en schande veroorzaken. Juda zal het eerste en grootste erfdeel in Kanaän hebben, zoveel onverschoonbaarder is dus de man uit die stam die niet tevreden is om te wachten op zijn deel, maar op Gods eigendom losgaat. Volgens de overlevering van de Joden hebben, toen de stam van Juda geraakt was, de kloeke mannen van die stam hun zwaard getrokken en betuigd dat zij het niet weer in de schede zouden steken, voor zij de misdadiger gestraft zagen en zij gezuiverd waren, die zich onschuldig wisten.
2. Dat de schuldige persoon eindelijk gevonden was, wat het lot sprak, was: Gij zijt de man, vers 18. Het was vreemd dat Achan zich van schuld bewust zijnde, en het lot al nader en nader tot zich ziende naderen, het verstand niet had om zich uit de voeten te maken, of de genade niet had om belijdenis van schuld te doen, maar zijn hart was verhard door de bedriegelijkheid van de zonde, en het bleek dat dit hem ter verderfenis was. Wij kunnen ons wel voorstellen hoe hij verbleekte hoe schrik en afgrijzen zich van hem meester maakten, toen hij als de schuldige was aangewezen, hoe de ogen van geheel Israël op hem gericht waren en iedereen bereid was te zeggen: Hebben wij u gevonden, onze vijand? Zie hier:
a. De dwaasheid van hen, die zich beloven dat hun zonde verborgen zal blijven, de rechtvaardige God heeft vele middelen om de verborgen werken van de duisternis aan het licht te brengen, en dus hen tot schande en verderf te doen komen, die in hun gemeenschap met die onvruchtbare werken blijven voortgaan. Het gevogelte des hemels zou, als het God behaagde, de stem wegvoeren, Prediker 10:20. Zie Psalm 94:7 en verv.
b. Hoe nodig het ons is om, als God met ons twist te ontdekken wat er de oorzaak van is, wet de bijzondere zonde is, die, evenals Achan, ons leger beroert. Wij moeten onszelf onderzoeken en nauwlettend achtgeven op het getuigenis van ons geweten, teneinde de ban te ontdekken, en met de Godvruchtigen Job bidden: Doe mij weten waarover Gij met mij twist. Ontdek de verrader, dan zal hij niet langer gekoesterd en geherbergd worden. II. Zijn aanklacht en verhoor, vers 19. Jozua bekleedt de rechterstoel, en ofschoon hij door de aanwijzing van het lot volkomen overtuigd is van zijn schuld, dring hij toch bij hem aan om een boetvaardige bekentenis te doen, opdat zijn ziel er door gered worde in de andere wereld, hoewel hij hem geen hoop kon geven, dat hij er zijn leven door zou behouden.
Merk op:
1. Hoe hij hem toespreekt met de grootste zachtmoedigheid en tederheid, als een waar discipel van Mozes. Hij zou hem rechtvaardiglijk "dief" en "weerspannige", en "Raca" en "gij dwaas" hebben kunnen noemen, maar hij noemt hem "mijn zoon", hij zou hem hebben kunnen bezweren om te bekennen, zoals de hogepriester onze gezegende Heiland bezworen heeft, of hem dreigen met pijniging ten einde hem een bekentenis te ontwringen, maar om de wille van de liefde bidt en smeekt hij hem veeleer, ik bid u, doe belijdenis. Dit is een voorbeeld voor allen om hen die in het ongeluk zijn, niet te honen of te bespotten, al hebben zij zich ook zelf dat ongeluk op de hals gehaald, maar ook zelfs overtreders te behandelen met zachtmoedigheid, niet wetende wat wij zelf gedaan zouden hebben, of geweest zouden zijn, indien God ons aan onze eigen raadslagen had overgegeven. Het is ook een voorbeeld voor magistraten om, als zij recht oefenen, met een strenge en voorzichtige hand hun eigen hartstochten in bedwang te houden, en er zich nooit door te laten vervoeren tot een onbetamelijke manier van handelen of van spreken, zelfs niet tegenover hen, die hen het meest geprikkeld of getergd hebben. De toorn van de man werkt Gods gerechtigheid niet. Laat hen gedenken dat het oordeel van God is, die meester is van Zijn toorn. Dat is de methode die het waarschijnlijkst overtreders tot berouw zal brengen.
2. Wat hij wenst dat hij zal doen, de daad te bekennen, haar voor God te belijden, voor God, die door de misdaad werd beledigd. Jozua was voor hem in de plaats van God, zodat hij aan hem belijdenis doende, belijdenis gedaan heeft aan God. Hierdoor zou hij aan Jozua en de vergadering voldoening geven omtrent hetgeen hem ten laste is gelegd, en zijn bekentenis zou tevens een blijk zijn van zijn berouw, en een waarschuwing aan anderen om zich te wachten van te zondigen naar de gelijkheid van zijn overtreding. Maar hetgeen Jozua er in bedoelt is, dat God er door geëerd zal worden als de Heere, de God van oneindige wetenschap en macht, voor wie niets verborgen is, en als de Gods Israëls, die, gelijk Hij zeer bijzonder toornt over beledigingen, gedaan aan Israël, ook toornt over de beledigingen, die Hen aangedaan worden door Israël. Gelijk wij in ons belijden van zonde ons de beschaamdheid des aangezichts toekennen, zo geven wij dan ook Gode de eer als een rechtvaardig God, erkennende dat Hij terecht misnoegd op ons is, en als een goede God, die onze belijdenis niet zal gebruiken als een bewijs tegen ons, maar getrouw en rechtvaardig is om te vergeven, als wij er toe gebracht zijn om te erkennen dat Hij getrouw en rechtvaardig zou wezen, indien Hij ons strafte. Door zonde hebben wij God beledigd in Zijn eer, Christus heeft door Zijn dood voldoening gegeven voor die belediging, maar het is nodig, dat wij door ons berouw onze liefde tonen voor Zijn eer, en, voor zoveel dit in ons vermogen is Hem de eer geven. Bisschop Patrick haalt de Samaritaanse kroniek aan, volgens welke Jozua hier zegt tot Achan: Hef uw ogen op tot de Koning van hemel en aarde, en erken dat niets verborgen kan wezen voor Hem, die de diepste geheimen kent.
III. Zijn belijdenis, die nu eindelijk, nu hij zag dat het doelloos was zijn misdaad te verbergen, ook vrij en oprecht is, vers 20, 21. Hier is: 1. Een boetvaardige bekentenis van de misdaad. "Voorwaar, ik heb gezondigd, hetgeen waar ik van beschuldigd word, is te waar om ontkend, en-te slecht om verontschuldigd te worden. Ik beken het, ik betreur het, de Heere is rechtvaardig in het aan het licht te brengen want, voorwaar, ik heb gezondigd." Dit is de taal van een boetvaardige, die walgt van zijn zonde, en wiens geweten er door bezwaard is. "Ik heb niets om er anderen van te beschuldigen, maar zeer veel om mijzelf ten laste te leggen, het is bij mij, dat het gebannene is gevonden, ik ben de man, die het recht heb verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat." En hetgeen waarmee hij zijn zonde verzwaarde, is, dat zij bedreven werd tegen de Heere, de God Israëls. Hij was zelf een Israëliet, die met de overigen van dit verhoogde volk deelde in hun voorrechten, zodat hij, de God Israëls beledigende, zijn eigen God beledigde, waardoor hij de schuld van het laagste verraad en de grootste ondankbaarheid op zich had geladen.
2. Een omstandig verhaal van het feit. Zo en zo heb ik gedaan. God had aan Jozua in het algemeen gezegd dat een deel van het verbannene genomen was, maar laat het aan hem over om uit Achan een bericht van de bijzonderheden te verkrijgen, want op de ene of andere wijze zal God de tong van de zondaren tegen zichzelf doen aanstoten, Psalm 64:9. Indien Hij hen tot berouw en bekering brengt, dan zullen zij zichzelf beschuldigen, en hun ontwaakt geweten zal in de plaats van duizend getuigen zijn. Het betaamt de boetvaardigen om in het belijden hunner zonde aan God zeer nauwkeurig en uitvoerig te zijn, niet alleen: "Ik heb gezondigd", maar "hierin en daarin heb ik gezondigd", met leedwezen en smart gedenkende aan al de stappen, die tot zonde hebben geleid, en alle de omstandigheden, die haar verzwaard hebben en haar zeer zondig hebben gemaakt, zo en zo heb ik gedaan. Hij bekent:
a. Dat hij die dingen genomen heeft. Bij het plunderen van een huis in Jericho vond hij een schoon Babylonisch kleed, een overkleed, zoals de vorsten droegen als zij zich in staatsie vertoonden. Waarschijnlijk had het de koning van Jericho behoord. Een veelkleurig gewaad zo worden de woorden door sommigen overgezet, wat het nu ook moge geweest zijn, in zijn ogen was het iets heerlijks. "Hoe jammer," denkt Achan, "dat dit verbrand zou worden, dat zou niemand enig goed doen, als ik het houd, zal het mij jarenlang voor mijn beste kleed kunnen dienen." Onder dit voorgeven krijgt hij vrijmoedigheid om dit te nemen, ziet hij er geen kwaad in om dit van het vuur te redden, maar nu begonnen zijnde, gaat hij voort, en neemt een zak met geld, tweehonderd sikkelen, dat is honderd ons zilver, en een gouden tong, die vijftig sikkelen woog, dat is vijf en twintig ons. Hij kon niet aanvoeren dat hij door deze te nemen, ze voor het vuur bewaard heeft, (want het zilver en goud moest tot de schat des tabernakels gelegd worden) maar zij, die een lichte verontschuldiging maken om een zonde te begaan, zullen hiermede hun hart verharden, zodat zij de volgende zonde doen zonder er een verontschuldiging voor te zoeken, want de weg van de zonde gaat bergafwaarts. Zie welk een armzalig gewin het was, waarvoor Achan zich aan zo ontzettend gevaar blootstelde, en hoe onuitsprekelijk veel hij er door verloren heeft. Zie Mattheus 16:26.
b. Hij bekent op wat wijze hij die dingen genomen heeft.
A. De zonde begon in het oog. Hij zag deze fraaie dingen, zoals Eva de verboden vrucht gezien heeft en verwonderlijk bekoord was door dit gezicht. Zie wat er het gevolg van is, als men toelaat dat het hart de ogen nawandelt, en hoe nodig het ons is om dit verbond te maken met onze ogen, dat, zo zij wandelen, zij er voor zullen wenen. Zie de wijn niet aan als hij zich rood vertoont, zie de vrouw niet aan, die schoon is, sluit het rechteroog, dat u aldus ergert, ten einde de noodzakelijkheid te voorkomen van het uit te rukken en van u te werpen, Mattheus 5:28, 29.
B. Zij kwam voort uit het hart. Hij erkent: Ik kreeg lust daartoe. De begeerlijkheid aldus ontvangen hebbende, baarde zij de zonde. Zij, die bewaard willen blijven voor zondige daden, moeten zondige begeerten in zich beteugelen en doden, inzonderheid de begeerte naar wereldlijke rijkdom, die wij meer bijzonder geldgierigheid noemen. O van welk een wereld van kwaad is de liefde tot het geld niet de wortel! Had Achan met het oog des geloofs op deze dingen gezien, hij zou ze als gevloekte dingen gezien hebben en zou er een afschrik van gehad hebben, maar er slechts op ziende met het oog van de zinnen, zag hij ze als fraaie dingen, en begeerde ze. Het was niet het zien, maar het begeren, dat hem ten verderve bracht.
C. Toen hij de daad gedaan had, was hij zeer ijverig om haar te verbergen. De verboden schatten genomen hebbende, en vrezende dat er naar verboden goederen een onderzoek zou worden ingesteld, verborg hij ze in de aarde, als besloten zijnde te houden wat hij had, en het nooit weer te geven. Aldus bekent Achan de gehele zaak, opdat God gerechtvaardigd zou worden in het vonnis dat over hem uitgesproken is. Zie de bedrieglijkheid van de zonde, wat zoet was in het bedrijven, is bitter in het nadenken er over, en ten laatste bijt zij als een adder. Zie inzonderheid wat er komt van onrechtvaardig verkregen goed, en hoe diegenen bedrogen uitkomen, die God beroven, Job 20:15. Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen, God zal het uit zijn mond uitdrijven.
IV. Zijn schuldigverklaring. God had hem schuldig verklaard door het lot, hij had zichzelf schuldig verklaard door zijn bekentenis, maar opdat er ook voor de meest ontevreden Israëliet geen aanleiding zou zijn om bezwaren in te brengen tegen zijn vonnis, laat Jozua nog verder zijn schuld aan het licht komen door het onderzoek in zijn tent, waar de goederen gevonden werden, die hij bekend had genomen te hebben. Er wordt bijzonder nota genomen van de haast, die de boden, welke gezonden waren om het onderzoek te doen, gemaakt hebben, zij liepen tot de tent, vers 22. Niet slechts om hun bereidwilligheid te tonen om Jozua's orders uit te voeren, maar ook om te tonen hoe onrustig zij waren, totdat het leger van het gebannene gezuiverd zou zijn, teneinde de Goddelijke gunst wederom te verlangen. Zij, die zich onder de toorn Gods gevoelen, bevinden dat het zaak voor hen is om niet te dralen met het wegdoen van de zonde. Uitstel is gevaarlijk, de tijd mag niet verbeuzeld worden, Toen de gestolen goederen gebracht werden, stortten zij ze uit voor het aangezicht des Heeren, vers 23, opdat geheel Israël zou zien hoe duidelijk de bewijzen waren tegen Achan, en God zouden aanbidden in Zijn strikte rechtvaardigheid, daar Hij het stelen van zo nietige zaken zo streng heeft gestraft, en in de gerechtigheid van Zijn oordelen, daar Hij Zijn recht op het verbannene wilde handhaven, en opdat zij bevreesd zouden zijn om ooit op gelijke wijze te zondigen. Door ze uit te storten voor het aangezicht des Heeren, erkenden zij Zijn recht er op, en wachtten om er Zijn bevelen voor te ontvangen. Zij, die denken God te kunnen bedriegen, bedriegen slechts zichzelf, wat van Hem genomen wordt, zal Hij terug verlangen Hosea 2:8, en Hij zal in het einde door geen mens iets verliezen.
V. Zijn veroordeling. Jozua spreekt het vonnis over hem uit, vers 25, "Hoe hebt gij ons beroerd? Dat is de grond voor het vonnis. O! hoezeer hebt gij ons beroerd", zo lezen sommigen de zin. Hij verwijst hiermede naar hetgeen gezegd was, toen de waarschuwing werd gegeven, om zich te wachten van het verbannene, Hoofdstuk 6:18. opdat gij het leger Israëls niet stelt tot een ban noch hetzelve beroert. De zonde is een zaak, die beroering brengt, niet alleen tot de zondaar zelf, maar tot allen, die hem omringen. Die gierigheid pleegt beroert zijn huis, Spreuken 15:27, en ook alle gemeenschap waartoe hij behoort. Welnu, zegt Jozua, de Heere zal u beroeren te deze dage. Zie waarom er met Achan zo streng gehandeld werd, niet alleen omdat hij God had beroofd, maar omdat hij Israël had beroerd, boven zijn hoofd was, als het ware deze beschuldiging geschreven: Achan, de beroerder Israëls, zoals Achab, 1 Koningen 18:18. Dit dus is zijn oordeel: de Heere zal u beroeren. De rechtvaardige God zal voorzeker verdrukking vergelden degenen, die Zijn volk beroeren, 2 Thessalonicenzen 1:6. Zij, die beroeren, zullen beroerd worden. Uit het woord: de Heere zal u beroeren te deze dage, leiden sommigen van de Joodse wetgeleerden af, dat hij dus niet beroerd zal worden in de andere wereld, het vlees werd gedood opdat de ziel behouden zou worden, indien dit zo is, dan was de rechtspraak in werkelijkheid niet zo streng als zij scheen. In de beschrijving, beide van zijn zonde en van zijn straf, is door de beroering, die er in beide was, een duidelijke toespeling op zijn naam, Achan, of zoals hij in 1 Kronieken 2:7 h genoemd wordt Achar, hetwelk beroering betekent. Hij heeft maar al te zeer aan zijn naam beantwoord.
Vl. Zijn terdoodbrenging. Er kon geen uitstel worden verleend, een door kanker aangetast lid van het lichaam moet terstond afgesneden worden. Toen hij breek een anathema te zijn en de beroerder van het leger, kunnen wij veronderstellen, dat al het volk "weg met hem! weg met hem! geroepen heeft. Stenig hem, stenig hem." Hier is:
1. De plaats van de terdoodbrenging. Zij voerden hem buiten het leger, ten teken dat zij de boze uit hun midden wilden wegdoen, 1 Corinthiers 5:13. Toen onze Heere Jezus een vloek voor ons gemaakt is, opdat wij door Zijn beroering vrede zouden hebben, leed Hij als een verbannene buiten de poort onze smaadheid dragende, Hebreeën 13:12, 13. De voltrekking van de straf geschiedde op een afstand, opdat het leger, dat door Achans zonde beroerd was, door zijn dood niet zou worden verontreinigd.
2. De personen, die voor de voltrekking van het vonnis gebruikt werden, het was de daad van geheel Israël, vers 24, 25. Allen waren zij er toeschouwers van, opdat zij zouden zien en vrezen. Openbare terechtstellingen zijn openbare voorbeelden. Ja allen hadden een welbehagen in zijn dood, en zovelen als konden waren er bij behulpzaam, ten teken van de algemene verfoeiing van zijn heiligschennende daad en hun vrees voor Gods misnoegen tegen hen.
3. Wie met hem deelden in de straf, want hij stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid, Hoofdstuk 22:20. a. De gestolen goederen werden met hem vernield, het kleed verbrand, zoals het met de andere brandbare zaken van Jericho verbrand had moeten worden, en het zilver en goud bedorven, gesmolten, verloren en begraven in de as van de rest van zijn goederen, onder de hoop stenen, zodat het nooit tot een ander doeleinde aangewend kon worden.
b. Al zijn andere goederen werden op gelijke wijze vernietigd, niet alleen zijn tent en de meubelen daarvan, maar ook zijn ossen en zijn ezelen en zijn vee, om te tonen, dat onrechtvaardig verkregen goed, inzonderheid als het door heiligschennis wordt verkregen, niet alleen niet zal gedijen, maar ook de andere goederen waaraan het was toegevoegd, zal verderven en vernietigen De adelaar in de fabel, die vlees stal van het altaar, bracht er een kool vuurs van mede, die zijn nest verbrandde, Habakuk 2:9, 10, Zacheria 5:3, 4. Zij verliezen het hun, die naar meer grijpen dan het hun is. c. Zijn zonen en dochters werden met hem ter dood gebracht. Sommigen denken dat zij slechts uitgevoerd werden, vers 24, om toeschouwers te zijn van de straf huns vaders, maar de meester zijn van gevoelen, dat zij met hem stierven en dat zij bedoeld moeten zijn, als in vers 25 wordt gezegd: zij stenigden hem met stenen en verbrandden hen met vuur. God had uitdrukkelijk bevolen dat magistraten geen kinderen ter dood zullen brengen om de zonden hunner vaderen, maar Hij bedoelde niet zichzelf aan deze wet te binden, en in dit geval heeft Hij uitdrukkelijk geboden dat de misdadiger met al wat hij heeft verbrand moest worden, vers 15. Misschien waren zijn zonen en dochteren medeplichtig aan de snode daad, hadden zij hem geholpen om het verbannene weg te nemen. Het is zeer waarschijnlijk dat zij geholpen hebben om die dingen te verbergen, en dat hij ze niet kon verbergen in het midden van zijn tent of zij moesten het weten en zijn geheim bewaren, en zo zijn zij dan medeplichtigen geworden ex post facto-na de daad, en al hebben zij ook nog zo weinig gedeeld in de misdaad, die misdaad was zó zwaar, dat zij rechtvaardiglijk gedeeld hebben in de straf. God werd er echter door verheerlijkt, en het voltrokken oordeel is er zoveel ontzettender door geworden.
4. De straf zelf, die hem opgelegd was. Hij werd gestenigd, sommigen denken als een sabbatschender, in de veronderstelling dat de heiligschennis op een sabbatdag gepleegd was, en toen werd zijn dood lichaam verbrand, als een ban, een gevloekte zaak, waarvan niets mocht worden overgelaten. De medewerking van het gehele volk in deze strafvoltrekking leert ons hoezeer het in het belang is van een volk, dat allen zoveel zij kunnen bijdragen om het kwaad te weren en te onderdrukken, heiligschennis te voorkomen of te straffen, alsmede om een hervorming van de zeden tot stand te brengen. Zonde is een schandvlek van de natiën, en daarom zal ieder waar Israëliet een steen hebben, om er op te werpen.
5. Hoe de toorn des Heeren hierdoor werd afgewend, vers 26. Alzo keerde zich de Heere van de hittigheid Zijns toorns. Het wegdoen van de zonde door oprecht berouw en een wezenlijke verbetering is het enige, maar zekere middel voor de vernieuwing van Gods gunst. Neem de oorzaak weg, en de uitwerking zal ophouden.
VII. Hoe er zorg voor werd gedragen om de gedachtenis aan zijn schuld en straf te bewaren, tot lering en waarschuwing van het nageslacht.
1. Er werd een steenhoop opgericht op de plaats, waar Achan was ter dood gebracht ieder man van de vergadering er waarschijnlijk een steen op werpende ten teken van zijn verfoeiing van de misdaad.
2. Er werd een nieuwe naam aan de plaats gegeven, zij werd het Dal van Achor, of van de Beroering genoemd. Dit was een eeuwigdurend brandmerk van eerloosheid op Achans naam en een altijddurende waarschuwing aan alle mensen om Gods eigendom niet aan te tasten er geen inbreuk op te maken. Door deze strengheid jegens Achan werd de eer van Jozua's regering, die nog pas was aangevangen, gehandhaafd, en Israël werd er bij zijn intrede in het beloofde land aan herinnerd, om acht te geven op de voorwaarden en de bepalingen, die aan de schenking er van verbonden waren. Het Dal van Achor wordt gezegd tot een deur van de hope gegeven te zullen worden, want, als wij de ban wegdoen, dan begint er hope te zijn in Israël, Hosea 2:14, Ezra 10:2.