Job 3:11-19
Misschien heeft Job bij nader bedenken zijn dwaasheid ingezien, waarmee hij wenste nooit te zijn geboren, en daarom tracht hij dit nu te verbeteren door een andere wens, die echter niet veel beter is, namelijk dat hij terstond na zijn geboorte ware gestorven, waarover hij in deze verzen uitweidt. Als onze Heiland een zeer rampspoedigen staat van zaken wilde voorstellen, schijnt Hij een gezegde als dit toe te laten. "Zalig zijn de onvruchtbaren en de schoot die, niet heeft gebaard" "en de borsten, die niet hebben gezoogd, "Lukas 23:29, maar de onvruchtbare schoot zalig te spreken is een ding, en de vruchtbare te vloeken is een andere zaak! Het is goed om uit beproevingen zoveel mogelijk nut en voordeel te trekken, maar het is niet goed om van onze zegeningen een slecht gebruik te maken en er kwaad aan te ontlenen. Onze regel is: Zegen en vloek niet.
Soms wordt het leven genomen voor al wat goed, en de dood voor al wat kwaad is, maar Job klaagt hier op dwaze wijze over het leven en hetgeen het leven onderhoudt als een vloek en een plaag voor hem, en begeert de dood en het graf als de grootste en begerenswaardigste zegen. Voorzeker! Satan had zich vergist in Job, toen hij die grondregel op hem toepaste: al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven, want nooit heeft iemand het leven op minderen prijs gesteld dan hij.
I. Ondankbaar twist hij met het leven, en is er zeer toornig om dat het hem niet ontnomen was terstond nadat het hem was gegeven vers 11, 12. Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af? Zie hier:
1. Welk een zwak en hulpeloos schepsel de mens is, als hij ter wereld komt, en hoe zwak dan de pas gesponnen levensdraad is. Wij zijn gereed te sterven van de baarmoeder af, en zodra wij beginnen te ademen reeds de laatste adem uit te blazen. Wij kunnen niets voor onszelf doen, zoals andere schepselen het wèl kunnen, maar zouden ten grave dalen indien de knieën ons niet voorkwamen, en de levenslamp, pas ontstoken, zou vanzelf uitgaan indien de borsten, ons gegeven opdat wij zouden zuigen, haar niet opnieuw van olie voorzagen.
2. Welk een genadige en tedere zorg Gods voorzienigheid voor ons gehad heeft, toen wij in de wereld kwamen. Hieraan hadden wij het te danken, dat wij niet van de baarmoeder af gestorven zijn, de geest niet hebben gegeven als wij uit de schoot voortkwamen. Waarom zijn wij niet afgesneden terstond nadat wij geboren waren? Niet omdat wij dit niet verdienden, zeer terecht zou zulk onkruid uitgerukt zijn kunnen worden zodra het opkwam, zeer terecht zou deze basiliscus in het ei reeds verpletterd zijn. Niet omdat wij zelf enigerlei zorg voor onszelf en voor onze veiligheid genomen hebben, of hadden kunnen nemen, geen schepsel komt zo hulpeloos, zo hulpbehoevend ter wereld als de mens. Het was niet onze macht, noch de kracht van onze hand die ons bestaan bewaarde, maar Gods hand. Zijn macht en voorzienigheid onderhield ons broos leven, door Zijn mededogen en Zijn lankmoedigheid werd ons verbeurd leven gespaard, daaraan hebben wij het te danken dat de knieen ons voorgekomen zijn. Door de hand van de God van de natuur is de natuurlijke liefde in het hart van de ouders gelegd, vandaar dat de zegeningen van de borsten die van de schoot vergezelden.
3. Hoeveel ijdelheid en kwelling van de geest in het menselijk leven is. Indien wij geen God hadden te dienen in deze wereld, op geen betere dingen hadden te hopen in een andere wereld, wij zouden, in aanmerking genomen de hoedanigheden waarmee wij zijn begiftigd, en de moeilijkheden, die ons omringen, in sterke verzoeking zijn om te wensen dat wij gestorven waren van de baarmoeder af, waardoor zeer veel zonde en ellende voorkomen zou zijn. "Hij, die heden geboren wordt en morgen sterft, verliest enige uren van vreugd, maar ontgaat maanden van smart."
4. Het kwaad van ongeduld, gemelijkheid en ontevredenheid, waar dit de overhand heeft, is de mens onredelijk, dwaas, goddeloos en ondankbaar, en dan minacht en onderschat hij Gods gunst. Hoe zuur en bitter het leven ook gemaakt zij, wij moeten zeggen: "het was de goedertierenheid des Heeren, dat wij niet van de baarmoeder af gestorven zijn, dat wij niet verteerd zijn." Afkeer van het leven is in tegenspraak met het gezond verstand en met het menselijk gevoel, en op andere tijden ook met ons eigen gevoel. Ontevreden mensen kunnen nog zoveel roepen en schreeuwen tegen het leven, als het op stuk van zaken komt, zijn zij wars om er van te scheiden. Toen de grijsaard in de fabel moe was van de last, die hij droeg, wierp hij hem af en riep om de dood, deze kwam en vroeg wat hij van hem begeerde, "niets," zei de grijsaard, "dan dat gij mij helpt om mijn last weer op te nemen".
II. Hartstochtelijk roemt hij de dood en het graf, en schijnt er geheel verliefd op. Begeren te sterven om met Christus te wezen en bevrijd te zijn van de zonde en met onze woonstede die uit de hemel is overkleed te worden dat is de vrucht en het bewijs van genade, maar begeren te sterven, alleen maar om rust te hebben in het graf en verlost te zijn van de moeilijkheden van dit leven, dat riekt naar het bederf. Jobs overweging hier kan ons nuttig zijn om ons te verzoenen met de dood, als hij komt, en ons rust en kalmte te geven bij zijn nadering, maar er moet geen gebruik van worden gemaakt als een voorwendsel om met het leven te twisten terwijl het ons gelaten wordt, of om ons onrustig te maken onder de lasten ervan. Het is onze wijsheid en onze plicht om ons voordeel te doen met hetgeen is," hetzij" "leven of sterven, en aldus de Heere te leven" en "de Heere te sterven," en in beide "des Heeren te wezen," Romeinen 14:8.
Job verbittert zich hier door te denken dat, zo hij slechts terstond na zijn geboorte was gestorven, van de baarmoeder naar het graf was gebracht:
1. Zijn toestand zou zo goed zijn geweest als van de besten. Ik zou, zegt hij, met de koningen en raadsheren van de aarde zijn, wier pracht en macht en beleid hen niet buiten het bereik van de dood kunnen stellen, noch hen kunnen beveiligen tegen het graf, noch hun stof in het graf van het gewone, het algemene stof kunnen onderscheiden. Zelfs vorsten, die goud hadden in overvloed, konden er de dood niet mee omkopen om hen voorbij te gaan als hij tot hen komt, en hoewel zij hun huizen vulden met zilver, zijn zij genoodzaakt het alles achter te laten en kunnen er niet toe wederkeren. Onder de woeste plaatsen, die de koningen en raadsheren hier gezegd worden voor zich bebouwd te hebben, verstaan sommigen de graftomben of monumenten, die zij in hun leven voor zich hebben opgericht, zoals Sebna, Jesaja 22:16, die zich "een graf uitgehouwen" "heeft, " en onder het goud, dat de vorsten hadden, en het zilver, waarmee zij hun huizen vulden verstaan zij de schatten, die, zeggen zij, zij gewoon waren in de graven van voorname mannen neer te leggen. Zulke kunstgrepen werden aangewend om aan geen zijde van de dood zo mogelijk, hun waardigheid op te houder, en er zich voor te behoeden om met hun minderen in gelijke toestand te komen, maar het baat niet, de dood is en blijft een onweerstaanbare gelijkmaker, Mors sceptra ligonibus cequat-De dood vermengt scepters met spaden. Rijken en armen ontmoeten elkaar in het graf, en een verborgen misdracht, vers 16, een kind, dat nooit het levenslicht heeft gezien, of een dat pas zijn ogen er voor geopend hebbende een blik sloeg in de wereld en er mishagen in vond, en ze daarom maar weer sloot, ligt er even zacht en gemakkelijk, even hoog en heilig, als koningen en raadsheren en vorsten, die goud hadden. "En daarom," zegt Job, "zou ik liever daar in het stof gelegen hebben, dan te leven en hier in de as te liggen".
2. Zijn toestand zou veel beter geweest zijn dan hij nu was vers 13. "Dan zou ik nederliggen en stil zijn, dat ik nu niet kan, nu ben ik onrustig, word ik heen en weer geschud, dan zou ik slapen, terwijl nu de slaap van mijn ogen geweken is, dan zou ik rusten. terwijl ik nu rusteloos ben." Thans, nu het leven en de onsterflijkheid in zo'n helderder licht gebracht zijn door het Evangelie dan waarin zij tevoren geplaatst waren, kunnen goede Christenen een beter bericht geven dan dit is, van het gewin van de dood. "Dan zou ik bij de Heere geweest zijn, dan zou ik Zijn heerlijkheid gezien hebben van aangezicht tot aangezicht, en niet langer door een spiegel als in een duistere rede. Maar alles wat de arme Job zich voorspiegelde was rust en stilte in het graf, buiten het bereik van slechte tijdingen, en buiten het gevoel van de pijn van zijn zweren. Want nu zou ik neerliggen en stil zijn, dan zou hij in zijn humeur zijn gebleven, zijn gelijkmatig kalm humeur, waarin hij in de twee vorige hoofdstukken was, volkomen onderworpen aan de heilige wil van God, en er in berustende, hij zou nu stil en rustig zijn, zijn ziel tenminste zou dan vernachten in het goede al was ook zijn lichaam in pijn en smart Psalm 25:13.
Merk op hoe schoon hij de rust in het graf beschrijft, hetgeen (mits ook de ziel rust in God) ons grotelijks kan helpen in onze triomf er over.
A. Zij, die nu beroerd zijn, zullen daar buiten het bereik zijn van beroering vers 17, daar houden de bozen op van beroering. Als vervolgers sterven, kunnen zij niet langer beroeren, hun haat en hun nijdigheid zijn nu vergaan. Herodes had de gemeente gekweld, maar toen hij een prooi van de wormen was geworden, hield hij op van beroering. Als de vervolgden sterven, dan zijn zij buiten gevaar van nog verder beroerd te worden. Indien Job in het graf had gerust, hij zou door de Sabeërs en Chaldeen niet beroerd zijn geworden, geen van al zijn vijanden zou hem op enigerlei wijze hebben kunnen beroeren.
B. Zij, die thans zwoegen, zullen dan het einde zien van hun arbeid en moeite, daar rusten de vermoeiden van kracht. Voor de zielen van de heiligen is de hemel meer dan een rust, maar het graf is een rust voor hun lichaam, hun pelgrimstocht is vermoeiend, de zonde en de wereld zijn zij moede, hun dienst, hun lijden en hun verwachtingen hebben hen vermoeid, maar in het graf "rusten zij van hun arbeid," Openbaring 14:13, Jesaja 57:2. Daar zijn zij gerust en klagen niet, daar slapen de gelovigen in Jezus.
C. Zij, die hier in slavernij waren, zijn daar in veiligheid, de dood is het ontslag van de gevangenen, de verlichting voor de verdrukten, en de vrijmaking van de dienstbaren, vers 18. De gevangenen kunnen daar wel niet vrij uit en ingaan, maar zij rusten tezamen, worden niet aan het werk gezet, zijn niet malende in dat gevangenhuis. Zij worden niet meer beledigd en vertreden, gedreigd en verschrikt door hun wrede aandrijvers, zij horen de stem des drijvers niet. Zij, die hier tot altijddurende dienstbaarheid gedoemd waren, die niets het hunne konden noemen, neen, zelfs hun eigen lichaam niet, zijn daar niet langer onder bevel en bedwang, daar is de knecht vrij van zijn heer, hetgeen een goede reden is waarom zij die macht hebben, haar met gematigdheid moeten gebruiken, en zij, die in onderworpenheid en dienstbaarheid zijn, het nog een wijle geduldig moeten dragen.
D. Zij, die op grote afstand waren van alle anderen, zijn daar gelijk, vers 19. De kleinen en de groten zijn daar dezelfden, daar allen een, allen gelijkelijk vrij onder de doden. De vervelende staatsie en pracht van de groten zijn daar ten einde, ook alle ongemak en ongerief van een armen en lagen staat houden daar op, dood en graf kennen geen verschil.