Psalm 58:7-12
In deze verzen hebben wij:
I. Davids gebeden tegen zijn vijanden, en alle zodanige vijanden van Gods kerk en volk, want als de zodanigen beschouwt hij hen, zodat hij in zijn bidden tegen hen gedreven werd door liefde voor het openbare welzijn, en niet door persoonlijke wraakzucht.
1. Hij bidt dat zij onbekwaam gemaakt zullen worden om nog meer kwaad te doen, vers 7 :o God, verbreek hun tanden. Niet zozeer opdat zij, zich dan niet meer kunnen voeden, alswel opdat zij niet instaat zouden zijn anderen tot hun prooi te maken. Psalm 3:8. Hij zegt niet: Breek hun nek", (neen, laat hen leven om zich nog te kunnen bekeren, dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete) maar verbreek hun tanden, want zij zijn leeuwen, zij zijn jonge leeuwen, die van roof leven."
2. Dat zij teleurgesteld mogen worden in de komplotten, die zij reeds beraamd hebben en hun doel niet bereiken. Als hij zijn boog spant zijn pijlen aanlegt om ze af te schieten naar het hart van de oprechten, laat die zijn alsof zij in stukken gesneden waren, vers 8, Laat die aan zijn voeten vallen, en nooit het doel treffen."
3. Dat zij en hun belangen wegsmelten, teniet worden, laat hen smelten als water laat hen daarhenen drijven, zoals de wateren van een overstroming, die, hoewel zij voor een wijle geducht schijnen, spoedig door de grond worden opgezogen, of in hun bedding terugvloeien, of, in het algemeen, als water, dat op de grond is uitgestort en niet weer verzameld kan worden, maar langzamerhand opdroogt en verdwijnt. Zodanig zullen "de beken Belials" zijn, die ons somwijlen verschrikken, Psalm 18:5. Zo zullen de trotse wateren die dreigen "over onze ziel te gaan," Psalm 124:4, 5 tot staan gebracht worden. Laat ons dan door het geloof zien wat zij zullen wezen, dan zullen wij niet vrezen wat zij zijn. Hij bidt, vers 9, dat zij zullen smelten als een slak, die zich verteert door haar eigen beweging, telkens als zij zich uitstrekt laat zij iets van haar vocht achter, waardoor zij langzamerhand geheel verteerd moet worden, hoewel zij een glanzig pad achterlaat. Hij, die zoals een slak in haar huisje plenus sui, vol is van zichzelf, zichzelf behaagt, op zichzelf vertrouwt, doet niets dan zichzelf verteren en zal zich spoedig teniet maken. En hij bidt dat zij zullen zijn als van een miskraam, die sterft zodra zij begint te leven en nooit de zon ziet. In zijn hartstocht heeft Job gewenst een zodanige geweest te zijn, Job 3:16, maar hij wist niet wat hij zei. Wij mogen in het geloof bidden tegen de plannen van de vijanden van de kerk, zoals de profeet Hosea 9:14 : Geef hun Heere, wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder en uitdrogende borsten, hetgeen dit hier verklaart.
II. Zijn voorzegging van hun verderf, vers 10. "Eer dan uw potten de hitte gewaarworden van een vuur van doornen, dat er onder gelegd is dat ze echter zo aanstonds gewaar zullen worden, want het is een snel vuur, en brandt heftig zolang het duurt, zo spoedig, en met zo'n haastige en heftige vlam, zal God hen voortjagen, schrikkelijk en onweerstaanbaar als een dwarrelwind, levend, als het ware, en in allerijl." De spreekwoordelijke uitdrukkingen zijn ietwat duister, maar de zin, de betekenis, is duidelijk. 1. Dat de oordelen Gods dikwijls de goddelozen overvallen temidden van hun vrolijkheid, en hen plotseling weg haast. Als zij beginnen te wandelen bij het licht van hun eigen vuur en in de spranken, die zij ontstoken hebben, dan zullen zij in smart nederliggen Jesaja 50:11, en hun lachen zal zijn als het geluid van doornen onder een pot, waarvan het aangename spoedig weg is, eer zij kunnen zeggen: Ha! ik ben warm geworden.
2. Dat zij niet zullen kunnen bestaan voor de verwoesting, die van de Almachtige komt, want wie kent de sterkte van Gods toorn? Als God de zondaren dood of levend zal wegnemen kunnen zij niet met Hem strijden, niet met Hem twisten, de goddelooste zal heengedreven worden in zijn kwaad.
Er zijn twee dingen, die de psalmist zich belooft als goede gevolgen van het verderf van de zondaren.
A. Dat de heiligen er door aangemoedigd en vertroost zullen worden, vers 11. De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak aanschouwt. De pracht en macht, de voorspoed en de welvaart van de goddelozen zijn een ontmoediging voor de rechtvaardigen, hun hart wordt er door bedroefd en hun handen slap gemaakt, en soms komen zij er in de sterke verzoeking door om hun grondslag in twijfel te trekken, Psalm 73:2, 13 Maar als zij zien hoe de oordelen Gods hen wegstormen en er rechtvaardige wraak aan hen geoefend wordt voor al het kwaad, dat zij gedaan hebben aan het volk van God, dan verblijden zij zich in de voldoening, die hun ten opzichte van hun twijfelingen gegeven wordt, en de bevestiging van hun geloof in de voorzienigheid Gods, die zij er door erlangen, en in Zijn gerechtigheid in het bestuur van de wereld- zij zullen zich verblijden in de overwinning aldus behaald over de verzoeking, door "op hun einde te merken," Psalm 73:17. Hij zal zijn "voeten wassen in het bloed des goddelozen, " er zal zeer, veel bloed worden vergoten, Psalm 68:24, en het zal voor de heiligen een even grote verkwikking zijn om God verheerlijkt te zien in het verderf van de zondaren, als het voor een vermoeid reiziger is om zijn voeten te wassen. Het zal ook bijdragen tot hun heiligmaking, het zien van de wraak zal hen doen beven voor God, Psalm 119:120, en zal hen overtuigen van het kwaad van de zonde en van hun verplichtingen jegens die God, die hun zaak voorstaat en handhaaft, en niemand zal toelaten om hun kwaad te doen en ongestraft te blijven. De blijdschap van de heiligen wegens het verderf van de goddelozen is een heilige en wettige blijdschap, als zij er toe bijdraagt om hen heilig te maken en hen te reinigen van zonde.
B. Dat zondaren erdoor overtuigd en bekeerd zullen worden, vers 12. De wraak, die God soms oefent aan de goddelozen in deze wereld, zal de mensen er toe brengen om te zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige. Iedereen is instaat om uit die leidingen van Gods voorzienigheid deze gevolgtrekking af te leiden, en menigeen zal het doen, die tevoren zelfs deze eenvoudige, duidelijke waarheden heeft ontkend, of er aan heeft getwijfeld. Aan sommigen zal die belijdenis ontwrongen worden, anderen zullen zozeer tot betere inzichten zijn gekomen, dat zij haar gaarne en gewillig afleggen, en God danken, die hun heeft gegeven te zien, te zien met voldoening dat God is, en dat Hij:
a. De milddadige beloner is van Zijn heiligen en dienstknechten. Immers, (hoe het ook zij, aldus kan het gelezen worden) is er vrucht voor de rechtvaardige, welk nadeel iemand ook kan lijden, aan welke wisselvalligheid hij ook is blootgesteld, welke ontberingen hij ook te verduren zal hebben voor zijn godsdienst, hij zal er niet slechts niets door verliezen, maar er in de uitkomst onuitsprekelijk veel door winnen. Zelfs in deze wereld is er loon voor de rechtvaardigen, de rechtvaardige wordt vergolden op de aarde. Zij zullen bekend, geëerd en beschermd worden, die voorbijgezien, geminacht en verlaten schenen.
b. Dat Hij de rechtvaardige bestuurder is van de wereld, en gewis afrekening zal houden met de vijanden van Zijn koninkrijk, immers, hoe het ook zij, hoewel de goddelozen voorspoedig zijn en de Goddelijke gerechtigheid trotseren, zal het toch blijken tot hun beschaming dat de wereld niet door het toeval wordt geregeerd, maar door een wezen van oneindige wijsheid en gerechtigheid, er is een God, die op de aarde richt, hoewel Hij Zijn troon bereid heeft in de hemelen. Hij houdt toezicht over alle zaken van de kinderen van de mensen, beschikt er over, en bestuurt ze naar de raad van Zijn wil tot Zijn eigen heerlijkheid, en Hij zal de goddelozen straffen, niet alleen in de toekomende wereld, maar op de aarde, waar zij hun schat hebben opgelegd en zich met geluk gevleid hebben op de aarde, opdat de Heere bekend zal zijn door het recht, dat Hij gedaan heeft, en dit als een onderpand genomen zal worden van het toekomend oordeel. Hij is een God, (zo lezen wij het), geen zwakke mens, geen engel, niet een blote naam, niet (zoals de atheïsten zeggen) een schepsel van van de mensen vrees en verbeelding geen tot halfgod verheven held, niet de zon en maan, zoals de afgodendienaars zich verbeeldden, maar een God, een uit zichzelf bestaand volmaakt wezen, Hij is het, die de aarde richt. Zo laat ons dan Zijn gunst zoeken, van wie het oordeel van iederen mens voortkomt, en laat aan Hem al het oordeel overgelaten worden.